Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15581

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
NL26.29257
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwVreemdelingenwet 2000Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling maatregel van bewaring vreemdeling op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet

De minister heeft op 26 mei 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser, een Cubaanse vreemdeling, op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De rechtbank behandelde het beroep op 8 juni 2026.

De minister baseerde de bewaring op zware en lichte gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze Nederland binnenkomen, het onttrekken aan toezicht, onvoldoende medewerking aan vaststelling identiteit en het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats. Eiser betwistte deze gronden niet. De rechtbank oordeelde dat deze gronden samen voldoende zijn om de bewaring te dragen en dat een lichter middel niet doeltreffend zou zijn.

De rechtbank stelde vast dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser naar Spanje, met een verzoek tot terugname geaccepteerd door Spanje en een geplande overdracht op 17 juni 2026. Ook werd een refoulementbeoordeling gemaakt, waartegen geen bezwaar bestond. De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig is en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.29257

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Cubaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Procesverloop

1. Bij besluit van 26 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen op de rechtbank en heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(
zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
(
lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb [2] heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
5. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. Nederland heeft op 26 mei 2026 bij Spanje een verzoek om terugname gedaan. Spanje heeft dit verzoek op 28 mei 2026 geaccepteerd.
Gronden
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de zware en lichte gronden, in samenhang bezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister om een significant risico op onderduiken aan te nemen.
Lichter middel
7. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstond daarom niet om de overdracht van eiser te verzekeren. De rechtbank stelt daarbij vast dat de minister ook de pijnklachten van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel van bewaring. Door de minister is eiser erop gewezen dat medische behandeling in het detentiecentrum beschikbaar is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de noodzakelijke medische behandeling in het detentiecentrum niet voldoet. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van andere persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding heeft moeten zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht naar Spanje niet ontbreekt. Zo blijkt uit het dossier dat de minister op 26 mei 2026 een claimverzoek heeft ingediend bij de Spaanse autoriteiten en dat daarop op 28 mei 2026 een akkoord is ontvangen. Daarnaast heeft op 28 mei 2026 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Ter zitting heeft de minister aangegeven dat op 4 juni 2026 een vlucht is aangevraagd en dat eiser op 17 juni 2026 zal worden overgedragen aan Spanje.
9. De rechtbank stelt vast dat de minister in de maatregel van bewaring een refoulementbeoordeling heeft gemaakt. [3] Eisers gemachtigde heeft ter zitting desgevraagd aangegeven zich te kunnen vinden in deze beoordeling. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel in dat kader onrechtmatig is. Tot slot stelt de rechtbank vast dat eiser in totaal niet langer dan zes maanden in bewaring zit. [4]

Conclusie

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Zie het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647).
4.Zie het arrest Aroja van het Hof van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.