De minister heeft op 26 mei 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser, een Cubaanse vreemdeling, op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De rechtbank behandelde het beroep op 8 juni 2026.
De minister baseerde de bewaring op zware en lichte gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze Nederland binnenkomen, het onttrekken aan toezicht, onvoldoende medewerking aan vaststelling identiteit en het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats. Eiser betwistte deze gronden niet. De rechtbank oordeelde dat deze gronden samen voldoende zijn om de bewaring te dragen en dat een lichter middel niet doeltreffend zou zijn.
De rechtbank stelde vast dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser naar Spanje, met een verzoek tot terugname geaccepteerd door Spanje en een geplande overdracht op 17 juni 2026. Ook werd een refoulementbeoordeling gemaakt, waartegen geen bezwaar bestond. De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig is en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.