Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15584

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
NL25.32568
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 31 lid 1 VwArt. 3 EVRMArt. 8 EVRMArt. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering reëel risico ernstige schade

Eiser, van Colombiaanse nationaliteit, verzocht op 31 augustus 2023 om een verblijfsvergunning op grond van artikel 28 Vreemdelingenwet Pro 2000. De minister wees dit verzoek op 19 augustus 2025 af als kennelijk ongegrond. Eiser stelde dat hij vanwege bedreigingen, mishandeling en misbruik door criminele bendes in Colombia vreest voor zijn veiligheid bij terugkeer.

De rechtbank oordeelt dat de minister de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde feiten heeft erkend, waaronder de moord op zijn vader en gedwongen deelname aan criminele activiteiten. Deze gebeurtenissen kwalificeren als ernstige schade, wat een reëel risico op herhaling impliceert. De minister heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom dit risico niet meer aanwezig zou zijn.

Ook het binnenlands beschermingsalternatief is volgens de rechtbank onvoldoende onderbouwd, mede omdat eiser en zijn familie onder de radar moeten leven vanwege de dreiging. Daarnaast is het standpunt van de minister over de toepassing van het Chavez-Vilchez-arrest onjuist gemotiveerd.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zestien weken een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding van €1.868 toegewezen.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen binnen zestien weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32568

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. G.J. Douma).

Samenvatting

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel voor eiser heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiser heeft op 31 augustus 2023 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw aangevraagd. Eiser stelt van Colombiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997.
2.2.
De minister heeft met het bestreden besluit van 19 augustus 2025 de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw, afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.3.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan
hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M.D. Garica Celma als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

3.1.
Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft Colombia verlaten vanwege problemen met de bende Los Rastrojo, de FARC-groeperingen en in het bijzonder vanwege de problemen met El Negro. Op 20 oktober 2012 is de vader van eiser voor zijn ogen vermoord. Eiser heeft gezien wie zijn vader heeft vermoord. Hierna is eiser door El Negro gedwongen om drugs te vervoeren en afpersingen te innen voor deze criminele bendes. Eiser is ontsnapt en heeft een tijd in Chili verbleven. Rond 2019/2020 is eiser teruggaan naar Colombia waar El Negro hem heeft getraceerd en vervolgens heeft bedreigd, mishandeld en misbruikt. Eiser vreest bij terugkeer naar Colombia te worden misbruikt en/of te worden gedood door de criminele bendes.
Standpunten partijen
4.1.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
- de identiteit, nationaliteit en herkomst;
- de problemen met El Negro, de bende Los Rastrojo en de FARC-groeperingen.
De minister heeft - kort samengevat - de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit, herkomst en de problemen met de criminele bendes geloofwaardig geacht. De minister concludeert echter dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag [2] en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Colombia een reëel risico loopt op ernstige schade. Hiertoe overweegt de minister dat eiser is teruggegaan naar Colombia en hier nog een jaar zonder problemen heeft verbleven. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiser in Colombia de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties kan inroepen. Tot slot heeft de minister gesteld dat de afwijzing van de asielaanvraag geen schending van artikel 8 EVRM Pro [3] oplevert.
4.2.
Eiser heeft de juistheid van het standpunt van de minister gemotiveerd betwist. Op hetgeen hij in dit verband heeft aangevoerd zal hieronder – voor zover relevant – worden ingegaan.
Reëel risico op ernstige schade.
5.1.
De rechtbank is allereerst van oordeel dat uit hetgeen eiser naar voren heeft gebracht niet volgt dat hij valt onder één van de vervolgingsgronden als genoemd in het Vluchtelingenverdrag. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser bij terugkeer naar Colombia een reëel risico op ernstige schade loopt.
5.2.
Uit artikel 31, vijfde lid, van de Vw, gelezen in samenhang met artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn, volgt dat eerdere blootstelling aan vervolging of ernstige schade een duidelijke aanwijzing vormt voor een gegronde vrees dan wel een reëel risico om hieraan opnieuw te worden blootgesteld, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Het is dan aan de minister om te motiveren dat het niet aannemelijk is dat de vreemdeling opnieuw slachtoffer zal worden van een met artikel 3 EVRM Pro strijdige behandeling. In zaken waarin sprake is van een eerdere blootstelling, rust een verzwaarde motiveringsplicht op de minister.
5.3.
De minister heeft de door eiser gestelde problemen met El Negro, Los Rastrojo en de FARC-groeperingen geloofwaardig geacht en heeft daarmee niet getwijfeld aan de verklaringen van eiser omtrent de (confrontatie met de) moord op zijn vader, de gedwongen deelname aan de criminele activiteiten (als gevolg van het zien van de moord op zijn vader) en het langdurige seksueel misbruik door El Negro. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze geloofwaardig geachte gebeurtenissen gekwalificeerd worden als ‘ernstige schade’ als bedoeld in artikel 4, vierde lid, Kwalificatierichtlijn, hetgeen een duidelijke aanwijzing vormt dat voor eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst opnieuw een reëel risico op ernstige schade bestaat. Het lag daarom op de weg van de minister om aannemelijk te maken dat dit risico niet meer aanwezig is. Naar het oordeel van de rechtbank is de minister hier niet in geslaagd. De rechtbank licht dit hieronder verder toe.
5.4.
De rechtbank overweegt allereerst dat de minister niet wordt gevolgd in het ter zitting ingenomen standpunt dat eiser slechts stelt te vrezen voor de persoon El Negro. Eiser heeft deze lezing ter zitting betwist. Daarbij verwijst de rechtbank bovendien naar het nader gehoor waarin eiser verklaart: “
Kort voordat ik naar Chili ging, was ik weer met El Negro. Ze hadden het erover dat zij nieuwe mensen erbij wilden betrekken en nieuwe handeltjes. Ik zei dat ik niet opnieuw ging beginnen. [4] ” en “
De hondenwassers gaan daar naar de dealers. Het was een kwestie van mijn foto laten zien, en ‘’kennen jullie deze jongen?’’ Zo heeft hij mij gevonden. [5] ” Uit het gebruik van de meervoudsvorm leidt de rechtbank af dat het niet alleen ging om El Negro maar om meerdere personen. Verder verklaart eiser – in antwoord op de vraag waarom hij geen aangifte heeft gedaan tegen El Negro nadat hij bij eiser thuis langskwam – het volgende: “
Een telefoontje van hem naar iemand anders en ze hadden mij omgebracht. [6] ” Ook dit wijst er niet op dat El Negro alleen opereerde en dat eiser alleen voor hem te vrezen had.
5.5.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich niet zonder nadere motivering op het standpunt had kunnen stellen dat de vrees van eiser alleen is gebaseerd op aannames dat de rekrutering, de bedreigingen en het seksueel misbruik in de toekomst weer zullen plaatsvinden. Daartoe wordt allereerst overwogen dat eiser heeft verklaard dat El Negro hem na zijn terugkeer in Colombia vanuit Chili weer heeft weten te traceren waarop eiser opnieuw gedwongen is om deel te nemen aan criminele activiteiten én dat eiser daarna seksueel misbruikt is door El Negro. De rechtbank stelt vast dat de minister deze verklaringen niet kenbaar in de besluitvorming heeft meegewogen. De tegenwerping van de minister dat eiser na zijn terugkeer nog een jaar lang ‘veilig’ in Colombia heeft kunnen verblijven, kan daarom geen stand houden.
De minister gaat er hierbij onterecht vanuit dat eiser sluitend bewijs moet leveren voor het risico dat hij loopt. Gelet op hetgeen de rechtbank onder 5.3. heeft overwogen is het kernpunt in deze zaak namelijk de vraag of de minister aannemelijk heeft kunnen maken dat eiser bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de minister daarin niet geslaagd. Het beroep is reeds daarom gegrond.
Binnenlands beschermingsalternatief
6.1.
In paragraaf C7.30.5.2 van de Vc [7] wordt nader invulling gegeven aan het binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 van de Vc. Uit dit beleid volgt dat de IND aanneemt dat een ander gebied in het land van herkomst op grond van artikel 3.37d VV5 voldoet als beschermingsalternatief als het gaat om een gebied in het land van herkomst waar de vreemdeling geen risico loopt op vervolging of toegang heeft tot bescherming, de vreemdeling op veilige en wettige manier kan reizen naar en toegang kan verkrijgen tot dat gebied in het land van herkomst en redelijkerwijs van de vreemdeling verwacht kan worden dat hij zich in dat deel van het land vestigt. Bij deze beoordeling dient eerder verblijf in het gebied en de aanwezigheid van grootfamilie betrokken te worden.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de tegenwerping van het binnenlands beschermingsalternatief onvoldoende heeft gemotiveerd. Zoals hiervoor onder rechtsoverwegingen 5.4 en 5.5 is overwogen heeft de minister zich niet zonder nadere motivering op het standpunt kunnen stellen dat eiser enkel vreest voor één persoon én dat eiser na zijn terugkeer zonder problemen in een discotheek heeft kunnen werken en nog één jaar veilig in Colombia heeft kunnen verblijven. Voor zover de minister heeft gesteld dat de moeder en zus van eiser inmiddels een veilig onderkomen in Medellín hebben gevonden en dat dit ook voor eiser mogelijk zou zijn volgt de rechtbank de minister hierin niet. Daartoe overweegt de rechtbank dat het ambtsbericht [8] vermeldt dat relocatie in veel gevallen slechts tijdelijke rust biedt en dat zwaardere illegale gewapende organisaties zich blijven inspannen om personen op te sporen die zij als tegenstanders beschouwen. Eiser heeft ter zitting verklaard dat zijn moeder en zus onder de radar moeten leven en zich niet kunnen registreren in de vrees te worden getraceerd. Gelet hierop en mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent eisers vrees, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit ook op dit punt niet deugdelijk is gemotiveerd.
Chavez-Vilchez
7.1.
Ter zitting is tevens gebleken dat de minister het standpunt van eiser met betrekking tot de ambtshalve toetsing op grond van Chavez-Vilchez kan volgen. Het ter zitting ingenomen standpunt dat wel ambtshalve moet worden getoetst aan het arrest Chavez-Vilchez zorgt ervoor dat het standpunt in het bestreden besluit, waarin werd aangegeven dat het arrest Chavez-Vilchez geen onderdeel vormt van de afwegingen in het kader van artikel 8 EVRM Pro en eiser hiertoe een aparte aanvraag dient in te dienen, niet langer in stand kan blijven. De rechtbank constateert dat sprake is van een motiveringsgebrek.

Conclusie en gevolgen

8.1.
Het beroep is, gelet op de hiervoor onder rechtsoverwegingen 5.4, 5.5, 6.2 en 7.1 geconstateerde motiveringsgebreken, gegrond. De overige beroepsgronden van eiser behoeven daarom geen bespreking meer.
8.2.
Omdat het besluit in strijd is met artikel 3:46 van Pro de Awb [9] vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of de mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zestien weken.
8.3.
Aangezien de minister een nieuwe beslissing zal moeten nemen, en eiser heeft aangegeven dat hij tijdens het gehoor is geblokkeerd en daardoor onvoldoende in de gelegenheid is geweest om te verklaren, onder meer als het gaat om de vraag aan de zijde van welke groeperingen eiser te vrezen heeft en over het familie- en gezinsleven met zijn zoontje, ligt het volgens de rechtbank voor de hand om eiser – voor zover hij niet een asiel- of een andere vergunning krijgt – voorafgaand aan de nieuwe beslissing aanvullend te horen.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, - omdat de gemachtigde van eiser een beroepsschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Dit wordt berekend op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,00 per punt. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op om binnen zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868, - aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Jongmans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
3.(Europees) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
4.Zie rapport Nader Gehoor, pagina 13.
5.Zie rapport Nader Gehoor, pagina 14.
6.Zie rapport Nader Gehoor, pagina 16.
7.Vreemdelingencirculaire 2000.
8.Colombia: Algemeen ambtsbericht– juni 2024, pagina 58.
9.De Algemene wet Bestuursrecht.