ECLI:NL:RBDHA:2026:15599

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
NL25.24134
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000Art. 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000Art. 11 Verordening (EU) 2021/2303
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over afwijzing asielaanvraag wegens motiveringsgebrek en risicoanalyse mensenhandel

Eiseres, een Nigeriaanse vrouw, diende een asielaanvraag in na het overlijden van een man die haar probeerde te verkrachten en haar vlucht via een mensensmokkelaar waarbij zij slachtoffer werd van mensenhandel. De minister wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van het asielmotief rondom de dood van de man en een deugdelijke risicoanalyse dat zij bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht het asielmotief omtrent de dood van de man ongeloofwaardig achtte vanwege gebrek aan samenhangende en aannemelijke onderbouwing. De minister heeft ook een deugdelijke risicoanalyse gemaakt over het risico van mensenhandel bij terugkeer, waarbij factoren als het lange tijd geleden contact met het netwerk en het ontbreken van recente bedreigingen zijn meegewogen.

Wel constateert de rechtbank een motiveringsgebrek omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de aangifte tegen de mensenhandelaar niet als risicoverhogend is meegewogen. Dit leidt tot vernietiging van het besluit, maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen in stand omdat de minister ter zitting de motivering heeft aangevuld en de risicoanalyse wordt gevolgd.

Eiseres krijgt een proceskostenvergoeding van €1.868 toegewezen. De afwijzing van de asielaanvraag blijft gehandhaafd, maar het beroep is gegrond verklaard vanwege het motiveringsgebrek.

Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, het besluit vernietigd maar de afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24134

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer 1], eiseres

mede namens haar minderjarige kind
[naam minderjarige kind], v-nummer: [nummer 2]
(gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.P. Arts).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de dood van [persoon A] en de daaruit volgende problemen ongeloofwaardig zijn. De minister heeft verder terecht geconcludeerd dat eiseres bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM vanwege de mensenhandelaar in Nigeria en haar netwerk. Wel oordeelt de rechtbank dat het besluit een motiveringsgebrek kent, het beroep is daarom gegrond. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 en 3.1 staat een uiteenzetting van het asielrelaas van eiseres en haar asielmotieven. Onder 4 staat een samenvatting van het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5.1. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of de minister de dood van [persoon A] en de daaruit komende problemen ongeloofwaardig heeft mogen achten. In overweging 8 en verder gaat de rechtbank in op de vraag of de minister een deugdelijke risicoanalyse heeft gemaakt voor wat betreft het gestelde gevaar dat eiseres loopt in Nigeria vanwege mensensmokkelaar [naam smokkelaar] en haar netwerk. Aan het eind onder 9 en 9.1. staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 22 mei 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiseres heeft de Nigeriaanse nationaliteit, is geboren op [geboortedag] 1987 en behoort tot de bevolkingsgroep Edo. Zij heeft Nigeria verlaten omdat een man, genaamd [persoon A], die dichtbij de familie van eiseres stond, heeft geprobeerd om haar te verkrachten. Tijdens dit voorval is dit omgeslagen in een worsteling waarbij [persoon A] op de grond is gevallen en naar aanleiding van deze val en zijn astma is overleden. In de dagen na het overlijden van
[persoon A] is eiseres beschuldigd van moord, waardoor zij Nigeria heeft verlaten via een mensensmokkelaar. Tijdens haar reis naar Europa is eiseres door dezelfde mensensmokkelaar, [naam smokkelaar] genaamd, slachtoffer geworden van mensenhandel.
3.1.
Ter onderbouwing van haar asielrelaas heeft eiseres een geboorteakte van haar zoon overgelegd.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- de dood van [persoon A] en de daaruit volgende problemen;
- dat eiseres gebruik heeft gemaakt van een mensensmokkelaar en dat zij daarbij slachtoffer is geworden van mensenhandel.
4.1.
De minister acht het asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Ook het asielmotief dat eiseres gebruik heeft gemaakt van een mensensmokkelaar en dat zij daarbij slachtoffer is geworden van mensenhandel acht de minister geloofwaardig. De dood van [persoon A] en de daaruit volgende problemen heeft eiser niet onderbouwd met objectieve documenten en dit asielmotief vindt de minister niet geloofwaardig: eiseres heeft onvoldoende documenten gegeven en heeft daarvoor geen goede verklaring [1] en verder vormen de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel [2] . Uit de geloofwaardige asielmotieven volgt niet dat eiseres kan worden aangemerkt als een vluchteling als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Daarnaast stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres, ondanks haar aangevoerde vrees voor de mensenhandelaren, bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico loopt op ernstige schade. Daarom heeft de minister de aanvraag afgewezen als ongegrond.
Acht de minister de dood van [persoon A] en de daaruit volgende problemen ten onrechte ongeloofwaardig?
5. Eiseres betoogt dat de minister de dood van [persoon A] en de daaruit volgende problemen ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Zij heeft verklaard dat zij zich als veertienjarige verzette tegen een toenaderingspoging, omdat hij met haar wilde slapen en eiseres wilde dat niet. Er werd geduwd en getrokken, waarbij [persoon A] viel en uiteindelijk overleed. [persoon A] was, naar de verklaringen van eiseres, een rijke oude man met veel macht. Ook was hij moslim en is eiseres christen. [3] De moeder van eiseres is gearresteerd en onder druk gezet om de verblijfplaats van eiseres bekend te maken. Later is moeder door de handlangers van [persoon A] neergeschoten. [4] Hoewel eiseres in 2010 is teruggekeerd naar Nigeria, verbleef zij maar één dag in het land en kon zij alleen binnenkomen door het betalen van steekpenningen. Eiseres betoogt dan ook dat zij bij terugkeer naar Nigeria zal worden gelokaliseerd en om het leven zal worden gebracht door de handlangers of de familieleden van [persoon A]. Het is volgens eiseres dan ook geloofwaardig en reëel dat zij bij terugkeer naar Nigeria risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM.
5.1.
In de eerste plaats is tussen partijen niet in geschil dat eiseres het asielmotief de dood van [persoon A] en de daaruit volgende problemen niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die het asielmotief volledig onderbouwen. Omdat eiseres haar asielmotief niet (volledig) heeft gestaafd met documenten heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b en c, van de Vw 2000.
Samenhangende en aannemelijke verklaringen
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen concrete (onderbouwde) beroepsgronden gericht tegen de standpunt van de minister in het bestreden besluit dat eiseres de problemen met [persoon A] niet aannemelijk heeft gemaakt doordat haar verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft in het voornemen en in het bestreden besluit uitgebreid gemotiveerd waarom de verklaringen van eiseres volgens hem geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Door in beroep enkel te verwijzen naar eerder gedane en door de minister al betrokken verklaringen van eiseres, maakt eiseres naar het oordeel van de rechtbank geenszins inzichtelijk waarom de minister in de besluitvorming ten onrechte de conclusie heeft getrokken dat de dood van [persoon A] en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig zijn. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres op de vraag om deze beroepsgrond te specificeren, geantwoord dat [persoon A] een rijke islamitische man was die eiseres wilde misbruiken en zij heeft zich hier tegen verzet. Hij is overleden en eiseres wordt niet beschermd door de autoriteiten, maar juist verdacht. De moeder van eiseres is omgebracht en het is niet veilig voor eiseres om terug te keren. Deze toelichting van de gemachtigde van eiseres maakt het oordeel van de rechtbank echter niet anders, omdat hiermee nog altijd niet is geconcretiseerd waarom de besluitvorming ondeugdelijk is. Voor wat betreft het betoog van eiseres dat het geloofwaardig en reëel is dat zij bij terugkeer naar Nigeria vanwege de dood op [persoon A] een risico op ernstige schade loopt, oordeelt de rechtbank dat een niet geloofwaardig geacht asielmotief niet hoeft te worden doorgetoetst op zwaarwegendheid, oftewel in dit geval het risico op ernstige schade. De beroepsgrond slaagt derhalve niet.
Loopt eiseres bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico op ernstige schade vanwege mensenhandel?
6. Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico op ernstige schade loopt vanwege mensenhandel. Zij vreest voor mensenhandelaren die haar eerder hebben geprostitueerd in Libië en Italië. Eiseres heeft verklaard over de leider van het smokkel- en prostitutienetwerk, [naam smokkelaar]. Deze leider woont in Libië en houdt vanuit daar met inzet van handlangers vrouwen onder controle in Italië en verschillende deelstaten in Nigeria. De verklaringen van eiseres over het netwerk stroken met het rapport van het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel waarin is opgenomen dat mensenhandel netwerken zich uitstrekken over heel Europa, dat zij gebruik maken van lokale handlangers en dat zij geweld toepassen. De in het rapport beschreven zaken heeft eiseres ook meegemaakt: zij heeft zich in Libië en in Italië moeten prostitueren. Door haar vertrek naar Nederland is het netwerk een inkomstenbron kwijtgeraakt. Daar komt bij dat eiseres heeft verklaard dat de leider naaktfoto’s van vrouwen onder de leden van het netwerk verspreidde om vrouwen te traceren en te chanteren. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 7 mei 2025. [5] Daaruit volgt dat recente bedreigingen relevant zijn bij de beoordeling of risico bestaat dat een vreemdeling opnieuw slachtoffer wordt van een mensenhandelaar. Dat eiseres in Nederland geen contact meer heeft gehad met de mensenhandelaar of haar netwerk, maakt gelet op de Afdelingsuitspraak niet dat eiseres bij terugkeer naar Nigeria niet zal worden gevonden door de mensenhandelaar of haar netwerk. Verder heeft eiseres nog een schuld openstaan bij de mensensmokkelaar. De minister heeft ten onrechte geen risicoanalyse gemaakt, waardoor het besluit een motiveringsgebrek heeft.
7. In de Afdelingsuitspraak van 7 mei 2025 heeft de Afdeling een oordeel gegeven over de informatie uit het Algemeen Ambtsbericht Nigeria 2023 en de toelichting voor de beoordeling of slachtoffers van mensenhandel bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico lopen op ernstige schade door represailles van mensenhandelaren. Gelet op artikel 11, eerste lid, van de Verordening (EU) 2021/2303 van 15 december 2021, inzake het Asielagentschap van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 439/2010, coördineert het EUAA, om te zorgen voor meer convergentie bij de toepassing van de in de Kwalificatierichtlijn vastgestelde beoordelingscriteria, de inspanningen die de lidstaten leveren voor het ontwikkelen van een gemeenschappelijke analyse van de situatie in specifieke landen van herkomst en richtsnoeren ter ondersteuning van de lidstaten bij de beoordeling van relevante verzoeken om internationale bescherming. Bij de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming moeten de lidstaten rekening houden met de gemeenschappelijke analyse en richtsnoeren, onverminderd hun bevoegdheid om te besluiten op individuele verzoeken om internationale bescherming. [6] De Country Guidance Nigeria 2021 is een land specifieke gemeenschappelijke analyse en bevat ook een richtsnoer. De gemeenschappelijke analyses verstrekken praktische handvatten om een individuele zaak te analyseren. Deze handvatten zijn gebaseerd op een aantal risicoprofielen voor Nigeriaanse asielzoekers. Het risicoprofiel voor slachtoffers van mensenhandel, waaronder gedwongen prostitutie, vermeldt als voorbeeld de volgende risico-beïnvloedende factoren: het bedrag van de ‘schuld’ aan mensenhandelaren, het machtsniveau en de capaciteit van de mensenhandelaren, kennis van de mensenhandelaren over de familie en de achtergrond van het slachtoffer, de leeftijd en gezinsstatus van het slachtoffer, de sociaaleconomische achtergrond en financiële middelen van het slachtoffer, het opleidingsniveau van het slachtoffer en de beschikbaarheid van een ondersteunend familiaal of ander netwerk of de betrokkenheid van de familie van het slachtoffer bij mensenhandel.
8. De rechtbank stelt voorop dat eiseres ter zitting heeft erkend dat de minister in het bestreden besluit, anders dan zij in haar beroepsgronden heeft betoogd, wél een risicoanalyse heeft verricht. De minister heeft in het besluit echter niet die term gehanteerd. Ter zitting heeft eiseres nader toegelicht dat er weliswaar een risicoanalyse en een inschatting is gemaakt, maar dat de minister de factoren onjuist heeft gewogen. Onder verwijzing naar de al in de beroepsgronden aangehaalde Afdelingsuitspraak van 7 mei 2025 betoogt eiseres op zitting dat er vier redenen zijn waarom zij bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt op ernstige schade door (het netwerk van) mensenhandelaar [naam smokkelaar]. Het gaat daarbij om de hoogte van de schuld, het feit dat eiseres een alleenstaande vrouw is en zelf is gevlucht en dat zij aangifte heeft gedaan tegen de mensenhandelaren.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in lijn met de Afdelingsuitspraak van 7 mei 2025 een deugdelijke risicoanalyse verricht. De minister stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat de stelling van eiseres dat zij vanwege het netwerk van [naam smokkelaar] bij terugkeer naar Nigeria wederom slachtoffer zal worden van mensenhandel,
niet wordt gevolgd. Dit oordeel licht de rechtbank hieronder stapsgewijs toe.
8.2.
In de eerste plaats stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiseres minstens zeven jaar geleden voor het laatst contact heeft gehad met de mensensmokkelaar of met iemand uit het netwerk. Er is dan ook geen sprake van recentelijk contact of recentelijke bedreigingen van de mensenhandelaar die erop wijzen dat eiseres bij terugkeer naar Nigeria actief wordt gezocht. De rechtbank volgt de minister verder in zijn standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de mensenhandelaar of haar netwerk eiseres nog zouden herkennen bij terugkeer naar Nigeria. De foto die van eiseres is gemaakt dateert namelijk uit 2015. Ook heeft eiseres het vermoeden dat er daadwerkelijk mensen naar haar op zoek zijn met deze foto niet weten te onderbouwen. Los daarvan is niet bekend of eiseres in de eerste plaats bekend is in het netwerk van de mensenhandelaar, of alleen bij de mensenhandelaar zelf.
8.3.
Verder stelt de minister zich terecht op het standpunt dat het feit dat eiseres nog een schuld heeft openstaan bij mensensmokkelaar niet maakt dat aannemelijk is dat eiseres nog altijd door de mensensmokkelaar of haar netwerk wordt gezocht. Toen eiseres haar schuld had afbetaald koos de mensensmokkelaar er namelijk voor om de schuld van eiseres te verhogen met € 15.000. Eiseres meende dat dit gebeurde om misbruik van haar te kunnen maken en is daarom naar Italië gevlucht. Dit maakt alleen nog niet dat de mensensmokkelaar naar eiseres op zoek is. De minister stelt namelijk terecht dat het aannemelijk is dat mensenhandelaren misbruik maken van personen, maar eiseres heeft haar initiële schuld al afbetaald. Daarom wordt niet ingezien in welke mate het nog moeten betalen van extra geld onder het mom van uitbuiting, een reden zou zijn dat eiseres actief wordt gezocht door de mensenhandelaar of haar netwerk.
8.4.
Daarbij komt verder dat, anders dan eiseres stelt, niet is gebleken dat eiseres terugkeert naar Nigeria als alleenstaande vrouw omdat zij daar geen ondersteuning van haar familie zou hebben. De rechtbank is hierboven tot het oordeel gekomen dat de minister de dood van [persoon A] en de daaruit volgende problemen niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Onderdeel van die beoordeling was de stelling van eiseres dat zij door de dood van [persoon A] problemen met haar familie heeft gehad. Nu de rechtbank de minister volgt in het standpunt dat de dood van [persoon A] niet geloofwaardig is, zodat ook de problemen met de familie van eiseres door de dood van [persoon A] niet worden gevolgd, is zodoende ook niet gebleken dat eiseres bij terugkeer naar Nigeria daar zal moeten verblijven zonder familienetwerk.
8.5.
In de risicoanalyse weegt als risico-beïnvloedende factor ook mee dat eiseres in Nederland aangifte heeft gedaan tegen de mensensmokkelaar. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dit ten onrechte niet in de besluitvorming betrokken zodat het besluit een motiveringsgebrek kent. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister geen nieuw besluit hoeft te nemen omdat de motivering die ter zitting alsnog door de minister is gegeven, door de rechtbank wordt gevolgd. Ter zitting heeft de minister zich namelijk terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat de mensensmokkelaar op de hoogte is van de in Nederland gedane aangifte. De zaak is kort na de gedane aangifte geseponeerd, zodat er geen onderzoek heeft plaatsgevonden. Het feit dat eiseres aangifte heeft gedaan wordt door de minister daarom terecht niet als een risico verhogende factor aangemerkt.
8.6.
De rechtbank concludeert dat de minister een deugdelijke risicoanalyse heeft verricht die is toegespitst op de persoon van eiseres en haar persoonlijke ervaringen met mensensmokkel. Daarbij heeft de minister gedegen gekeken naar het risico op represailles dat eiseres zou kunnen lopen bij terugkeer naar Nigeria en is terecht geconcludeerd dat zij bij terugkeer geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Hoewel het klopt dat uit het Algemeen Ambtsbericht Nigeria 2023 en het Country Guidance rapport volgt dat slachtoffers van mensenhandel een risico op represailles lopen, doet dat geen afbreuk aan het bovenstaande omdat de risico’s voor eiseres persoonlijk zijn afgewogen in de gemaakte risicoanalyse. De rechtbank gaat dan ook niet verder, inhoudelijk, in op de verwijzingen naar passages uit deze rapporten.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op het onder 8.5. geconstateerde motiveringsgebrek is het beroep gegrond. Omdat deze motivering in beroep, tijdens de zitting, is aangevuld zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten. Dat betekent dat eiseres weliswaar (gedeeltelijk) gelijk krijgt, maar dat de afwijzing van haar aanvraag om een verblijfsvergunning asiel in stand blijft.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten door eiseres gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
2.Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
3.Pagina 16 van het nader gehoor.
4.Pagina 30 van het nader gehoor.
5.ABRvS 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1996.
6.Dit volgt uit het derde lid van artikel 11 van Pro de Verordening (EU) 2021/2303.