Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15618

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
C/09/675651 / FA RK 24-8155
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253q BWArt. 1:253r BWArt. 1:377a BWArt. 1:377e BWArt. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoeken gezag, omgang en voorlopige voorzieningen in complexe ouderschapszaak

De rechtbank Den Haag behandelde een complexe familierechtzaak tussen de vader en moeder van twee minderjarige kinderen met dubbele nationaliteit. De vader verzocht primair om eenhoofdig gezag en diverse nevenvoorzieningen, terwijl de moeder verzocht om herstel van gezamenlijk gezag en wijziging van omgangsregelingen.

De rechtbank constateerde dat de kwestie van het gezag momenteel in cassatie bij de Hoge Raad ligt, waardoor zij niet vooruit kan lopen op een beslissing over het eenhoofdig gezag. Het subsidiaire verzoek tot schorsing van het gezag van de moeder werd eveneens afgewezen wegens het ontbreken van een situatie waarin gezamenlijk gezag onmogelijk is.

De rechtbank oordeelde dat er geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden is die een aanpassing van de omgangsregeling rechtvaardigt, ondanks de verslechterde onderlinge verhoudingen. Verzoeken tot wijziging van hoofdverblijfplaats, paspoorten, vakanties en dwangsommen werden afgewezen wegens gebrek aan belang of onvoldoende onderbouwing.

Ook het verzoek tot opheffing of gelijkstelling van dwangsommen werd afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het verzoek tot voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen wegens gebrek aan belang, aangezien de bodemprocedure hierover reeds beslist.

De beschikking werd uitgesproken door kinderrechter C.G. Meeder op 11 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst alle verzoeken af en bepaalt dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer
Rekestnummers: FA RK 24-8155 (bodemprocedure)
FA RK 26-3415 (voorlopige voorzieningen)
Zaaknummers: C/09/675651 (bodemprocedure)
C/09/702852 (voorlopige voorzieningen)
Datum beschikking: 11 mei 2026

Gezagsuitoefening en voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv Pro

Beschikkingop het op 8 november 2024 ingekomen verzoek in de bodemprocedure van:

[de vader]

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Groenleer te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. van Toorn te Rotterdam.
en
Beschikkingop het op 7 april 2026 ingekomen verzoek in de voorlopige voorzieningen van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. van Toorn te Rotterdam,
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Groenleer te ’s-Gravenhage.

Procedure

Zaak C/09/675651 (bodemprocedure)
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:
- het op 8 november 2024 ingekomen verzoekschrift, met bijlagen, namens de vader;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van 18 december 2024, met bijlagen,
namens de moeder;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek van 21 januari 2025, met bijlagen, tevens houdende wijziging en vermeerdering van de verzoeken namens de vader;
- het aanvullend verweer tegen het zelfstandig verzoek van 10 maart 2026, met
bijlagen tevens houdende aanvulling en vermeerdering van de verzoeken namens de
vader;
- de brief van 11 maart 2026, met bijlage, namens de moeder;
- het verweer tegen de nieuwe verzoeken van 4 april 2026, met bijlagen, tevens
houdende nieuwe verzoeken, namens de moeder;
- het verweer tegen de zelfstandige verzoeken van 9 april 2026, met bijlagen, namens
de vader.

Verzoek en verweer

Het gewijzigde verzoekschrift van de vader strekt, voor zover mogelijk met uitvoerbaar bij voorraad verklaring, tot:
1. te bepalen dat
primairalleen aan de vader het gezag over de kinderen zal toekomen
(voor het geval dat de Hoge Raad de beslissing van het hof om de vader het eenhoofdig gezag toe te wijzen zou casseren);
Subsidiairde moeder op grond van artikel 1:253q lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) samen met artikel 1:253r BW in haar gezag te schorsen voor zover dit gezag zou herleven na de uitspraak van de Hoge Raad in de cassatieprocedure;
2 te bepalen dat de kinderen de hoofdverblijfplaats alsmede hun BRP-adres bij de
vader zullen hebben (voor het geval dat de Hoge Raad de beslissing van het hof om
de vader het eenhoofdig gezag toe te wijzen zou casseren);
3 aan de vader vervangende toestemming te geven om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun zwem-
ABC te laten halen (voor het geval dat de Hoge Raad de beslissing van het hof om
de vader het eenhoofdig gezag toe te wijzen zou casseren), en de moeder te
verplichten om [minderjarige 2] naar haar zwemles te brengen, behoudens ziekte aan te tonen
middels een doktersverklaring, op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 250,-- per keer dat zij dit nalaat;
4 te bepalen dat over zaken als jaarlijkse kinderfeestjes voor klasgenootjes overleg
tussen partijen gevoerd dient te worden met als uitgangspunt dat, bij gebrek aan
andere afspraken tussen partijen, deze bij toerbeurt georganiseerd zullen worden;
5 de moeder te verplichten, wanneer zij de Nederlandse paspoorten van [minderjarige 1] en
[minderjarige 2] leent, deze paspoorten binnen een week na terugkomst van de kinderen in
Nederland (of eerder indien de vader schriftelijk aan de vrouw aangeeft de
paspoorten eerder dan deze termijn van een week nodig te hebben) aan de vader
terug te geven dan wel bij de woning van de vader in zijn brievenbus te doen, op
straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat de moeder deze
termijn niet nakomt tot een maximum van € 10.000,-;
6 te bepalen dat de moeder binnen 5 dagen na de beschikkingsdatum de Spaanse én
Engelse kinderpaspoorten aan de vader dient af te geven en dat de vader deze
kinderpaspoorten zal beheren, met de verplichting voor de moeder om - indien zij
deze paspoorten van de vader leent - deze na terugkomst in Nederland bij
overdracht van de kinderen direct aan de vader terug te geven op straffe van
verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per dag dat de moeder zich hier
niet aan houdt tot een maximum van € 10.000,--;
7 te bepalen dat de moeder geen nieuwe identificatiedocumenten voor de kinderen
mag aanvragen zonder (schriftelijke) toestemming van de vader, op straffe van
verbeurte van een boete van € 10.000,-- per paspoort per keer;
8 de moeder te verplichten mee te werken aan de overdracht van de kinderen die bij
toerbeurt bij de woning van de vader en de woning van de moeder kan plaatsvinden
waarbij de ouder waar de kinderen voor de overdracht verblijven de kinderen naar
de woning van de andere ouder brengt, met daarbij de aanvullende verplichting
voor de moeder om geen derden bij de overdracht van de kinderen te betrekken, al
het voorgaande op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per
overdracht tot een maximum van € 25.000,--;
9 een omgangsregeling vast te stellen waarbij de kinderen per 14 dagen een weekend
van vrijdag 19 uur tot zondag 19 uur bij de moeder en voor het overige bij de vader
verblijven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag met
een maximum van €25.000,-- voor elke dag (een dagdeel inbegrepen) dat de
moeder geen uitvoering geeft aan deze omgangsregeling;
10 een zomervakantieregeling vast te stellen waarbij de kinderen eerst 3 weken bij de
vader gevolgd door 3 weken bij de moeder verblijven, waarbij de vader de
kinderen na 3 weken in het midden van de zomervakantie naar de moeder zal
brengen en de moeder de kinderen 3 weken later op zondag om 19 uur weer terug
naar de vader zal brengen;
11 ter zake de korte vakanties te bepalen dat partijen de huidige 50/50 verdeling zullen
handhaven, waarbij voor de korte vakanties bij de moeder (zijnde de
voorjaarsvakantie in oneven jaren, meivakantie in even jaren de tweede week, in
oneven jaren de eerste week, herfstvakantie in even jaren) geldt dat deze
aanvangen op vrijdag om 19 uur wanneer de vader de kinderen naar de moeder zal
brengen en eindigen op zondag om 19 uur wanneer de moeder de kinderen weer
terug naar de vader zal brengen; en dat de kinderen bij de vader zullen verblijven in
de voorjaarsvakantie (in even jaren), meivakantie (in oneven jaren tweede week, in
even jaren eerste week), en herfstvakantie (in oneven jaren);
12 ten laste van de moeder een kinderalimentatie vast te stellen van € 450,- per maand
(in het geval de omgangsregeling conform voorgaand verzoek wordt gewijzigd);
13 de moeder te veroordelen in de proceskosten.
De moeder voert verweer. Zij concludeert ertoe de vader niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de verzoeken van de vader af te wijzen.
Tevens verzoekt de moeder thans zelfstandig, voor zover mogelijk met uitvoerbaar bij voorraad verklaring en bij veroordeling van de vader in de kosten van dit geding;
a. het gezag van de moeder te herstellen en te bepalen dat partijen het gezamenlijk gezag over de kinderen zullen uitoefenen;
de dwangsom zoals opgelegd door het gerechtshof bij arrest van 21 februari 2025 op te heffen dan wel een zorgregeling te bepalen welke gelijk is aan de huidige regeling waarbij de kinderen de ene week bij de ene ouder en de andere week bij de andere ouder zullen zijn met als wisselmoment maandagochtend om 9 uur en daarbij te bepalen dan geen van ouders óf beide ouders een dwangsom verbeuren wanneer zij deze regeling niet nakomen;
een zomervakantieregeling te bepalen waarbij de kinderen in de zomer in de oneven jaren de eerste drie weken bij de moeder zullen zijn en de laatste drie weken bij de vader en waarbij de kinderen in de even jaren de eerste drie weken van de zomervakantie bij de vader zullen zijn en de laatste drie weken bij de moeder;
te bepalen dat de zomervakantieperiode aanvangt op vrijdagmiddag na school en eindigt op de eerste schooldag om 9:00 uur na de vakantie en tevens te bepalen dat het wisselmoment tijdens de zomervakantie op zaterdag om 17 uur zal zijn:
te bepalen dat de kortere vakanties aanvangen op vrijdagmiddag na school en eindigen op de eerste schooldag na de vakantie op maandagochtend 9:00 uur en tevens te bepalen dat het wisselmoment in de vakanties die langer dan een week zijn op zaterdagmiddag om 17 uur zal zijn:
de moeder vervangende toestemming te verlenen tot het aanvragen van Nederlandse ID bewijzen voor de kinderen en te bepalen dat de moeder deze zal beheren;
te bevestigen of opnieuw te bepalen dat de moeder de Engelse en Spaanse paspoorten van de kinderen beheert en dat wanneer de vader deze nodig heeft om met de kinderen te reizen hij de paspoorten na terugkeer in Nederland binnen een week aan de moeder retourneert door deze in haar brievenbus achter te laten;
de moeder vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 2] in te schrijven voor balletles.
Zaak C/09/702852 (voorlopige voorzieningen)
De rechtbank heeft in de voorlopige voorzieningenprocedure kennis genomen van het verzoekschrift.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening ex artikel 223 van Pro de Wet Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) –voor zover mogelijk met uitvoerbaar bij voorraad verklaring–:
  • de moeder voorlopig te herstellen in haar ouderlijk gezag;
  • de dwangsomregeling verbonden aan de zorgregeling zoals bepaald door het gerechtshof Den Haag bij arrest van 21 februari 2025 voorlopig op te schorten.
De vader voert verweer, welk verweer hierna –voor zover nodig– zal worden besproken.
Zaken C/09/675651 (bodemprocedure) en C/09/702852 (voorlopige voorzieningen)
Op 15 april 2026 zijn de verzoeken in de bodemprocedure en het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen gevoegd op de zitting van deze rechtbank behandeld.
Hierbij zijn verschenen:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en tolk J.P. Stoop;
- [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Namens de vader is een pleitnotitie en een (subsidiair) verzoek om de moeder te schorsen in haar gezag overgelegd. Namens de moeder en van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.
De minderjarige [minderjarige 1] heeft zich op 13 april 2026 in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Feiten en procesverloop

- De vader en de moeder zijn gehuwd op [dag] 2016 te [plaats] , Spanje.
- Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1] ,
[geboorteland] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te
[geboorteplaats 2] .
- De vader heeft de Nederlandse nationaliteit en de moeder heeft de Spaanse nationaliteit. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in elk geval beiden de Nederlandse en Spaanse nationaliteit.
- Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen bij deze rechtbank op 22 april 2022 (zaaknummer C/09/ 628719 en FA RK 22-2721), heeft de moeder de rechtbank verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en bij wijze van nevenvoorziening te bepalen dat voortaan alleen haar het ouderlijk gezag over de kinderen zal toekomen.
- De vader heeft een verweerschrift ingediend en zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken en eveneens een aantal nevenvoorzieningen te treffen.
- De rechtbank heeft de zaak op 23 mei 2022 mondeling behandeld. De behandeling van de zaak is aangehouden in verband met een verzoek van de moeder tot wraking van de rechtbank. De wrakingskamer van de rechtbank heeft op 26 juni 2023 het
wrakingsverzoek van de moeder afgewezen en bepaald dat het proces in de hoofdzaak zal worden voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.
- De behandeling van de zaak is op 2 oktober 2023 voortgezet.
- Bij beschikking van 7 november 2023 heeft deze rechtbank – voor zover hier
relevant –:
 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
 de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder bepaald,
 een co-ouderschapsregeling (‘week-op-week-af-regeling’) tussen de ouders en de kinderen vastgesteld, waarbij het wisselmoment zal zijn op maandag, voor [minderjarige 1] op school en voor [minderjarige 2] (althans totdat zij naar de basisschool gaat) op het kinderdagverblijf en indien er geen school is op maandag 9.00 uur;
 een vakantie- en feestdagenregeling vastgesteld:
o de korte schoolvakanties zijn als volgt verdeeld:
- de voorjaarsvakantie in de even jaren verblijven de kinderen bij de vader en de oneven jaren bij de moeder;
- de meivakantie in de even jaren de eerste week verblijven de kinderen bij de vader en de tweede week bij de moeder en in de oneven jaren vice versa;
- de herfstvakantie in de even jaren verblijven de kinderen bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader;
o de zomervakantie als volgt wordt verdeeld:
de kinderen zijn tijdens de even jaren de eerste twee weken bij de vader, de volgende twee weken bij de moeder en vervolgens één week bij de vader en één week bij de moeder, en in de oneven jaren vice versa;
 het verzoek van de moeder om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen afgewezen;
 de beschikking – met uitzondering van de beslissing tot echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
- Deze echtscheidingsbeschikking is op 2 januari 2024 ingeschreven in de registers
van de burgerlijke stand.
- De vader is op 19 januari 2024 van de beschikking van de rechtbank in hoger
beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag (het hof) (zaaknummers
200.337.050/01 en 200.337.051/0). De vader heeft verzocht, kort weergegeven,
de beschikking te vernietigen en, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
een andere vakantieregeling voor wat betreft de kerstvakantie vast te stellen, het
inleidend verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen
om met de kinderen naar Spanje te reizen (alsnog) af te wijzen en een verzoek met
betrekking tot de kinderalimentatie gedaan.
- De moeder heeft een verweerschrift tevens inhoudend incidenteel appel ingediend.
In principaal hoger beroep heeft zij verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren
in zijn verzoeken, althans deze verzoeken af te wijzen. In incidenteel hoger beroep
heeft zij, kort weergegeven, verzocht de beschikking van de rechtbank te
vernietigen voor zover daarin haar verzoek om haar alleen te belasten met het
gezag over de kinderen is afgewezen en opnieuw beschikkende de moeder (alsnog)
te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen.
- Bij verweerschrift in incidenteel hoger beroep, tevens houdende nieuwe grieven,
aanpassing van grieven en nieuwe verzoeken, heeft de vader verzocht de verzoeken
van de moeder in incidenteel hoger beroep af te wijzen en een aantal nieuwe
verzoeken gedaan en verzoeken vermeerderd. In cassatie is daarbij met name van
belang dat hij heeft verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen voor
zover daarbij het gezamenlijk gezag van de ouders in stand is gelaten en, voor
zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat voortaan alleen aan de
vader het gezag over de kinderen zal toekomen.
- De moeder heeft op 23 juli 2024 schriftelijk bezwaar gemaakt tegen de nieuwe
verzoeken, tevens vermeerdering en/of verandering van de verzoeken van de vader
en het hof verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren in deze verzoeken.
Specifiek ten aanzien van het nieuwe verzoek van de vader om eenhoofdig gezag
verzoekt de moeder het hof in een (tussen)beslissing een standpunt in te nemen
over dit verzoek van de vader, opdat de moeder zich tijdig kan verweren, mocht het
hof beslissen dit verzoek toe te laten.
- De vader heeft op 7 november 2024 onderhavig verzoekschrift strekkende tot
onder meer toekenning van het eenhoofdig gezag over de kinderen aan hem
ingediend bij de rechtbank.
- Bij e-mailbericht van 7 januari 2025 heeft het hof partijen laten weten dat het hof
ter zitting op de bezwaren van de moeder zal beslissen.
- Bij vonnis van 7 februari 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank
(zaaknummer C/09/678790 / KG ZA 25-44):
in conventie
 de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 2] met de vader opgeschort, totdat
Veilig Thuis heeft aangegeven dat [minderjarige 2] veilig naar de vader toe kan, al dan niet met te maken veiligheidsafspraken:
 de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] met de vader opgeschort totdat het studioverhoor bij de politie heeft plaatsgevonden;
 het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
 het meer of anders gevorderde afgewezen.
in reconventie
 de moeder veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] vanaf het moment dat het studioverhoor bij de politie heeft plaatsgevonden;
 de moeder gelast om de kinderen vanaf maandag 10 februari 2025 naar school te brengen, behoudens ziekte aan te tonen middels een doktersverklaring, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-
per dag, een dagdeel daaronder begrepen, met een maximum van
€ 25.000,-;
 het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
 het meer of anders gevorderde afgewezen.
- De mondelinge behandeling bij het hof van het turbospoedappel (zaaknummer
200.351.095/01) en de zaken met zaaknummers 200.337.050/01 en 200.337.051/0
heeft op 21 februari 2025 gevoegd plaatsgevonden.
  • Het hof heeft op 21 februari 2025 mondeling uitspraak gedaan in het
  • turbospoedappel (zaaknummer 200,351.095/01) dat zich richtte tegen voormelde
uitspraak van 7 februari 2025 van de voorzieningenrechter.
Het hof heeft:
 het bestreden vonnis van 7 februari 2025 met betrekking tot punt 5.1. tot en
met 5.6. vernietigd en, in zoverre opnieuw rechtdoende, veroordeeld de moeder om uitvoering te geven aan de zorgregeling die bij beschikking van
7 november 2023 door de rechtbank is vastgesteld, en indien de moeder geen uitvoering geeft aan deze zorgregeling dan verbeurt zij een boete van € 500,- per dag met een maximum van € 75.000;
 afgewezen hetgeen meer of anders is gevorderd;
 het arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
 het bestreden vonnis van 7 februari 2025 voor het overige bekrachtigd.
- Bij beschikking van 16 april 2025 heeft het hof de beschikking van deze rechtbank
van 7 november 2023 gedeeltelijk vernietigd (voor wat betreft de daarbij
vastgestelde hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder, de verdeling van de
kerstvakantie, de vanaf heden te betalen kinderalimentatie) en opnieuw
beschikkende bepaald dat:
 de vader voortaan alleen belast is met het gezag over de kinderen;
 de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van de datum van deze beschikking op nihil wordt gesteld;
 de beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
- De moeder heeft tegen de beschikking van het hof op 15 juli 2025 beroep in
cassatie ingesteld.
- De vader heeft op 8 september 2025 een verweerschrift ingediend waarin hij
verzoekt het cassatieberoep te verwerpen.
- Op 6 maart 2026 heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag
van 16 april 2025 en tot verwijzing.
Beoordeling
Zaak C/09/675651 (bodemprocedure)
Gezag
De vader verzoekt, voor het geval de Hoge Raad de beslissing van het hof om de vader met het eenhoofdig gezag toe te wijzen zou casseren, primair hem met het eenhoofdig gezag over de kinderen te belasten. Op de zitting heeft de vader dit verzoek aangevuld met een subsidiair verzoek. Daarin verzoekt de vader om de moeder op grond van artikel 1:253q lid 1 BW samen met artikel 1:253r BW in haar gezag te schorsen voor zover dit gezag zou herleven na de uitspraak van de Hoge Raad in de cassatieprocedure. Ter onderbouwing van deze aanvulling stelt de vader dat de moeder wordt geacht in de onmogelijkheid te verkeren om samen met hem het gezag uit te oefenen.
De moeder voert gemotiveerd verweer. Allereerst maakt zij bezwaar tegen de indiening van het subsidiaire verzoek. Zij verzoekt dit verzoek buiten beschouwing te laten, omdat het te laat is gedaan. Daarnaast verzoekt de moeder zelfstandig om haar gezag te herstellen en te bepalen dat de ouders gezamenlijk het gezag over de kinderen uitoefenen.
De rechtbank constateert dat de vader in de eerste plaats een voorwaardelijk verzoek heeft gedaan voor het geval de Hoge Raad de beslissing van het hof om de vader met het eenhoofdig gezag toe te wijzen zou casseren. De rechtbank acht dit voorwaardelijk verzoek in strijd met de goede procesorde. Zoals blijkt uit de hiervoor weergegeven procesfeiten, is het nu aan de Hoge Raad om een beslissing te nemen over het gezag en is dit niet aan de rechtbank. De Hoge Raad en mogelijk bij terug verwijzing het hof zijn immers de hogere instanties die over dezelfde kwestie beslissen. In het geval dat de Hoge Raad zal casseren, hebben partijen de gelegenheid om zich (opnieuw) uit te laten over het verzoek. Het is op dit moment niet bekend wat de Hoge Raad zal gaan beslissen. De rechtbank zal gelet op de procesorde hierop niet vooruitlopen. De beslissing van de rechtbank gaat dan ook uit van de situatie zoals die thans is. Omdat de vader nu belast is met het eenhoofdig gezag over de kinderen, zal de rechtbank het verzoek van de vader nu afwijzen bij gebrek aan actueel belang.
Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de vader heeft de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling beslist dat dit verzoek als vermindering toelaatbaar is. De grondslag van het subsidiaire verzoek is echter niet van toepassing op deze situatie. Naar het oordeel van de rechtbank kan de situatie van partijen niet worden gekwalificeerd als een situatie waarin de ouders in de onmogelijkheid verkeren om samen het gezag uit te oefenen zoals bedoeld in artikel 1:253q lid 1 BW samen met artikel 1:253r BW. Gelet hierop zal de rechtbank, zoals ter zitting aangegeven, ook dit verzoek afwijzen. Daarbij geldt overigens ook het hierboven gestelde: op dit moment is de vader belast met het eenhoofdig gezag, zodat belang bij een schorsing van gezag van de moeder ontbreekt.
De rechtbank ziet verder geen aanleiding om het gezag van de moeder te herstellen. Zoals hiervoor overwogen is het nu aan de hogere instanties om te beslissen. Daarbij wordt nog opgemerkt dat de rechtbank ook niet de stelling van de moeder volgt dat aan de uitspraak van het hof zodanige gebreken kleven dat hieraan het gevolg zou moeten worden verbonden dat de moeder daaraan verbonden wenst te zien.
Overige verzoeken
Het voorgaande betekent dat de rechtbank ook de (voorwaardelijke) verzoeken tot hoofdverblijfplaats, inschrijving BRP-adres, vervangende toestemming voor zwemles en balletles, kinderfeestjes, paspoorten, aanvraag id-kaarten en de aan deze verzoeken verbonden dwangsommen bij gebrek aan belang zal afwijzen, omdat de vader op dit moment met het eenhoofdig gezag over de kinderen is belast.
Wijziging omgangsregeling
Op dit moment loopt de week-op-week-af-regeling, waarbij het wisselmoment op maandag op school voor de kinderen is en indien er geen school is op maandag 9.00 uur, zoals is vastgesteld in de beschikking van deze rechtbank van 7 november 2023 en is hervat na het vonnis in kort geding van het gerechtshof Den Haag van 21 februari 2025. Tevens heeft het gerechtshof hieraan een dwangsom verbonden. Indien de moeder geen uitvoering geeft aan deze zorgregeling dan verbeurt zij een boete van € 500,- per dag met een maximum van
€ 75.000.
De vader stelt dat deze regeling niet langer in het belang van de kinderen is. Volgens de vader forceert de moeder bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een heftig loyaliteitsconflict en dwingt zij de kinderen in twee volstrekt gespleten werelden met voortdurende strijd te leven. De moeder weigert iedere vorm van samenwerking en communicatie met de vader. Hierdoor lopen de kinderen ernstige schade en veel stress op. De kinderen hebben nu behoefte aan rust, routine en structuur. Het uitvoeren van een co-ouderschapsregeling is dan ook niet langer mogelijk, aldus de vader.
De vader verzoekt nu een weekendregeling van één maal per veertien dagen van vrijdag 19 uur tot zondag 19 uur met daaraan verbonden een dwangsom, waarbij het schoolgaande leven van de kinderen los wordt gekoppeld van het verblijf bij de moeder. De kinderen hebben dan het verblijf bij de vader als stabiele basis voor het schoolgaande leven van de jonge kinderen. De vader stelt dat hij flexibele werktijden heeft en zelfs minder zou kunnen gaan werken om de wekelijkse zorg voor de kinderen te dragen. De vader doet ook een verzoek ten aanzien van de overdracht van de kinderen en de vakanties.
De moeder verweert zich tegen het verzoek van de vader. De moeder stelt dat juist de huidige regeling rust en stabiliteit voor de kinderen brengt. Een beperking van het contact met de moeder brengt volgens de moeder een reëel risico met zich mee op stress en ontregeling bij de kinderen, wat niet in hun belang is.
Verder stelt de moeder dat geen sprake is van een rechtens relevante wijziging. Daarnaast betwist de moeder het verwijt van de vader dat zij de kinderen in het midden van een conflict plaatst en hen dwingt in parallelle werelden te leven. De moeder doet zelfstandige verzoeken ten aanzien van de overdracht en de vakanties.
De rechtbank kan op verzoek van de ouders of één van hen op grond van artikel 1:377a, tweede lid, BW samen met artikel 1:377e BW een beslissing over de omgang wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De rechtbank begrijpt dat sinds de beschikking van deze rechtbank van 7 november 2023 de verstandhouding tussen de ouders is verslechterd. Daarom is sprake van een wijziging van omstandigheden. Dat betekent dat de vader en de moeder kunnen worden ontvangen in hun verzoeken.
De rechtbank stelt bij de inhoudelijke beoordeling van het verzoek voorop dat voor een wijziging van de regeling sprake moet zijn van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die een wijziging van de omgangsregeling zoals vastgesteld in de beschikking van deze rechtbank van 7 november 2023 en bekrachtigd door het hof van 16 april 2025, rechtvaardigt. Immers, bij de eerdere beslissingen van de rechtbank en het hof is de slechte onderlinge verhouding tussen de ouders al meegenomen. De verdere verslechtering is te betreuren, maar rechtens niet relevant. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij er niet van overtuigd is dat een wijziging in de omgangsregeling een vermindering van de schade voor de kinderen zou kunnen betekenen, gelet op de structureel conflictueuze situatie van de ouders. De rechtbank wijst de desbetreffende verzoeken van de vader en de moeder dan ook af. Dit betekent dat de huidige omgangsregeling blijft gehandhaafd.
Dwangsommen verbonden aan de omgangsregeling
De moeder verzoekt te bepalen dat de aan de zorgregeling gekoppelde dwangsom wordt opgeheven, althans te bepalen dat een gelijkluidende dwangsom zal gelden voor beide
partijen, zodat ook de man een dwangsom van € 250,-- verbeurt bij niet-naleving van de
omgangsregeling.
Ter onderbouwing van dit verzoek stelt de moeder dat zij de omgangsregeling –met uitzondering van de periode in januari 2025 nadat zij aangifte had gedaan– steeds heeft nageleefd. De moeder stelt dat het voortduren van een eenzijdig opgelegde dwangsom niet bevorderlijk is voor de onderlinge verhoudingen tussen partijen en niet bijdraagt aan de-escalatie. Bovendien vindt de moeder het niet redelijk dat deze dwangsom voor onbepaalde tijd blijft gelden, temeer nu deze uitsluitend ten laste van haar werkt en niet geldt voor de vader.
De vader verweert zich hiertegen en voert hiertoe aan dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dat de moeder de gerechtelijke beslissingen naleeft, waarmee volgens de vader het handhaven van de opgelegde dwangsommen evident in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is.
De rechtbank overweegt dat de moeder geen doorslaggevende redenen heeft aangevoerd op grond waarvan de dwangsom nu moet worden opgeheven. Immers, niet onaannemelijk is dat juist de dwangsommen, conform het doel van dwangsommen, tot naleving van de omgangsregeling hebben geleid. De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen.
Het verzoek van de moeder om een gelijkluidende dwangsom aan de vader op te leggen bij niet-naleving van de omgangsregeling wijst de rechtbank af omdat dit verzoek onvoldoende nader is onderbouwd. Ook is niet gemotiveerd of anderszins gebleken dat het noodzakelijk is de vader ter stimulering van het meewerken aan de omgangsregeling een dwangsom op te leggen.
Wijziging kinderalimentatie
Voor zover de omgangsregeling zal wijzigen zoals de vader heeft verzocht, verzoekt de vader ten laste van de moeder een kinderalimentatie vast te stellen van € 450,-- per maand. De moeder heeft zich hiertegen gemotiveerd verweerd.
Omdat de omgangsregeling niet wordt gewijzigd, terwijl deze wijziging een voorwaarde was voor de door de vader verzochte wijziging van de kinderalimentatie, komt de rechtbank niet toe aan het verzoek betreffende de kinderalimentatie. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vader afwijzen.
Proceskostenveroordeling
De vader verzoekt de moeder te veroordeling in de kosten van deze procedure. Hij wordt onnodig op kosten gejaagd door de destructieve houding van de moeder die door het hof is afgestraft maar waarin zij volhardt. Een proceskostenveroordeling is daarom op zijn plaats.
De moeder verweert zich hiertegen en stelt dat, indien sprake zou zijn van misbruik van recht, dit uitsluitend aan de zijde van de vader ligt. Er is geen enkele grond om de moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure. Er is geen sprake van misbruik van recht aan de zijde van de moeder.
De rechtbank overweegt dat in verzoekschriftprocedures tussen voormalige partners terughoudend wordt omgegaan met een proceskostenveroordeling om te voorkomen dat de relatie tussen partijen verder wordt belast. Als hoofdregel geldt dan ook dat de proceskosten worden gecompenseerd, aldus dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. De rechtbank ziet geen aanleiding om van de hoofdregel af te wijken en zal de over en weer gedane verzoeken tot proceskostenveroordeling afwijzen.
Zaak C/09/702852 (voorlopige voorzieningen):
Omdat de rechtbank, zoals hiervoor is gebleken, in de bodemprocedure een beslissing neemt over dezelfde onderwerpen als in de voorlopige voorzieningenprocedure, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.

BeslissingDe rechtbank:

Zaak C/09/675651 (bodemprocedure)
*
wijst af de verzoeken van de vader en van de moeder;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
Zaak C/09/702852 (voorlopige voorzieningen):
*
wijst af het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv Pro.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, kinderrechter, bijgestaan door
mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 mei 2026.