ECLI:NL:RBDHA:2026:15630

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
C/09/702635 / JE RK 26-556
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in pleegzorg

De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een pleeggezin, omdat terugplaatsing bij de moeder momenteel niet mogelijk is. De moeder volgt een recent gestarte behandeling voor haar persoonlijke problematiek, opgelegd na een strafrechtelijke veroordeling wegens kindermishandeling. Hoewel de moeder gemotiveerd is en afspraken nakomt, is er nog onvoldoende probleembesef en zijn er zorgen over haar opvoedvaardigheden.

De moeder voert verweer en benadrukt haar vooruitgang, het verbeterde contact met haar kinderen en haar wens om de verzorging weer op zich te nemen. Zij uit ook zorgen over de veiligheid van de minderjarige in het pleeggezin. De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de minderjarige, omdat de problematiek van de moeder nog niet voldoende is aangepakt voor een duurzame terugplaatsing.

De machtiging wordt verlengd tot 12 augustus 2026, maar de duur wordt bekort tot drie maanden. De behandeling van het verzoek wordt voor het overige aangehouden, met een schriftelijke update van de gecertificeerde instelling voorafgaand aan een nader te bepalen zitting. De beschikking is direct uitvoerbaar en tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 12 augustus 2026 met een bekorting tot drie maanden, waarna evaluatie volgt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/702635 / JE RK 26-556
Datum uitspraak: 11 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. L.E. Buiting uit Gouda.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat en ondersteund door een tolk.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.2.
[minderjarige 1] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
Bij beschikking van 12 november 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van 12 november 2025 tot 12 november 2026. Daarnaast heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 12 november 2025 tot 12 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd.
Een terugplaatsing van [minderjarige 1] bij de moeder is op dit moment niet mogelijk. De moeder is pas net gestart met behandeling voor haar persoonlijke problematiek. Ze volgt behandeling bij de Waag. Deze behandeling is haar opgelegd in het kader van de strafrechtelijke veroordeling wegens kindermishandeling. De hulpverlening zal zich daarom ook richten op het nemen van verantwoordelijkheid voor haar daden. Verder zullen agressie-impuls en emotieregulatie aan bod komen. Op dit moment toont de moeder nog weinig probleembesef, terwijl de gecertificeerde instelling juist met de moeder in gesprek wil over de noodzaak tot een uithuisplaatsing van de kinderen.
Het is positief dat de moeder gemotiveerd is voor de hulpverlening en haar afspraken nakomt.
De moeder heeft één keer in de week anderhalf uur omgang met [minderjarige 1] , onder begeleiding van de gezinscoaches van het Haags Integraal Team (HIT) of de pleegzorgmedewerker van iHub. Uit de observaties van de bezoeken blijkt dat de moeder tijdens de omgangsmomenten enthousiast en positief is richting [minderjarige 1] . Zij volgt doorgaans het tempo en de initiatieven van [minderjarige 1] . Wanneer de moeder zelf emotioneel of gespannen is, wordt wel gezien dat het haar minder lukt om signalen van [minderjarige 1] op te merken en hier direct op aan te sluiten. Dit kan doorwerken in het gedrag van [minderjarige 1] en de mate waarin hij zich gezien voelt door de moeder. Verder valt op dat er steeds meer een taalbarrière ontstaat tussen de moeder en [minderjarige 1] , omdat [minderjarige 1] minder goed de Letse taal begrijpt. De gecertificeerde instelling heeft op 31 maart 2026 een opbouwschema gemaakt om de bezoeken uit te breiden. Dit ziet dan niet alleen op de duur maar ook de mate van begeleiding. Het is daarbij belangrijk om te blijven evalueren of de positieve lijn stabiel blijft.
De gecertificeerde instelling vindt het belangrijk om op een verantwoorde wijze toe te werken naar een eventuele terugplaatsing. Een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing biedt de moeder de benodigde tijd om verder te werken aan de terugplaatsingsvoorwaarden. Hierdoor zal de kans op een succesvolle terugplaatsing toenemen. [minderjarige 1] ontwikkelt zich goed in het pleeggezin. Hij heeft een beschikbare opvoeder, gaat naar school en ziet zijn moeder tijdens de begeleide bezoeken. De komende periode zullen de bezoeken verder uitgebreid worden, zodat er meer zicht komt op de opvoedvaardigheden van de moeder en kan er gekeken worden welke (aanvullende) hulp nodig is om een terugplaatsing te realiseren.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek. Daartoe heeft de moeder aangevoerd dat zij de afgelopen maanden grote stappen heeft gezet om haar leven op te orde te krijgen. Vanwege de strafrechtelijke veroordeling van de moeder is er hulpverlening en verplicht toezicht bij haar betrokken. De moeder volgt behandeling bij de Waag en staat onder toezicht van Fivoor waar in ieder geval periodieke urinecontroles plaatsvinden. Die controles tonen ook aan dat de moeder al maanden geen alcohol heeft gedronken. Het klopt niet dat de moeder geen probleembesef heeft. Zij heeft er namelijk bewust voor gekozen om geen hoger beroep in te stellen tegen de strafrechtelijke veroordeling en beseft dus wat er mis is gegaan in de thuissituatie. Inmiddels is het contact tussen de moeder en haar oudste zoon, [naam 2] , ook al flink verbeterd. Met [minderjarige 1] heeft de moeder ook goed contact, al vindt de moeder wel dat zij [minderjarige 1] te weinig ziet. De moeder wil het liefst dat [minderjarige 1] zo snel mogelijk weer naar haar terugkomt. Zij vindt dat zij in staat is de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] weer zelf te dragen, zeker nu er zoveel hulpverlening bij haar betrokken is. De moeder vindt het daarnaast van belang dat [minderjarige 1] in het nieuwe schooljaar kan starten op een basisschool in de buurt van de moeder. Er is een plek voor hem beschikbaar op een school in de buurt van de moeder, maar zij vreest die plek kwijt te raken als de uithuisplaatsing nog langer voortduurt. Verder vindt de moeder het van belang te benoemen dat zij zorgen heeft over de veiligheid van [minderjarige 1] in het pleeggezin, omdat hij vaak blauwe plekken heeft. Gelet op het bovenstaande verzoekt de moeder primair om het verzoek af te wijzen en subsidiair om het verzoek slechts toe te wijzen voor de duur van drie maanden.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
Daartoe overweegt de kinderrechter dat de zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder nog onvoldoende zijn weggenomen om op dit moment tot een thuisplaatsing van [minderjarige 1] te komen. Het is positief dat de moeder de afgelopen periode hard heeft gewerkt aan haar eigen problematiek. De moeder volgt inmiddels behandeling bij de Waag en staat ook onder controle van Fivoor. De behandeling bij de Waag is echter pas recent gestart, waardoor de problematiek van de moeder nog niet voldoende is aangepakt om van een duurzame gedragsverandering te kunnen spreken. Het is belangrijk dat de moeder inzicht krijgt in haar eigen gedrag en handelen en de invloed hiervan op haar kinderen. Het is noodzakelijk dat de moeder voldoende tijd en ruimte krijgt om aan zichzelf te werken, zodat een thuisplaatsing van [minderjarige 1] ook daadwerkelijk een succes gaat worden.
Dat neemt niet weg dat een machtiging uithuisplaatsing in beginsel een tijdelijke maatregel is en dat concreet gewerkt moet worden aan een thuisplaatsing. Gelet op de positieve ontwikkelingen ziet de kinderrechter aanleiding om de verzochte duur van de machtiging uithuisplaatsing te bekorten tot drie maanden en het verzoek voor het overige aan te houden. Over drie maanden moet blijken of een langere uithuisplaatsing van [minderjarige 1] nog noodzakelijk is. De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk één week voorafgaand aan de nader te plannen zitting een schriftelijke update aan de rechtbank en de moeder en haar advocaat te zenden. In de schriftelijke update moet in ieder geval worden opgenomen wat het standpunt van de gecertificeerde instelling is ten aanzien van het restant van het verzoek. Ook moet er in de schriftelijke update worden opgenomen hoe het met [minderjarige 1] gaat, hoe het met de behandeling van de moeder gaat (met rapportage vanuit de Waag), hoe de omgang tussen de moeder en [minderjarige 1] verloopt en waarom een thuisplaatsing volgens de gecertificeerde instelling op dat moment wel of geen mogelijkheid is. Het staat de gecertificeerde instelling vrij al hetgeen de gecertificeerde instelling nog relevant acht op te nemen in de schriftelijke update.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg tot 12 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting,
gelegen vóór 12 augustus 2026;
6.4.
gelast de griffier tegen voornoemde zitting op te roepen:
  • de gecertificeerde instelling;
  • de moeder;
  • de advocaat van de moeder: mr. L.E. Buiting;
6.5.
verzoekt de gecertificeerde instelling
uiterlijk één weekvoorafgaand aan de voornoemde zitting een schriftelijke update als bedoeld in r.o. 5.2. aan de rechtbank en de moeder en haar advocaat te zenden.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026 door
mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier, en op schrift gesteld op 4 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.