ECLI:NL:RBDHA:2026:15633

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
C/09/702689 / JE RK 26-565 en C/09/702696 / JE RK 26-567
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onder toezichtstelling van vier minderjarige kinderen wegens opvoed- en ontwikkelingszorgen

De rechtbank Den Haag behandelde op 11 mei 2026 een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot ondertoezichtstelling van vier minderjarige kinderen vanwege zorgen over hun ontwikkeling en opvoedsituatie.

De Raad uitte zorgen over spanningen tussen de ouders, emotionele en gedragsproblemen bij de kinderen, en het ontbreken van adequate hulpverlening. De moeder en vader erkenden verbeterde communicatie en waren bereid tot mediation en vrijwillige hulpverlening, maar de Raad en kinderrechter vonden een ondertoezichtstelling noodzakelijk vanwege eerdere mislukte hulptrajecten.

De kinderrechter besloot de kinderen onder toezicht te stellen voor zes maanden, met een aanhouding van het resterende verzoek, en legde nadruk op het monitoren van de situatie en het opstarten van hulpverlening. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en wordt geregistreerd in het gezagsregister.

Uitkomst: De rechtbank stelt vier minderjarige kinderen onder toezicht voor zes maanden en houdt het resterende verzoek aan voor verdere beoordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/702689 / JE RK 26-565 en C/09/702696 / JE RK 26-567
Datum uitspraak: 11 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaken van
de Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
-
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
-
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [geboorteplaats 2],
hierna te noemen: [minderjarige 2],
-
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [geboorteplaats 2],
hierna te noemen: [minderjarige 3],
-
[minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 3] 2026 in [geboorteplaats 2],
hierna te noemen: [minderjarige 4],
hierna tezamen ook te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbende ten aanzien van alle kinderen aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. S.L. Prass te Amsterdam.
De kinderrechter merkt als belanghebbende ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
per briefadres te [woonplaats].
De kinderrechter merkt als informant ten aanzien van alle kinderen aan:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift ten aanzien van [minderjarige 1] met bijlagen, ontvangen op 2 april 2026;
  • het verzoekschrift ten aanzien van [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] met bijlagen, ontvangen op 3 april 2026;
- de verweerschriften van de moeder met bijlagen van 5 mei 2026.
1.2.
De zaken zijn met instemming van alle partijen gezamenlijk behandeld. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] namens de Raad;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader;
  • [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 3].
2.3.
De moeder is belast met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 4].
2.4.
De kinderen wonen bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De Raad maakt zich grote zorgen over de ontwikkeling van de kinderen. De zorgen zijn onder andere gelegen in problematiek bij en tussen de ouders. De kinderen zijn getuige van hoogoplopende spanningen en conflicten tussen de ouders. Daarnaast zijn er zorgen over de emotieregulatie van de moeder, de mate van sensitief en responsief opvoeden, het kunnen bieden van de benodigde basale zorg en het waarborgen van de veiligheid.
Uit het raadsonderzoek zijn er verschillende kindsignalen naar voren gekomen. De school van [minderjarige 1] heeft aangegeven zich veel zorgen om haar te maken. [minderjarige 1] is ze veel op zichzelf en heeft nog weinig aansluiting in de groep. Ook is ze vaak afwezig. Verder is [minderjarige 1] vlak in haar emoties, lacht ze weinig en maakt ze regelmatig een vermoeide indruk. Er is recent getest of het huidige onderwijs passend is voor [minderjarige 1], maar hier is nog geen uitslag van. De Raad vindt het daarnaast zorgelijk dat [minderjarige 1] niet weet dat de vader niet haar biologische vader is.
De Raad kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het voor haar verwarrend en wellicht zelfs pijnlijk moet zijn wanneer de vader de andere kinderen ophaalt voor de omgang en haar niet.
Ook over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn er zorgen. [minderjarige 2] heeft een vertraagde taal- en spraakontwikkeling. Hij is hiervoor naar een KNO-arts geweest. Hij is nog niet doorverwezen naar [instantie] omdat de moeder daar nog niet voor open stond en zij eerst het effect van logopedie en deelname aan de peuterspeelzaal wilde afwachten. De logopedie is nog niet gestart. [minderjarige 2] gooit op de peuterspeelzaal regelmatig met speelgoed of slaat andere kinderen. Hij heeft behoefte aan duidelijke grenzen, structuur en voorspelbaarheid. [minderjarige 3] is op de peuterspeelzaal de laatste tijd wat gevoeliger en huilt sneller dan voorheen. Ook worden [minderjarige 2] en [minderjarige 3] regelmatig later gebracht en opgehaald of ze zijn in het geheel afwezig.
Ten tijde van het raadsonderzoek was [minderjarige 4] nog niet geboren. Ten aanzien van [minderjarige 4] zijn er geen specifieke zorgen, behalve het feit dat het onduidelijk is of de vader [minderjarige 4] gaat erkennen of niet. De vader is er de ene keer wel van overtuigd dat hij de vader is en de andere keer niet. [minderjarige 4] is gelet op haar leeftijd volledig afhankelijk van haar opvoeders en gelet op de zorgen die er zijn over de andere kinderen vindt de Raad het belangrijk dat er ook toezicht wordt gehouden op haar.
De Raad heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de hulpverlening in vrijwillig kader wordt ingezet, omdat hulpverleningstrajecten in het verleden niet of onvoldoende van de grond zijn gekomen. De Raad verzoekt daarom een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar.
De ouders hebben op zitting aangegeven dat de communicatie tussen hen inmiddels beter verloopt, zij op korte termijn zullen starten met mediation en de omgangsregeling ook wordt nageleefd. Aangezien deze positieve ontwikkeling pas pril is en het echt noodzakelijk is dat er snel hulpverlening ingezet gaat worden, kan de Raad het zich voorstellen dat het verzoek eerst voor zes maanden wordt toegewezen en voor het overige wordt aangehouden. Op die manier kunnen de ouders laten zien dat zij mee willen werken aan de hulpverlening.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek. Daartoe heeft de moeder aangevoerd dat niet aan de gronden van een ondertoezichtstelling wordt voldaan. Een ondertoezichtstelling is een ingrijpende maatregel, die slechts mag worden toegepast als dit noodzakelijk is en als niet volstaan kan worden met minder ingrijpende middelen. Volgens de moeder is daar op dit moment geen sprake van. De moeder staat juist open voor hulpverlening en wil hier graag aan meewerken. Sterker nog, zij vraagt al jaren om hulp maar dit is onder meer door de geldende wachtlijsten niet van de grond gekomen. Dat is echter niet aan de moeder te wijten. De moeder wil graag een kans om te laten zien dat zij meewerkt aan de hulpverlening. Daarbij wil de moeder wel opmerken dat zij zich niet (meer) herkent in alle door de Raad genoemde zorgen. De Raad heeft veel onjuiste aannames gedaan, terwijl nooit goed is onderzocht hoe het er daadwerkelijk aan toe gaat in de thuissituatie bij de moeder. De moeder erkent wel dat er spanningen zijn geweest tussen de moeder en de vader. Sinds de bevalling van [minderjarige 4] verloopt de communicatie tussen de moeder en de vader echter veel beter, waardoor er meer rust is in het gezin. Ook verloopt de omgang tussen de vader en [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] al een aantal weken volgens de vastgestelde regeling. Dat neemt niet weg dat de moeder inziet dat het belangrijk is om te werken aan de onderlinge communicatie met de vader. Positief is dat ouders op korte termijn – eind mei / begin juni – kunnen starten met mediation. Beide ouders hebben daar mee ingestemd. Het doel van de mediation is te komen tot een ouderschapsplan, zodat er duidelijke afspraken zijn tussen de ouders. Verder krijgt de moeder ook nog wekelijks ondersteuning vanuit de WMO. Ter zitting heeft de moeder zelf aangegeven dat zij [minderjarige 1] drie weken geleden heeft verteld dat de vader niet haar biologische vader is. De moeder ziet niet in wat de gecertificeerde instelling voor toegevoegde waarde kan zijn, omdat de moeder zelf haar weg weet te vinden richting de hulpverlening. Ook de gecertificeerde instelling zal te maken hebben met wachtlijsten. Gelet op het bovenstaande is een ondertoezichtstelling op dit moment niet noodzakelijk. De moeder verzoekt om een kans om te laten zien dat de ouders het zelf kunnen. Daarom verzoekt de moeder het verzoek in zijn geheel aan te houden, zodat de ouders kunnen laten zien dat gedwongen hulpverlening niet nodig is. Mocht blijken dat de hulpverlening toch niet voldoende van de grond komt, dan kan het verzoek op dat moment altijd nog worden toegewezen.
4.2.
De vader sluit zich aan bij hetgeen de moeder en haar advocaat naar voren hebben gebracht. Hij benadrukt dat de communicatie tussen de vader en de moeder veel beter verloopt. Zijn eigen vader heeft voor zowel de vader als de moeder een bemiddelende rol vervuld, waardoor beide ouders beseffen dat zij hun problemen samen moet oplossen in het belang van de kinderen. Ook de omgangsregeling is inmiddels weer opgestart. Wat de vader betreft zou ook [minderjarige 1] kunnen aansluiten bij de omgangsmomenten, maar dat is niet altijd mogelijk vanwege haar schoolgang. De vader heeft verder naar voren gebracht dat hij [minderjarige 4] gaat erkennen. Net als de moeder vindt de vader het belangrijk dat er eerst vrijwillige hulpverlening wordt ingezet.
4.3.
De gecertificeerde instelling heeft naar voren gebracht dat er op korte termijn – de eerste of tweede week van juni – een vaste jeugdbeschermer beschikbaar zou zijn voor het gezin.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1]
5.2.
Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt.
Er zijn al langere tijd zorgen over de ontwikkeling en opvoedsituatie van de kinderen. De zorgen bestaan onder meer uit de onderlinge relatie tussen de moeder en de vader, die gekenmerkt wordt door spanningen en conflicten. De kinderen zijn getuige (geweest) van die strijd, waarbij conflicten ook dusdanig hoog zijn opgelopen dat de politie betrokken is geraakt.
De kinderrechter vindt het positief dat beide ouders op zitting naar voren hebben gebracht dat de onderlinge relatie sinds kort is verbeterd en dat zij beiden het belang van de kinderen vooropstellen. Dat neemt niet weg dat de kinderen – met name [minderjarige 1] – het nodige hebben meegekregen en dat heeft zijn weerslag op de kinderen. Bij de oudste drie kinderen worden kindsignalen gezien. De school van [minderjarige 1] heeft zorgen geuit over het feit dat zij vermoeid is, veel alleen is, weinig aansluiting heeft bij andere kinderen en weinig emoties toont. Ten aanzien van [minderjarige 2] zijn er zorgen van de peuterspeelzaal dat hij andere kinderen slaat, opstandig gedrag vertoont en veel begrensd moet worden. Ook heeft hij een vertraagde taal- en spraakontwikkeling waar hulpverlening voor moet worden ingezet. De peuterspeelzaal ziet bij [minderjarige 3] dat zij sneller huilt en gevoeliger is. Ten aanzien van [minderjarige 4] zijn er momenteel geen specifieke zorgen, maar de kinderrechter is evenals de Raad van oordeel dat er zicht gehouden moet worden op haar ontwikkeling omdat zij bijzonder kwetsbaar is door haar leeftijd en opgroeit in een opvoedsituatie waar veel zorgen over zijn.
Het is positief dat beide ouders aangeven mee te willen werken aan hulpverlening. Zij willen echter beiden dat eerst geprobeerd wordt vrijwillige hulpverlening in te zetten. De kinderrechter volgt de ouders daarin niet. De positieve ontwikkeling is pas pril en in het verleden is al diverse hulpverlening geprobeerd in te zetten, zonder dat dit voor blijvende verandering heeft gezorgd. Daarbij komt dat de kinderrechter meerwaarde ziet in de betrokkenheid van een jeugdbeschermer die als professional een beter overzicht heeft van de beschikbare hulpverlening. De kinderrechter ziet wel aanleiding om de duur van de ondertoezichtstelling te bekorten tot zes maanden en het verzoek voor het overige aan te houden. De kinderrechter verwacht dat een periode van zes maanden voldoende is om de benodigde hulpverlening op te starten. Het is aan de ouders om te laten zien dat zij de positieve ontwikkeling door kunnen zetten en inderdaad bereid zijn mee te werken aan de hulpverlening.
Over zes maanden wordt wederom naar de situatie van de kinderen gekeken en moet beoordeeld worden of de hulpverlening overgeheveld kan worden naar vrijwillig kader of dat een langere ondertoezichtstelling noodzakelijk is.
In dat kader verzoekt de kinderrechter de Raad uiterlijk één week voorafgaand aan de nader te plannen zitten een schriftelijke update aan de rechtbank, de moeder en haar advocaat, de vader en de gecertificeerde instelling te zenden. In de schriftelijke update moet in ieder geval worden opgenomen wat het standpunt van de Raad is ten aanzien van het restant van het verzoek. Ook moet er in de schriftelijke update worden opgenomen hoe het met de kinderen gaat, hoe het mediationtraject van de ouders verloopt, hoe de omgang tussen de vader en de kinderen verloopt en welke hulpverlening er is ingezet voor de kinderen en de ouders. Het staat de Raad vrij al hetgeen de Raad verder nog relevant acht op te nemen in de schriftelijke update.
5.3.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 11 mei 2026 tot 11 november 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting,
gelegen voor 11 november 2026;
6.4.
gelast de griffier tegen voornoemde zitting op te roepen:
  • de Raad;
  • de moeder;
  • de advocaat van de moeder: mr. S.L. Prass;
  • de vader;
  • de gecertificeerde instelling;
  • [minderjarige 1] voor een kindgesprek;
6.5.
verzoekt de Raad
uiterlijk één weekvoorafgaand aan de voornoemde zitting een schriftelijke update als genoemd in r.o. 5.2. aan de rechtbank, de moeder en haar advocaat, de vader en de gecertificeerde instelling te zenden.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026 door
mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier, en op schrift gesteld op 4 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.