ECLI:NL:RBDHA:2026:15663

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
SGR 25/7347
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D.G. Oomkes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 7:13 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing handhavingsverzoek ventilatie zonder wijziging rechtsgevolgen

Eiser verzocht het college van burgemeester en wethouders van Den Haag handhavend op te treden tegen woningcorporatie Staedion vanwege het uitschakelen van mechanische ventilatie in zijn appartementencomplex. Het college wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar kennelijk ongegrond, waarna eiser beroep instelde.

De rechtbank oordeelt dat het college het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard en eiser niet heeft gehoord, wat in strijd is met artikel 7:3 Awb Pro. Tevens is het besluit onzorgvuldig voorbereid omdat het noodzakelijke onderzoek pas in de beroepsfase ter plaatse is uitgevoerd, in strijd met artikel 3:2 Awb Pro.

Ondanks de vernietiging van het besluit laat de rechtbank de rechtsgevolgen in stand omdat het college na onderzoek heeft vastgesteld dat geen overtreding van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is geconstateerd. De rechtbank wijst het beroep toe, veroordeelt het college in de proceskosten en draagt het griffierecht aan het college op te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand omdat geen overtreding is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/7347

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

(gemachtigden: H. Smit en R.C. Zuijderduijn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het afwijzen van een handhavingsverzoek. Eiser heeft het college gevraagd om handhavend op te treden tegen woningcorporatie Staedion (Staedion), omdat in het appartementencomplex waar hij woont de mechanische ventilatie een groot deel van de dag wordt uitgeschakeld. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het handhavingsverzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat aan het bestreden besluit een procedureel gebrek kleeft en dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond, vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen in stand omdat het college de gebreken in beroep voldoende heeft hersteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft het college verzocht om handhavend op te treden. Bij besluit van 17 april 2025 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen.
2.1.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek. Bij besluit van 2 september 2025 (het bestreden besluit) heeft het college dit bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage is onderdeel van deze uitspraak.
Kennelijk ongegrond bezwaar?
4. Eiser betoogt allereerst dat hij ten onrechte niet is gehoord. Daartoe voert hij aan dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond had mogen worden verklaard, omdat hij wel degelijk heeft onderbouwd waarom sprake is van een overtreding. Hij had in de gelegenheid moeten worden gesteld dit tijdens een hoorzitting toe te lichten. In het geval wel van een hoorzitting kon worden afgezien, stelt eiser dat de Adviescommissie bezwaarschriften (de adviescommissie) in ieder geval een advies had moeten geven over de afhandeling van zijn bezwaar.
4.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat van het horen van eiser mocht worden afgezien. Op grond van het Aanwijzingsbesluit ambtelijk horen bezwaarschriften Den Haag 2024 kon het college zelfstandig beslissen om af te zien van het horen van eiser. Voor zover aan het bestreden besluit een gebrek kleeft, is dat volgens het college inmiddels hersteld doordat op 13 april 2026 alsnog een feitelijke controle in het wooncomplex van eiser is uitgevoerd en hierbij geen overtreding is vastgesteld. Het college heeft het bestreden besluit niet ingetrokken, omdat een hoorzitting gelet op de uitkomsten van die controle niet tot een andersluidend besluit zou leiden.
4.2.
Tussen partijen is onder andere in geschil of het college op grond van artikel 7:13, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelfstandig kon beslissen om af te zien van het horen van eiser of dat de adviescommissie die beslissing had moeten nemen. De rechtbank komt aan de beantwoording van die vraag echter niet toe, omdat de rechtbank van oordeel is dat het bezwaar hoe dan ook niet kennelijk ongegrond had mogen worden verklaard. De rechtbank licht dat hieronder toe.
Mocht worden afgezien van een hoorzitting?
4.3.
Artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb bepaalt dat wanneer het bezwaar kennelijk ongegrond is, van het horen van de bezwaarmaker kan worden afgezien. Het betreft een uitzondering op de hoofdregel dat de bezwaarmaker wordt gehoord en deze uitzondering dient restrictief te worden toegepast. [1] Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is een bezwaar kennelijk ongegrond als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. [2]
4.4.
Na het bestreden besluit heeft het college op 13 april 2026 nader onderzoek laten verrichten naar de gestelde overtreding. Het college heeft erkend dat dit onderzoek eigenlijk voor het bestreden besluit al had moeten worden uitgevoerd. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen sprake was van een situatie waarbij er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over bestond dat het bezwaarschrift niet kon leiden tot een andersluidend besluit. Het college heeft het bezwaar dan ook ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard en eiser ten onrechte niet gehoord in bezwaar. Dat is in strijd met artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.
Is het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid?
4.5.
In de beroepsgrond van eiser leest de rechtbank ook het standpunt dat sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek, doordat pas in beroep ter plaatse onderzoek is verricht. Het feit dat het college pas na het bestreden besluit het noodzakelijke onderzoek heeft laten verrichten dat nodig was om tot de conclusie te komen dat volgens hem geen sprake was van een overtreding, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit inderdaad onzorgvuldig is voorbereid. Het college heeft immers bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de nodige kennis vergaart over de relevante feiten. Dat is in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb.
4.6.
Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank ziet geen grond de hiervoor geconstateerde gebreken te passeren. Het beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd, maar met het oog op finale geschilbeslechting ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten. De rechtbank licht dat hieronder toe.
Is sprake van een overtreding?
5. Eiser voert ten tweede aan dat het college handhavend had moeten optreden tegen Staedion. Hij is van mening dat wel degelijk sprake is van een overtreding van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Wanneer een groot deel van de dag de ventilatie nagenoeg volledig wordt uitgeschakeld, worden de minimale eisen niet gehaald die het Bbl stelt aan mechanische ventilatie in bestaande woningen.
5.1.
Het college betwist dat sprake is van een overtreding. Na navraag bij de afdeling VvE-beheer van Staedion en controle ter plaatse door een handhavingsinspecteur van de gemeente, is gebleken dat de mechanische ventilatie in het wooncomplex van eiser is ingesteld op gebruikersuren en dat buiten de piekuren het systeem op een lager niveau draait. Anders dan eiser betoogt, wordt het systeem niet (nagenoeg volledig) uitgeschakeld. Hiermee voldoet de mechanische ventilatie aan de eisen gesteld in het Bbl.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college terecht heeft aangenomen dat geen sprake is van een overtreding waartegen handhavend kon worden opgetreden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. In onder meer de artikelen 3.66, 3.67 en 3.68 van het Bbl worden eisen gesteld aan de voorziening voor luchtverversing in bestaande bouwwerken. Door eiser is ter zitting bevestigd dat hij heeft bedoeld een beroep te doen op overtreding van deze artikelen, in plaats van overtreding van de door hem eerder genoemde soortgelijke artikelen bedoeld voor nieuwbouw. [3] Eiser heeft ter zitting desgevraagd ook bevestigd dat hij niet betwist dat het mechanische ventilatiesysteem in zijn wooncomplex op zichzelf voldoet aan de technische eisen die daaraan in het Bbl worden gesteld, maar dat hij van mening is dat de manier waarop die mechanische ventilatie wordt gebruikt niet in overeenstemming is met deze eisen. Eiser heeft daartoe echter niet meer aangevoerd dan dat op sommige momenten van de dag tijdens het koken de rookmelder af zou gaan, waaruit zou blijken dat het systeem gedurende delen van de dag niet voldoende werkt. Bezien ook in het licht van hetgeen is gebleken tijdens de controle ter plaatse op 13 april 2026, is deze onderbouwing naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van overtreding van de eisen die in het Bbl worden gesteld aan mechanische ventilatiesystemen in bestaande bouwwerken.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en Pro artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen. De rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten, bestaande uit verletkosten. Eiser heeft zonder nadere specificatie verzocht om een vergoeding van zijn verletkosten voor een bedrag van € 54,-, te weten zes keer € 9,- per uur. Verletkosten van een partij zijn kosten van tijdverzuim door bijvoorbeeld vrijaf te moeten nemen voor het bijwonen van een zitting en de heen- en terugreis. Het gaat niet om tijdverzuim door voorbereidende handelingen, zoals het opstellen of lezen van processtukken en het voorbereiden van een zitting. [4] Een partij die aan de rechter om vergoeding van verletkosten verzoekt, hoeft die kosten niet te specificeren; bij het ontbreken van een specificatie is enkel plaats voor vergoeding van het minimumtarief. [5] In dit geval komen enkel de verletkosten voor het bijwonen van de zitting en de heen- en terugreis voor vergoeding in aanmerking. De zitting heeft in totaal een uur geduurd. Inclusief de reistijd die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken, acht de rechtbank een vergoeding van drie keer € 9,- per uur aan verletkosten redelijk.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 2 september 2025;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 27,-;
  • draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.G. Oomkes, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Kemper, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:2

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten.

Artikel 7:2

1. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.
(…)

Artikel 7:3

Van het horen van een belanhebbende kan worden afgezien indien:
(…)
b. het bezwaar kennelijk ongegrond is,
(…).
Besluit bouwwerken leefomgeving

Hoofdstuk 3 Bestaande bouw

(…)

Artikel 3.66 (aansturingsartikel)

1.
Een bouwwerk heeft een voorziening voor luchtverversing waarmee het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.
2.
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.66 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Artikel 3.67 (luchtverversing verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte)

1.
Een verblijfsruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 0,7 dm3/s per m2 vloeroppervlakte, met een minimum van 7 dm3/s.
2.
Een verblijfsruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste de in tabel 3.66 aangegeven capaciteit per persoon.
3.
Onverminderd het eerste en tweede lid heeft een verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel of met een opstelplaats voor een open verbrandingstoestel voor warmwater een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 21 dm³/s. Een opstelplaats voor een kooktoestel of een warmwatertoestel met een nominale belasting van meer dan 15 kW, of voor een warmwatertoestel dat geen open verbrandingstoestel is, blijft hierbij buiten beschouwing.
4.
Een voorziening voor luchtverversing voor meer dan een verblijfsruimte heeft een capaciteit die ten minste voldoet aan de hoogste waarde die volgens het eerste tot en met derde lid is bepaald voor een op die voorziening aangewezen verblijfsruimte.
5.
Een voorziening voor luchtverversing voor een verblijfsgebied dat bestaat uit meer dan een gemeenschappelijke verblijfsruimte heeft, in afwijking van het vierde lid, een capaciteit die ten minste voldoet aan de som van de waarden die volgens het eerste tot en met derde lid is bepaald voor de op die voorziening aangewezen verblijfsruimten.
6.
Een toiletruimte en een badruimte hebben een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste:
a.7 dm3/s bij een toiletruimte; en
b.14 dm3/s bij een badruimte.
7.
Onverminderd het tweede lid heeft een verblijfsruimte een voorziening voor luchtverversing met een mechanische aan- of afvoer met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 3,8 dm3/s per m2 vloeroppervlakte.
(…)

Artikel 3.68 (luchtverversing overige ruimten)

1.
Een ruimte met een opstelplaats voor een gasmeter heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 1 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte, met een minimum van 2 dm3/s.
2.
Een liftschacht heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 3,2 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die liftschacht.
(…)

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022,
2.Zie onder meer de uitspraak van 5 april 2023,
3.Te weten de artikelen 4.122 en 4.128 van het Bbl.
4.Zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 januari 2018,
5.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2012,