ECLI:NL:RBDHA:2026:1567

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
09/278637-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 310 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar opgelegd voor recidiverende winkeldiefstal

De rechtbank Den Haag heeft op 5 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte geboren in 2000 zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, die op 20 oktober 2025 te Alphen aan den Rijn parfum heeft weggenomen uit een DA Drogisterij. De verdachte heeft het feit bekend en de rechtbank verklaarde het wettig en overtuigend bewezen.

De verdachte heeft een strafblad met meerdere veroordelingen voor vermogensdelicten en wordt door de reclassering gezien als een zeer actieve veelpleger met een hoog recidiverisico. Het reclasseringsadvies concludeert dat eerdere toezichtmaatregelen niet effectief waren en dat de verdachte geen concrete plannen heeft om terug te keren naar zijn geboorteland, ondanks zijn wens daartoe.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte voldoet aan de harde ISD-criteria, waaronder meerdere onherroepelijke vrijheidsbenemende straffen in de afgelopen vijf jaar, en dat er geen reële, minder ingrijpende alternatieven zijn om recidive te voorkomen. Daarom wordt een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar opgelegd, zonder aftrek van voorarrest, om de maatschappij te beschermen en de verdachte de kans te geven aan zijn problematiek te werken.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar wegens recidiverende winkeldiefstal.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/278637-25
Datum uitspraak: 5 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
op dit moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 22 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.C. Rous en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. B.J. de Deugd naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 20 oktober 2025 te Alphen aan den Rijn parfum, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de DA Drogisterij (gevestigd op [straatnaam] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het feit volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft zich ook op het standpunt gesteld dat dit feit kan worden bewezen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025355973, van de politie eenheid Den Haag (doorgenummerd pagina 1 t/m 42). De bewijsmiddelen – en ook de onderdelen daarvan – worden telkens slechts gebruikt voor het bewijs van het feit waarop zij volgens de inhoud ervan betrekking hebben.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
- De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 januari 2026;
- Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt op 20 oktober 2025 (p. 5-7).
3.2
De bewezenverklaring
De rechtbank is oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 20 oktober 2025 te Alphen aan den Rijn parfum, dat geheel aan de DA Drogisterij (gevestigd op [straatnaam] ) toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de onvoorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar zal worden opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat aan de verdachte een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest moet worden opgelegd. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat aan de verdachte een geheel voorwaardelijke ISD-maatregel moet worden opgelegd.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Winkeldiefstal is een hinderlijk strafbaar feit dat schade en overlast veroorzaakt voor de getroffen winkelbedrijven. De verdachte heeft daarmee laten zien dat hij geen respect heeft voor andermans eigendommen.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 21 oktober 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte meermaals is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten. De rechtbank vindt het zorgelijk dat deze eerdere veroordelingen de verdachte er niet van hebben weerhouden om opnieuw een strafbaar feit te plegen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 7 januari 2025, dat is opgemaakt en ondertekend door [naam 1] , reclasseringswerker, en [naam 2] , unitmanager. Uit dat reclasseringsadvies blijkt het volgende.
Gelet op het uittreksel justitiële documentatie (hierna: UJD) kan volgens de reclassering bij de verdachte worden gesproken van een delictpatroon ten aanzien van vermogensdelicten. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog.
Op basis van eerder en onderhavig onderzoek kan de reclassering niet goed vaststellen waarom de verdachte herhaaldelijk tot deze vermogenscriminaliteit komt. Ten tijde van onderhavig delict zou hij werk, inkomen en huisvesting hebben gehad, die hij nu door de consequenties van zijn delictgedrag is kwijtgeraakt. Mogelijk ligt de oorzaak in zijn financiële situatie, de relatiesfeer, vaardigheidstekorten en/of pro-criminele houding. Concrete aanwijzingen voor psychosociale problemen en delictgerelateerde verslavingsproblematiek ontbreken; tijdens een eerder toezicht kon hier geen uitgebreid onderzoek naar worden gedaan middels diagnostiek/behandeling en controles, (mede) doordat hij afspraken niet nakwam. De verdachte zegt nu afspraken met de reclassering na te willen komen en hulp te zullen accepteren; de reclassering ziet hiertoe echter geen mogelijkheden meer nu hij niet over inkomen en een vaste verblijfplaats beschikt. De verdachte heeft de afgelopen jaren niets opgebouwd in Nederland waardoor hij geen recht heeft op sociale opvang en/of een uitkering als hij uit detentie komt. Een eerder toezicht kwam niet van de grond doordat de reclassering onvoldoende met de verdachte in contact kon komen vanwege zijn onbereikbaarheid en het niet nakomen van afspraken.
De reclassering adviseert gelet op het voorgaande om bij veroordeling van de verdachte aan hem een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
Voldaan aan ‘harde’ ISD-criteria
De rechtbank stelt vast dat de verdachte aan de zogenoemde ‘harde’ ISD-voorwaarden als bedoeld artikel 38m Sr voldoet. De bewezenverklaarde diefstal is een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het UJD van de verdachte van 21 oktober 2025 blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar voorafgaand aan het huidige feit meer dan drie keer onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel. Deze straffen zijn volledig ten uitvoer gelegd.
Omdat de verdachte een uitgebreide justitiële documentatie heeft en de reclassering de kans op recidive als hoog inschat, moet er naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte in de toekomst opnieuw een misdrijf zal begaan waarbij de veiligheid van goederen in het geding is.
De verdachte voldoet ook aan de definitie van zeer actieve veelpleger als bedoeld in de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers. Tegen de verdachte zijn over een periode van vijf jaar processen-verbaal opgemaakt voor meer dan tien misdrijffeiten, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, teruggerekend vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.
Voldaan aan ‘zachte’ criteria
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of ook aan de zogenoemde ‘zachte’ ISD-criteria is voldaan. Dat wil zeggen dat de rechtbank beoordeelt of alle reële, minder ingrijpende alternatieven voor hulpverlening en het voorkomen van recidive zijn uitgeput en dus het uiterste middel van de ISD-maatregel overblijft.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er voor de verdachte geen reële alternatieven voor de ISD-maatregel voorhanden. Het beïnvloeden van het gedrag van de verdachte met reclasseringstoezicht is naar het oordeel van de rechtbank niet kansrijk en eerder reclasseringstoezicht is mislukt.
Anders dan de verdediging, vindt de rechtbank het niet passend om de verdachte een ‘kale’ gevangenisstraf op te leggen of een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen om de verdachte zo in de gelegenheid te stellen om op eigen kracht terug te keren naar [land], zoals de verdachte – zoals hij (voor het eerst) tijdens de zitting heeft verklaard – wenst.
De rechtbank heeft er onvoldoende vertrouwen in dat hij dit ook daadwerkelijk zal doen en dat hij, mocht de verdachte daadwerkelijk terugkeren naar [land], niet daarna terug zal keren naar Nederland en opnieuw voor overlast en schade voor de Nederlandse maatschappij zal zorgen. De verdachte heeft immers kort voor de terechtzitting bij de reclassering nog aangegeven dat hij niet naar [land] wil terugkeren en in Nederland wil blijven. Voorts heeft de verdachte, los van de enkele mededeling dat hij zijn zus heeft gebeld voor geld voor een kaartje, voor een eventuele terugkeer naar [land] geen concreet plan gemaakt.
Het aangeboden alternatief, erop neerkomend dat aan de verdachte geen ISD-maatregel zal worden opgelegd zodat hij kan terugkeren naar [land], is dus naar het oordeel van de rechtbank geen reële optie.
Maatregel
Alles afwegend acht de rechtbank het opleggen een onvoorwaardelijke ISD-maatregel passend en geboden. Vooral ter optimale bescherming van de maatschappij, maar ook om het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, is het belangrijk voldoende tijd te nemen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren en de tijd die de verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft gezeten niet aftrekken van de duur van die maatregel. Zo wordt gewaarborgd dat de samenleving verschoond blijft van verdere vermogensdelicten van de verdachte en kan de verdachte hulp krijgen bij het regelen van terugkeer naar [land] zodat hij daar in een enigszins stabiele situatie terechtkomt.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen:
- 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
diefstal;
- verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
-legt de verdachte op:
de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (TWEE) JAREN.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.G. Egter van Wissekerke, voorzitter,
mr. E.C. Kole, rechter,
mr. A.W. Duijnstee, rechter,
in tegenwoordigheid van J.J. Koster, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 februari 2026.