ECLI:NL:RBDHA:2026:15675

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
C/09/692256
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:10 BWArt. 6:12 BWArt. 6:119 BWArtikel 122 lid 4 FwFaillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen tot verificatie privébetalingen in faillissement Beheer BV

Deze zaak betreft een renvooiprocedure in het faillissement van Beheer BV, waarbij eiser vorderingen tot verificatie indiende voor betalingen die hij uit privévermogen zou hebben gedaan ten behoeve van de failliete vennootschap. De curator betwistte deze vorderingen.

De rechtbank oordeelt dat eiser ontvankelijk is in zijn vorderingen, ondanks een wijziging van de juridische grondslag van regres naar ongerechtvaardigde verrijking en zaakwaarneming, omdat deze wijziging geen wezenlijke verandering in de aard van de vordering inhoudt. Echter, eiser heeft niet aan zijn stelplicht voldaan om aannemelijk te maken dat hij de betalingen daadwerkelijk en uit privévermogen heeft verricht.

De rechtbank beoordeelde de bewijsstukken per factuur en concludeerde dat onvoldoende is gesteld dat de betalingen door eiser zijn gedaan en dat deze uit privévermogen kwamen. Hierdoor is niet komen vast te staan dat Beheer BV ongerechtvaardigd is verrijkt of dat eiser als zaakwaarnemer kosten heeft gemaakt.

De vorderingen worden daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten, inclusief nakosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af wegens onvoldoende bewijs van privébetalingen ten behoeve van Beheer BV.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/692256 / HA ZA 25-850
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats],
eiser tot verificatie,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. [advocaat],
tegen
MR. [de curator]in hoedanigheid van curator in het faillissement van [Beheer B.V.] B.V.,
te [plaats 1],
verweerder tot verificatie,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. W.R. Schravendeel.

1.Waar gaat deze zaak over?

1.1.
Deze zaak betreft een zogeheten renvooiprocedure; een procedure in een faillissement over de omvang en het bestaan van een vordering. Het gaat in deze zaak om het faillissement van de vennootschap [Beheer B.V.] B.V. (hierna: Beheer BV). [eiser] heeft vorderingen ingediend in het faillissement van Beheer BV en de curator heeft een deel van die vorderingen betwist. Deze procedure gaat over de door de curator betwiste vorderingen van [eiser].
1.2.
De rechtbank oordeelt in dit vonnis dat niet is komen vast te staan dat [eiser] betalingen in privé voor Beheer BV heeft gedaan. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] daarom af. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de verwijzing ter verificatievergadering van 18 september 2025 door de rechter-commissaris naar de rol voor renvooi op 8 oktober 2025;
- de conclusie van eis tot verificatie van 3 december 2025 met producties 1 tot en met 7;
- het antwoord na eis tot verificatie van 14 januari 2026 met producties 1 tot en met 8;
- de akte overlegging aanvullende producties van 21 april 2026 van [eiser] met producties 8 tot en met 13.
2.2.
Op 30 april 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.

3.De feiten

Het faillissement van Beheer BV
3.1.
[eiser] was bestuurder en enig aandeelhouder van Beheer BV.
3.2.
Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 16 maart 2017 is Beheer BV in staat van faillissement verklaard. Per 4 september 2019 is de curator aangesteld als opvolgend curator.
3.3.
Bij brief van 2 juli 2025 heeft [eiser] vorderingen ingediend in het faillissement van Beheer BV. De brief bepaalt, voor zover relevant, als volgt:

In vervolg op de e-mail van mr. [naam 1] dien ik bij dezen namens mijzelf, in mijn hoedanigheid van privépersoon, de volgende vorderingen in op de boedel van [Beheer B.V.] B.V. (hierna: [Beheer B.V.]). […] Het zijn betalingen die ik
uit privévermogen heb gedaan ten behoeve van of in verband met de onderneming van [Beheer B.V.]. De vorderingen zijn als volgt onderbouwd:
[…]
3.
Betalingen aan Hillsafety B.V. tezamen belopende een bedrag van – € 14.191,56. Zie de betaalbewijzen.
4.
Betaling aan Airtemp – € 412,13. Voor spoedreparatie aan de cv-installatie in het datacentrum van [Beheer B.V.] – zie factuur d.d. 19 februari 2016 en afschrift van de betaling.
5.
Betaling aan IT-Holland een bedrag van - € 307,77 en de kwijting voor de betaling.
3.4.
Bij brief van 25 augustus 2025 heeft [eiser], voor zover relevant, het volgende geschreven aan de curator:

Indien u als curator vasthoudt aan de erkenning van de vordering van HillSafety op [Beheer B.V.], dan impliceert u daarmee dat [Beheer B.V.] als schuldenaar wordt aangemerkt. In dat geval heb ik een regresvordering op [Beheer B.V.], aangezien ik drie facturen aan HillSafety heb voldaan. Hoewel deze betalingen mede zijn gedaan met middelen afkomstig van mevrouw [naam 2], heb ik deze betalingen namens haar verricht en is er administratief via [Beheer B.V.] gehandeld.
De juridische consequentie van uw erkenning is dat [Beheer B.V.] als schuldenaar wordt beschouwd en dat ik als derde die de schuld heeft voldaan, een vordering heb op [Beheer B.V.] op grond van artikel 6:10 BW Pro jo. artikel 6:12 BW Pro.
3.5.
Bij e-mail van 10 september 2025 heeft de curator [eiser] bericht dat zijn vordering voor een bedrag van € 25.117,15 is geplaatst op de lijst van voorlopig erkende concurrente schuldvorderingen, en voor het resterende bedrag van € 42.064,44 is geplaatst op de lijst van betwiste concurrente schuldvorderingen.
3.6.
Op 18 september 2025 heeft de verificatievergadering plaatsgevonden in het faillissement van Beheer BV. Het proces-verbaal van de verificatievergadering bepaalt, voor zover relevant, als volgt:

De curator betwist de concurrente vordering van € 42.064,44 van de heer [eiser] in zijn geheel.
3.7.
De curator neemt in de faillissementsprocedure het standpunt in dat Beheer BV een datacentrum exploiteerde in [plaats 2]. Beheer BV en [eiser] betwisten dit standpunt van de curator in de faillissementsprocedure.
iT-Holland
3.8.
Bij factuur van 17 januari 2014 heeft iT-Holland een factuur gestuurd aan [bedrijfsnaam] voor een bedrag van € 1.841. Uit de factuur blijkt dat ‘[eiser]’ de order heeft geplaatst. Op de factuur is met pen geschreven: “
Kas ontvangen” met daaronder een naam en de datum van 4 oktober 2014.
Mawin
3.9.
Bij factuur van 20 februari 2014 met factuurnummer 20140024 heeft Mawin B.V. (hierna: Mawin) een bedrag van € 4.235 gefactureerd aan Beheer BV (hierna: factuur 24). Op de factuur 24 is met zwarte pen geschreven: “
Contant € 2200 ontvangen op 19-8-14 van [eiser]”. Verder is op de factuur 24 met blauwe pen geschreven: “
€ 2100 op 21-2-2015”.
3.10.
Bij factuur van dezelfde datum met factuurnummer 20140023 heeft Mawin een bedrag van € 1.258,40 gefactureerd aan Beheer BV (hierna: factuur 23). Op de factuur 23 is met pen geschreven:
“€ 1260,- contant betaald op 9-10-14”.
Netwerkje
3.11.
Bij factuur van 11 augustus 2014 heeft Netwerkje B.V. (hierna: Netwerkje) een factuur uitgebracht voor een bedrag van € 4.539,32. Op de factuur is met pen geschreven: “
Bedrag ontvangen 15/10”.
3.12.
Op 12 augustus 2015 heeft de heer [naam 3] van Allsystems B.V. een e-mail gestuurd aan [eiser] met de opmerking dat de werkzaamheden aan de airco zijn afgerond.
3.13.
Op 28 augustus 2015 heeft de heer [naam 4] van Netwerkje een e-mail gestuurd aan [eiser] met de vraag of [eiser] contact wil opnemen met Netwerkje over drie facturen.
Hillsafety
3.14.
Op 6 augustus 2014 heeft mevrouw [naam 5] van Hillsafety B.V. (hierna: Hillsafety) een e-mail gestuurd aan [eiser]. Uit de e-mail blijkt dat Hillsafety akkoord is gegaan met het voorstel van [eiser] en dat drie termijnen van € 4.730,52 uiterlijk elke 30e van de maand op de bank bijgeschreven dienen te zijn. Op de e-mail is met pen bij de tweede termijn van € 4.730,52 genoteerd “
* contant ontvangen [naam 5] 1-10-2014”. Verder is rechtsonder op de e-mail met pen geschreven “
laatste termijn betaald”.
Airtemp
3.15.
Bij factuur van 19 februari 2016 heeft Airtemp een factuur aan [eiser] gestuurd voor een bedrag van € 412,13.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht verklaart dat de door [eiser] uit privévermogen verrichtte betalingen aan:
- iT-Holland à € 1.841,
- Mawin à € 5.560,
- Netwerkje à € 4.539,32,
- Hillsafety. à € 9.461,04,
- Airtemp à € 412,13,
tezamen € 21.813,49, zijn aan te merken als in het faillissement van Beheer BV te verifiëren concurrente vorderingen van [eiser];
2. bepaalt dat dit bedrag van € 21.813,49 als erkende concurrente schuldvordering van [eiser] wordt toegelaten op de lijst van erkende schuldvorderingen in het faillissement van Beheer BV;
3. de curator veroordeelt in de proceskosten.
4.2.
[eiser] legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat [eiser] de betalingen genoemd in 4.1 onder punt 1 in privé heeft verricht voor Beheer BV. Uitgaande van het standpunt van de curator in de faillissementsprocedure dat Beheer BV een datacentrum exploiteerde, dienen deze betalingen als vorderingen van [eiser] op Beheer BV in het faillissement te worden erkend. De vordering van [eiser] is primair gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking, omdat Beheer BV ongerechtvaardigd is verrijkt door deze betalingen van [eiser] in privé. Beheer BV is daardoor verplicht [eiser] de schade te vergoeden tot het bedrag van die verrijking. Subsidiair baseert [eiser] zijn stelling op zaakwaarneming. [eiser] heeft de betalingen als zaakwaarnemer in het belang van Beheer BV en zonder rechtsplicht verricht. Beheer BV is verplicht de schade te vergoeden die [eiser] door de waarneming heeft geleden.
4.3.
De curator voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.
4.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
[eiser] is ontvankelijk in zijn vorderingen
5.1.
De rechtbank zal eerst ingaan op het standpunt van de curator dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen. Volgens de curator heeft [eiser] de grondslag van zijn vorderingen in deze renvooiprocedure gewijzigd ten opzichte van zijn ter verificatie ingediende vorderingen. Waar de vorderingen ter verificatie blijkens zijn brieven van 2 juli 2025 (zie 3.3 hiervoor) en 25 augustus 2025 (zie 3.4 hiervoor) nog gebaseerd waren op regres althans derdenbetaling, zijn die vorderingen in deze renvooiprocedure gegrond op ongerechtvaardigde verrijking althans zaakwaarneming. Dit is een materiële wijziging van de rechtsgrond en dat is ongeoorloofd, aldus de curator. [eiser] betwist dat sprake is van een ontoelaatbare grondslagwijziging.
5.2.
De rechtbank stelt het volgende voorop. Verandering van eis of grondslag tijdens een renvooiprocedure is slechts geoorloofd voor zover deze niet treedt buiten de omschrijving van het geschil zoals dat in het proces-verbaal van de verificatievergadering is neergelegd, geen wezenlijke verandering brengt in de aard van de vordering zoals zij is ingediend en die het bedrag van de vordering niet verhoogt. De reden hiervoor is gelegen in het stelsel van de Fw [1] , op grond waarvan schuldvorderingen vóór een bepaald tijdstip moeten worden ingediend, waarna ze worden overgebracht op openbaar te maken lijsten, die voor de medeschuldeisers en de curator de basis vormen voor een eventuele betwisting van de daarin opgenomen schuldvorderingen. Medeschuldeisers die ter verificatievergadering de (oorspronkelijke) vordering niet hebben betwist, maar wel bezwaar hebben tegen de gewijzigde grondslag, kunnen zich in de renvooiprocedure immers niet voegen of tussenkomen (artikel 122 lid 4 Fw Pro). Aan deze medeschuldeisers zou dan de mogelijkheid worden onthouden om hun bezwaren tegen de gewijzigde eis of grondslag kenbaar te maken. [2]
5.3.
De rechtbank oordeelt als volgt. Aan de orde is de vraag of de wijziging van grondslag van de vordering in deze renvooiprocedure geoorloofd is. Van een vermeerdering van eis is geen sprake – er is juist sprake van een vermindering van eis, nu [eiser] zich ter zake van één ter verificatie ingediende vordering ten bedrage van € 20.250 heeft neergelegd bij de betwisting van die vordering door de curator. De rechtbank dient de vraag of een grondslagwijziging geoorloofd is te beantwoorden aan de hand van (i) de omschrijving van het geschil zoals die blijkt uit het proces-verbaal van de verificatievergadering en (ii) de vorderingen zoals die zijn ingediend.
5.4.
Met betrekking tot (i) geldt dat het proces-verbaal van de verificatievergadering niets vermeldt over de juridische grondslag van de vorderingen van [eiser]. Daarin staat immers slechts dat de curator de vordering van [eiser] betwist (zie 3.6 hiervoor). Hieruit kan dus geen wijziging van grondslag volgen.
5.5.
Met betrekking tot (ii), de vorderingen zoals ingediend door [eiser], geldt het volgende. De rechtbank leidt uit de brief van 25 augustus 2025 af dat [eiser] met betrekking tot zijn vordering ten aanzien van Hillsafety een juridische grondslag heeft genoemd, namelijk die van regres (artikel 6:10 BW Pro [3] ) althans subrogatie (artikel 6:12 BW Pro). [eiser] heeft deze vordering onderbouwd door erop te wijzen dat hij drie facturen aan Hillsafety heeft voldaan. In deze renvooiprocedure is de vordering van [eiser] ten aanzien van Hillsafety gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking althans zaakwaarneming. De grondslag van deze vordering is dus gewijzigd. Echter, naar het oordeel van de rechtbank leidt deze grondslagwijziging niet tot een wezenlijke verandering in de aard van de vordering zoals die is ingediend. Net als de ingediende vordering gaat de vordering in deze renvooiprocedure immers uit van het standpunt dat [eiser] betalingen aan Hillsafety in privé voor Beheer BV heeft gedaan.
5.6.
Ten aanzien van de overige ter verificatie ingediende vorderingen is in de brieven van 2 juli 2025 en 25 augustus 2025 geen juridische grondslag genoemd. De vorderingen ten aanzien van Mawin en Netwerkje komen in deze brieven in het geheel niet voor. Met betrekking tot de vorderingen aangaande Airtemp en iT-Holland blijkt uit de brief van 2 juli 2025 slechts dat [eiser] een vordering op Beheer BV stelt te hebben omdat hij deze betalingen aan deze partijen uit privévermogen heeft gedaan ten behoeve van of in verband met Beheer BV. Dit is een feitelijke beschrijving; daaruit blijkt geen juridische grondslag. Omdat de grondslag van deze vorderingen niet ter verificatie is genoemd, doet zich nu ook geen wijziging van grondslag voor.
5.7.
De conclusie uit het voorgaande is dat geen sprake is geweest van een ongeoorloofde grondslagwijziging in deze renvooiprocedure. [eiser] is daarom ontvankelijk in zijn vorderingen.
[eiser] heeft niet aan zijn stelplicht voldaan
5.8.
De vorderingen van [eiser] gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking althans zaakwaarneming gaan uit van de stelling dat hij bedragen van in totaal € 21.813,49 in privé heeft betaald ten behoeve van Beheer BV. Het is aan [eiser] om voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat hij heeft betaald en dat hij privé heeft betaald, omdat hij zich beroept op de rechtsgevolgen van die stellingen (namelijk schadevergoeding als gevolg van de ongerechtvaardigde verrijking althans zaakwaarneming). [eiser] heeft, met andere woorden, de stelplicht en bewijslast.
5.9.
Aan deze stelplicht heeft [eiser] niet voldaan. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat [eiser] de betalingen heeft verricht, met uitzondering van één deelbetaling van € 2.200 aan Mawin. Verder blijkt uit de overgelegde stukken niet dat [eiser] de betalingen in privé heeft verricht, en dus niet in zijn hoedanigheid van bestuurder van Beheer BV. Dat [eiser] de facturen in zijn bezit heeft, zoals hij heeft aangevoerd, maakt dit niet anders. Dit toont immers niet aan dat hij de betalingen in privé heeft verricht, omdat hij ook als bestuurder van Beheer BV een verplichting had om een administratie te voeren en dus ook betaalbewijzen te bewaren. Meer specifiek met betrekking tot de verschillende facturen komt de rechtbank tot het volgende oordeel:
  • iT-Holland: uit de handgeschreven tekst op de factuur (zie 3.8 hiervoor) kan de rechtbank niet afleiden dat [eiser] de factuur heeft betaald. Nu de vordering overigens niet is onderbouwd, is onvoldoende gesteld dat [eiser] het bedrag van € 1.841 heeft betaald en dat hij dit bedrag privé heeft betaald;
  • Mawin: uit de met blauwe pen op de factuur 24 geschreven tekst voor een bedrag van € 2.100 (zie 3.9 hiervoor) en uit de op de factuur 23 geschreven tekst ten aanzien van het bedrag van € 1.258,40 (zie 3.10 hiervoor) blijkt niet dat [eiser] deze bedragen heeft betaald. Dit kan de rechtbank wel vaststellen voor de betaling van € 2.200 (de met zwarte pen geschreven tekst, zie 3.9 hiervoor), maar daaruit blijkt niet dat [eiser] deze betaling privé heeft verricht, en dus niet als bestuurder van Beheer BV. Nu de vordering overigens niet is onderbouwd, is voor de bedragen van € 2.100 en € 1.258,40 onvoldoende gesteld dat [eiser] de bedragen heeft betaald en voor de gehele vordering dat hij de bedragen privé heeft betaald;
  • Netwerkje: uit de handgeschreven tekst op de factuur (zie 3.11 hiervoor) blijkt niet dat [eiser] de factuur heeft betaald. Dit blijkt ook niet uit de overgelegde e-mailcorrespondentie (zie 3.12 en 3.13 hiervoor). Derhalve is onvoldoende gesteld dat [eiser] het bedrag van € 4.539,32 heeft betaald en dat hij dit bedrag privé heeft betaald;
  • Hillsafety: uit de handgeschreven teksten op de e-mail (zie 3.14 hiervoor) kan de rechtbank niet afleiden dat [eiser] de twee betalingen van € 4.730,52 heeft verricht. Nu de vordering overigens niet is onderbouwd, is onvoldoende gesteld dat [eiser] het bedrag van € 9.461,04 heeft betaald en dat hij dit bedrag privé heeft betaald;
  • Airtemp: uit de factuur blijkt niet dat [eiser] het bedrag heeft betaald. Nu de vordering overigens niet is onderbouwd, is onvoldoende gesteld dat [eiser] het bedrag van € 412,13 heeft betaald en dat hij dit bedrag privé heeft betaald.
5.10.
De rechtbank ziet in hetgeen [eiser] heeft aangevoerd ook geen aanknopingspunten voor bewijslevering.
Conclusie
5.11.
Omdat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, is niet komen vast te staan dat [eiser] betalingen in privé voor Beheer BV heeft gedaan. Hierdoor is niet gebleken dat Beheer BV door betalingen van [eiser] ongerechtvaardigd is verrijkt, althans dat [eiser] als zaakwaarnemer van Beheer BV kosten in haar belang heeft gemaakt. [eiser] heeft dus ook geen vorderingen op Beheer BV die in het faillissement van Beheer BV dienen te worden erkend. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen.
Proceskosten
5.12.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- griffierecht
331
- salaris advocaat
1.306
(2 punten × € 653)
- nakosten
189
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.826
5.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.826, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.B.J. Hoefnagel en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.

Voetnoten

1.Faillissementswet
2.Vgl. Hof Amsterdam 24 februari 2005, JOR 2005/130, r.o. 3.4; Rb. Limburg 28 november 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:11142, r.o. 4.5.
3.Burgerlijk Wetboek