ECLI:NL:RBDHA:2026:15684

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
NL26.17904
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Hoofdstuk C2/5 Vreemdelingencirculaire 2000Verordening (EU) Nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, een Sierra Leoonse asielzoeker, diende op 12 december 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk is op grond van de Dublinverordening, aangezien eiser daar eerder een aanvraag had ingediend. Eiser stelde dat verweerder de aanvraag aan zich had moeten trekken vanwege zijn duurzame relatie met een zwangere partner die in Nederland is opgenomen in de nationale procedure.

Eiser overlegde een huwelijksakte en medische dossiers met psychische en lichamelijke klachten, waaronder een aangifte van mensenhandel. Verweerder betoogde dat deze relatie en omstandigheden niet tijdig waren gemeld en dat er geen objectief bewijs was voor een duurzame relatie of bijzondere medische omstandigheden die overdracht aan Kroatië zouden verhinderen.

De rechtbank oordeelde dat de huwelijksakte niet rechtsgeldig was en dat de duurzaamheid van de relatie niet was aangetoond. De zwangerschap van de partner en haar asielprocedure in Nederland vormden geen bijzondere omstandigheden. Ook was er geen bewijs dat medische zorg in Kroatië ontoereikend zou zijn of dat overdracht tot onomkeerbare gezondheidsachteruitgang zou leiden.

De rechtbank verwierp het beroep en bevestigde dat verweerder terecht geen gebruik maakte van zijn discretionaire bevoegdheid om de asielaanvraag aan zich te trekken. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet-in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17904

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. Z.M. Alaca),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. N. Sweerts).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is verschenen als tolk [tolk] .

Overwegingen

1. Eiser stelt de Sierra Leoonse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 2005. Eiser heeft op 12 december 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] Uit Eurodac blijkt dat eiser op 8 december 2025 een asielaanvraag in Kroatië heeft ingediend. Verweerder heeft op 9 januari 2026 de autoriteiten van Kroatië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef onder b, van de Dublinverordening. [2] Kroatië heeft dit verzoek op 19 januari 2026 aanvaard.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt daartoe als volgt. Verweerder had de asielaanvraag van eiser aan zich moeten trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser heeft een duurzame relatie met [persoon] , zij is op dit moment in verwachting van hun eerste kind. Ook is zij opgenomen in de nationale procedure. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een stuk overgelegd.
4. In de aanvullende gronden van beroep van 16 april 2026 heeft eiser als bewijs van zijn relatie een huwelijksakte overgelegd. Ook heeft hij zijn medisch dossier ingezonden waaruit volgt dat eiser last heeft psychische en lichamelijke klachten vanwege zijn verleden. Eiser heeft in dat kader aangifte van mensenhandel gedaan, hiervoor heeft hij een afschrift van dit e-mailbericht van 9 april 2026 ingebracht.
5. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser pas in de beroepsfase melding heeft gemaakt van zijn relatie met [persoon] , dat zij in verwachting is van een kind en in Nederland verblijft. Eiser heeft in zijn gehoor gesproken over een vrouw, maar hieruit volgde niet dat hij in dat kader een beroep op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening wenste te doen. Bovendien heeft eiser geen zienswijze ingediend, waardoor er op geen enkel moment aanleiding was om hieraan te toetsen in de besluitvorming.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser voor het eerst een beroep gedaan op artikel 10 van Pro de Dublinverordening. De rechtbank stelt vast dat deze beroepsgrond niet eerder in de procedure naar voren is gebracht. Nu deze beroepsgrond tardief is aangevoerd, gaat de rechtbank hieraan voorbij.
7. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening heeft verweerder een discretionaire bevoegdheid. Hierin is bepaald dat in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening elke lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Verweerder maakt hier terughoudend gebruik van, namelijk in situaties waarin overdracht getuigt van onevenredige hardheid. [3]
8. In dat kader beoordeelt de rechtbank eerst of de door eiser gestelde gezinsband met zijn partner kan worden aangemerkt als een relevante omstandigheid. Onder artikel 2, aanhef en onder g, van de Dublinverordening vallen als gezinsleden de echtgenoot en de ongehuwde partner met wie een duurzame relatie bestaat. Van een echtgenoot is geen sprake, nu de door eiser overgelegde religieuze huwelijksakte niet als een (familierechtelijk) rechtsgeldig huwelijk is aan te merken. Voor zover eiser stelt dat sprake is van een duurzame relatie als ongehuwde partners, heeft hij dit niet met objectieve gegevens onderbouwd. De duurzaamheid van de relatie is daarmee niet aangetoond. De gestelde zwangerschap van de partner van eiser leidt niet tot een ander oordeel, nu niet is onderbouwd dat eiser de juridische vader is van het ongeboren kind. Ook de omstandigheid dat de partner van eiser haar asielprocedure in Nederland voortzet, vormt op zichzelf geen bijzondere, individuele omstandigheid die maakt dat overdracht van eiser aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt.
9. Ten aanzien van de opgevoerde medische problematiek en het overgelegde patiëntendossier blijkt niet dat er bij overdracht sprake is van een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand. In het bestreden besluit stelt verweerder dan ook terecht dat de medische voorzieningen in beginsel vergelijkbaar mogen worden verondersteld tussen de lidstaten en dat deze ook ter beschikking staan aan Dublinclaimanten. De overgelegde stukken bieden geen concrete aanwijzingen dat behandeling in dit geval niet adequaat in Kroatië kan plaatsvinden. Bovendien zijn er geen aanwijzingen dat Nederland het meest aangewezen land is voor de medische behandeling van eiser.
10. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening de inhoudelijke behandeling van eisers asielverzoek onverplicht aan zich te trekken.
11. Verweerder heeft eisers asielaanvraag terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 9 juni 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) Nr. 604/2013.
3.Hoofdstuk C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.