ECLI:NL:RBDHA:2026:15689

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
SGR 25/393
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.10 WaboArt. 2.12 WaboArt. 3:2 AwbArt. 3:9 AwbArt. 4.3 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning voor vervanging dakpannen in rijksbeschermd stadsgezicht

Eiser heeft zonder vergunning dakpannen vervangen op zijn woning in een rijksbeschermd stadsgezicht en verzocht later om legalisatie via een omgevingsvergunning. Het college weigerde deze vergunning op advies van de welstandscommissie, die oordeelde dat de nieuwe dakpannen niet passen binnen het architectonisch ensemble en de cultuurhistorische waarden aantasten.

Eiser voerde aan dat het om gewoon onderhoud ging en dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat elders in het gebied vergelijkbare dakpannen aanwezig zijn. De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van gewoon onderhoud en dat het college terecht het advies van de welstandscommissie volgde. De motivering over het gelijkheidsbeginsel was formeel onvoldoende, maar dit werd gepasseerd omdat eiser daardoor niet benadeeld werd.

De rechtbank stelde vast dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en dat het college terecht niet is afgeweken van het bestemmingsplan. De financiële belangen van eiser en de onmogelijkheid om de oorspronkelijke dakpannen te verkrijgen, rechtvaardigen geen afwijking van het negatieve welstandsadvies. Het beroep is ongegrond verklaard en het college is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/393

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.C. Veltkamp-van Paassen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering om eiser een omgevingsvergunning te verlenen voor het vervangen van dakpannen op het dak van zijn woning. Eiser is het met dit besluit niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor het vervangen van de dakpannen op het dak van zijn woning aan het adres [adres 1] in [plaats] (de woning). Met het besluit van 9 oktober 2023 heeft het college de omgevingsvergunning geweigerd. Met het bestreden besluit van 5 december 2024 heeft het college eisers bezwaar ongegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn partner en zoon, en mr. R. Maassen als vervanger van zijn gemachtigde, bijgestaan door de architecten [naam 1] en [naam 2] , en gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft in januari 2023 de dakpannen op het dak van zijn woning, gelegen in het rijksbeschermd stadsgezicht [stadsdeel] (rijksbeschermd stadsgezicht), vervangen. Eiser heeft de oorspronkelijke Romaanse dakpannen op zijn woning vervangen door dakpannen van het type Tuile du Nord. Na voltooiing van de werkzaamheden heeft een inspecteur van de gemeente eiser medegedeeld dat voor het vervangen van de dakpannen een omgevingsvergunning is vereist.
3.1.
Op 7 augustus 2023 heeft eiser ter legalisering van de al vervangen dakpannen een omgevingsvergunning aangevraagd. De Welstands- en Monumentencommissie (welstandscommissie) heeft op 4 oktober 2023 negatief geadviseerd over het bouwplan. Met het besluit van 9 oktober 2023 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Tijdens de hoorzitting op 19 maart 2024 is het college in de gelegenheid gesteld om vragen van de Adviescommissie bezwaarschriften (bezwaarschriftencommissie) voor te leggen aan de welstandscommissie.
3.2.
In een brief van het college aan de bezwaarschriftencommissie van 26 april 2024 heeft het college de vragen beantwoord. Daarna heeft eiser een document van de heer [naam 1] ( [naam 1] ) van mei 2024 toegestuurd. Op 5 juni 2024 heeft de welstandscommissie een nader advies uitgebracht. De welstandscommissie heeft het document van [naam 1] in de beoordeling betrokken. De welstandscommissie heeft een negatief advies uitgebracht, dat is weergegeven in een brief van het college van 9 juli 2024 aan de bezwaarschriftencommissie.
3.3.
In een brief van 30 augustus 2024 heeft eiser gereageerd op de brief van het college van 26 april 2024 en op het nadere advies van de welstandscommissie. Eiser heeft daarbij een document van [naam 1] van 26 augustus 2024 meegestuurd. Daarna heeft de bezwaarschriftencommissie op 18 november 2024 geadviseerd het besluit van 9 oktober 2023 nader te motiveren voor wat betreft het door eiser gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel.
3.4.
Op 2 december 2024 heeft de welstandscommissie schriftelijk gereageerd op de twee documenten van [naam 1] . Gelet op de nadere motivering in deze brief heeft het college in het bestreden besluit het besluit van 9 oktober 2023 gehandhaafd. Het college stelt zich op het standpunt dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd, omdat de welstandscommissie negatief heeft geadviseerd. Er is dan ook sprake is van strijd met redelijke eisen van welstand. Verder is sprake van strijd met artikel 19 van Pro het bestemmingsplan, omdat het bouwplan in strijd is met de cultuurhistorische waarde van het rijksbeschermd stadsgezicht, zoals beschreven in het aanwijzingsbesluit van 6 september 1996 (aanwijzingsbesluit) met de bijbehorende toelichting, opgenomen in de bijlagen 5, 6 en 7 bij het bestemmingsplan. Het college is niet bereid af te wijken van het bestemmingsplan.
Overgangsrecht
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoering Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
4.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 7 augustus 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Juridisch kader
5. Ter plaatse van de woning waarop de aanvraag betrekking heeft geldt het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ”. Het perceel de bestemming “Wonen-1” en de dubbelbestemming “Waarde-Cultuurhistorie”. De woning is gelegen in het Rijksbeschermd stadsgezicht [stadsdeel] .
5.1.
In artikel 19.1 van de planregels is bepaald dat de voor “Waarde-Cultuurhistorie” aangewezen gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd zijn voor behoud en bescherming van de cultuurhistorische waarden van het Rijksbeschermd stadsgezicht [stadsdeel] , zoals beschreven in het aanwijzingsbesluit van 6 september 1996 met de bijbehorende toelichting, als opgenomen in de bijlagen 5, 6 en 7 van de regels.
5.2.
In artikel 19.2 van de planregels is onder meer bepaald dat voor het bouwen binnen de dubbelbestemming “Waarde-Cultuurhistorie” als bedoeld in artikel 19.1 de volgende regels gelden:
a. Het bouwen moet plaatsvinden met inachtneming van de cultuurhistorische waarden als bedoeld in artikel 19.1;
(...)
c. indien het bouwen betrekking heeft op de uiterlijke verschijningsvorm van een bouwwerk dient voorafgaande aan het bouwen over de cultuurhistorische waarden als bedoeld in voornoemd aanwijzingsbesluit en de toelichting daarop, advies te worden ingewonnen bij de commissie als bedoeld in artikel 1, lid 9 van de Monumentenverordening Den Haag of een deskundig lid van die commissie;
(...).
5.3.
Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk geweigerd in geval van, kort gezegd, (a) strijd met het Bouwbesluit 2012, (b) strijd met de bouwverordening, (c) strijd met het bestemmingsplan of (d) strijd met de redelijke eisen van welstand.
5.4.
De in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo vermelde weigeringsgronden zijn limitatief en imperatief van aard. Dit betekent dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd als de bouwactiviteit in strijd is met één of meer genoemde weigeringsgronden en dat de omgevingsvergunning moet worden verleend, indien geen sprake is van één van deze weigeringsgronden. Gelet op de dwingende formulering van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo staat het verweerder niet vrij om een ruimer toetsingskader te hanteren en zal hij ook aan een belangenafweging niet kunnen toekomen.
5.5.
Voor zover een gevraagde activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, is het college in beginsel bevoegd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Deze omgevingsvergunning kan alleen worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
5.6.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Vergunningplicht
6. Eiser voert aan dat het college de omgevingsvergunning voor het vervangen van de dakpannen ten onrechte heeft geweigerd wegens strijd met redelijke eisen van welstand en strijd met het bestemmingsplan. Het college had moeten concluderen dat een omgevingsvergunning niet is benodigd, omdat sprake is van gewoon onderhoud.
6.1.
De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van gewoon onderhoud als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) omdat de wijziging van het type dakpan met zich brengt dat detaillering, profilering en vormgeving van het bouwwerk niet ongewijzigd blijven. Het college heeft dan ook terecht geconcludeerd dat een omgevingsvergunning vereist is voor het vervangen van de dakpannen op eisers woning. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Hoor en wederhoor
7. Eiser betoogt dat in het kader van de welstandsadvisering onvoldoende hoor- en wederhoor heeft plaatsgevonden. De welstandscommissie heeft nog een tweede keer geadviseerd, en daarna is eiser ten onrechte niet meer in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.
7.1.
Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank dat eiser diverse malen de gelegenheid heeft gehad om zijn standpunten over welstand naar voren te brengen. Eiser heeft bezwaar gemaakt, hij heeft de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie bijgewoond, en hij heeft nadere stukken van [naam 1] van mei 2024 en 26 augustus 2024 ingediend. Vervolgens heeft de welstandscommissie gereageerd op wat [naam 1] naar voren heeft gebracht. Voor wat betreft het laatste advies van de welstandscommissie van 2 december 2024 kan de rechtbank het college volgen in het standpunt dat het getuigt van zorgvuldige besluitvorming om een in het kader van het in de bezwaarfase door eiser overgelegd stuk te laten beoordelen door de welstandscommissie en dat het niet nodig is om eiser vervolgens in de gelegenheid te stellen weer te reageren op die reactie van de welstandscommissie, voordat op het bezwaar wordt beslist. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Welstand
Advisering welstandscommissie en opvolgende reacties
8. Volgens eiser is geen sprake van strijd met redelijke eisen van welstand en had het college de omgevingsvergunning niet om deze reden kunnen weigeren. Eiser voert aan dat de welstandscommissie haar referentiegebied telkens heeft aangepast, nadat eiser aantoonde dat in het beschermde gebied een grote verscheidenheid aan dakpannen bestaat. In het besluit van 9 oktober 2023 nam het college nog de hele wijk in ogenschouw. Toen eiser stelde dat dit niet terecht was, heeft het college in zijn brief van 26 april 2024 het standpunt ingenomen dat je niet moet kijken naar het gehele rijksbeschermd stadsgezicht, maar naar een deel daarvan, namelijk het ensemble [straatnaam 1] / [straatnaam 2] . Vervolgens heeft eiser in zijn brief van 30 augustus 2024 laten zien dat binnen dit ensemble bijna geen dak hetzelfde is en dat binnen het ensemble de dakpannen op eisers woning dus geen inbreuk vormen. Toch is het standpunt van het college herhaald in het advies van 2 december 2024. Daarin is het doelgebied verder verkleind tot de twee huizen op de kruising [straatnaam 1] / [straatnaam 2] . Volgens eiser is niet het ensemble maar het hele beschermd stadsgezicht bepalend. Ook is miskend dat de dakpannen geen onderdeel zijn van de Haagsche School en dat deze geen bescherming behoeven. Dit standpunt wordt bevestigd door [naam 1] . Verder wijst eiser erop dat op de in het ensemble staande woning [adres 2] , tegenover zijn woning, dakpannen liggen van een oranje kleur en dit afwijkt van de kleurstelling die destijds door architect [naam 3] is beoogd. Eiser vindt het vreemd dat het college daartegen niet optreedt, maar wel zijn aanvraag om een omgevingsvergunning weigert.
8.1.
Verder beroept eiser zich op het gelijkheidsbeginsel. Er staan in het beschermd stadsgezicht 61 woningen met daken met daarop Tuile du Nord dakpannen, waaruit blijkt dat zijn dak met Tuile du Nord dakpannen in de omgeving past en de gemeente kennelijk geen bezwaar heeft tegen deze dakpannen. Overigens heeft de bezwaarschriftencommissie in haar advies vermeld dat het college het besluit voor wat betreft het beroep op het gelijkheidsbeginsel nader had moeten motiveren om het besluit stand te kunnen laten houden. Die motivering is volgens eiser niet in het bestreden besluit opgenomen, waarbij geldt dat de bezwaarschriftencommissie het college had moeten adviseren de omgevingsvergunning alsnog te verlenen.
8.2.
De rechtbank overweegt als volgt. De welstandscommissie heeft op 4 oktober 2023 als volgt geadviseerd:
“Niet akkoord
Het bouwplan is getoetst aan de Welstandsnota en beoordeeld in het kader van de dubbelbestemming ‘Waarde-Cultuurhistorie’.
De commissie kan niet instemmen met het vervangen van de oorspronkelijke Romaanse pan voor een Tuile du Nord. Aangegeven wordt dat beide reeds op het dak aanwezig zijn. Dit blijkt niet uit de foto’s of tekeningen. Onduidelijk is waar dat het geval is. Op de tekeningen is ook duidelijk te zien dat de voorgestelde Tuile du Nord een heel ander vlak kapaanzicht zal geven in tegenstelling tot de Romaanse rondere pan. De commissie kan niet instemmen met de nieuwe platte pan, deze is niet passend bij de bestaande architectuur.”
8.3.
Vervolgens heeft eiser het document van [naam 1] van mei 2024 ingebracht. [naam 1] heeft in mei 2024 een algemene beschouwing gegeven over de dakpan en de Nieuwe Haagse School als bouwstijl. [naam 1] concludeert in zijn document dat Tuile du Nord een oorspronkelijk onderdeel is van het rijke arsenaal van de Nieuwe Haagse School, waarin geen enkel type dakpan een monopolie heeft.
8.4.
In een brief van 23 april 2024 heeft het college gereageerd op de door de bezwaarschriftencommissie naar aanleiding van de hoorzitting gestelde vragen. Daarin heeft het college onder meer het volgende opgemerkt:
“Afdeling Welstand:
In de Welstandsnota staat beschreven dat de dakbedekking, in dit geval een dakpan, passend moet zijn bij de architectuur en de architectuur stijl. Dat is bij de nieuwe voorgestelde pan niet het geval. Deze is niet passend bij deze architectuur. Dit komt niet voor bij de architectuur van [naam 3] (Haagse school), die een deel van deze wijk gebouwd heeft.
Dakbedekking (Welstandsnota)
- De dakbedekking van een kap is een eenheid.
De kap van een gebouw wordt gevormd door meerdere dakschilden. De dakbedekking daarvan moet op elkaar aansluiten en een eenheid vormen. Zo blijft de kap herkenbaar als een volume en vormgevend element in de architectuur van het gebouw.
- De dakbedekking vertoont samenhang met de architectuur van de gevel.
Het uiterlijk van de dakbedekking (de vormgeving, de materialen, de detaillering en de kleurstelling) moet passen in de architectuur en de architectuurstijl van het gebouw waarvan deze deel uitmaakt.
- De aansluiting van de dakbedekking op een ander dak- of gevelvlak is zorgvuldig.
Een zorgvuldige aansluiting van de dakbedekking op een ander dak- of gevelvlak, bijvoorbeeld de aansluiting van twee dakschilden op elkaar door middel van een hoekkeper of van de dakbedekking tegen een muur, zorgt er in het geval van een schuin dak voor dat het dakschild herkenbaar blijft als vormgevend element in de architectuur van het gebouw.
Daarbij staat in de toelichting van het Rijks beschermde stadsgezicht het volgende:
De hoge kwaliteit van architectuur. Hier wordt benadrukt dat de architectuur erg belangrijk is. De voorgestelde vervangende pan past niet bij de architectuurstijl en is daarom een aantasting van het beschermd stadsgezicht.
De [straatnaam 1] ligt in het stukje van [naam 3] en in dat
stukje wijk komen geen Tuile du Nord oorspronkelijk voor (…)
In onderstaand stuk samenvatting van het Rijksbeschermd Stadsgezicht wordt gesproken over de homogeniteit van de stedenbouwkundige ensembles. Dat is meervoud. Er zijn in de wijk dus verschillende ensembles. En dit deel is er een van. In het groen omkaderende stuk hierboven is geen Tuile du Nord te vinden. De parkflat links hiervan hoort ook nog binnen het groene kader, die hoort er ook zeker bij. Alle pannen zijn hier bol.
Ook in de lijst van 61 adressen is geen adres genoemd wat in dit stukje voor komt. Dus in dit stukje van de wijk is de platte pan Tuile du Nord niet passend.
8.5.
Op 5 juni 2024 heeft de welstandscommissie nogmaals negatief geadviseerd over het bouwplan. In dat advies is het document van [naam 1] van mei 2024 betrokken. De welstandscommissie vermeldt in haar advies onder meer het volgende:
“De commissie geeft aan dat het betoog van dhr [naam 1] goed te volgen is. Het is
vooral een algemene beschouwing en niet toegespitst op deze specifieke woning. Het klopt dat [naam 3] in andere ontwerpen elders Tuile du Nord pannen heeft toegepast. Het klopt ook dat deze pan in deze wijk veelvuldig toegepast is. De woning waar de aanvraag nu over gaat is echter geen op zichzelf staande woning, maar maakt onderdeel uit van het ensemble samen met de [straatnaam 2] en het appartementencomplex ‘ [naam flat] ’. Een hecht stedenbouwkundig en architectonisch ensemble dat zich als sub buurt binnen de wijk [stadsdeel] onderscheid. Dit ensemble is in zijn geheel een samenhangend ontwerp geweest en is ook als zodanig uitgevoerd. In het aanwijzingsbesluit van het beschermde stadsgezicht wordt eveneens verwezen naar de hoge kwaliteit van de architectuur en de samenhang van de bebouwing met de stedenbouwkundige structuur. Dit ensemble wordt gekenmerkt door gelijksoortige detaillering en materialen, waaronder één type pan, die consequent is doorgevoerd en deel uit maakt van de kenmerkende
architectuur. Het dakenlandschap kenmerkt zich hier door het gebruik van een gewelfde pan (oorspronkelijke de klein Romaanse pan). Als deze mogelijk niet meer verkrijgbaar is, moet er gekeken worden naar een goede vervanging. Deze moet dan gezocht worden in eveneens een gewelfde pan. Waar nu voor gekozen is, een Tuile du Nord, is een vlakke pan. Door het gebruik van een vlakke plan ontstaat er op het dak ook een duidelijke ruitverdeling, die zeer atypisch is binnen dit ensemble.
Ook merkt de commissie op dat door het isoleren van buiten af en door de wijzigingen die aan de luifel/mastgoot aangebracht zijn de verhoudingen tussen de luifel, pan en nok gewijzigd zijn. Dit draagt ook niet bij aan het behoudt of het versterken van het karakteristieke beschermde stadsgezicht. De mastgoot lijkt te zweven tegen het dak aan. Zij geeft mee dat de aangeleverde detaillering, met name detail AA bestaand niet correct is getekend. Het nieuwe detail lijkt niet af te wijken maar wijzigt in werkelijkheid wel degelijk. Het resultaat is een ernstige aantasting van de kenmerkende beschermde architectuur en daarmee ook een aantasting van het rijksbeschermde stadsgezicht.”
8.6.
[naam 1] heeft op dit welstandsadvies gereageerd in een rapportage van 26 augustus 2024. Daarin heeft [naam 1] onder meer het volgende opgemerkt:
“- De commissie stelt dat het pand [adres 1] met de (vlakke)
Tuile du Nord-dakpan zich voordoet als een vreemde eend in de bijt: “Het
dakenlandschap kenmerkt zich hier door het gebruik van een gewelfde pan
(oorspronkelijke de kleine Romaanse pan).”
Er zijn echter meer typen dakpannen in de omgeving van de [straatnaam 2] en
[straatnaam 1] toegepast dan wordt voorgesteld (zie de extra bijlage).
Crucialer is de constatering dat het verschil tussen ‘vlak’ en ‘gewelfd’ niet of
nauwelijks waarneembaar is, ook niet op korte afstand van de panden. (…)
- Eveneens van fundamenteel belang is dat de commissie zich bij haar oordeel te eenzijdig beperkt tot het ensemble van de [straatnaam 2] en de [naam flat] . De omgeving van [adres 1] is niet hiertoe beperkt. Door de positionering binnen het ensemble is [adres 1] (net als [adres 2] ) vanuit de [straatnaam 2] niet waarneembaar (zie afb. 6). [adres 1] manifesteert zich pas goed vanaf de [straatnaam 1] zelf. Daarbij blijkt dat het gevelbeeld van het buurtje mede wordt bepaald door het ensemble (met andere karakteristiek) van de vrijstaande en
geschakelde villa’s langs de [straatnaam 3] (zie afb. 7). De panden
[straatnaam 3] [huisnummers] staan dan ook dichter bij [adres 1] dan de meest nabij gelegen buurman aan de [adres 3] . Concluderend is de ruimtelijke
organisatie van het gebied waarin [adres 1] ligt, complexer dan in de
toelichtende brief wordt voorgesteld en stoelt het advies op een te beperkte
waarneming.”
8.7.
Op 18 november 2024 heeft de bezwaarschriftencommissie advies uitgebracht. De bezwaarschriftencommissie ziet in de bezwaren van eiser en het door hem overgelegde document van [naam 1] geen reden om het advies van de welstandscommissie niet te volgen. Over eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel merkt de bezwaarschriftencommissie op dat het besluit op dit punt nog niet voldoende is gemotiveerd.
8.8.
In de brief van 2 december 2024 heeft de welstandscommissie hierop gereageerd. De welstandscommissie heeft daarin het volgende opgemerkt:
“De uiteenzetting van [naam 1] in zijn vertoog van 26 augustus 2024 betreffende het tot stand komen van het appartementengebouw [stadsdeel] en de rol van architect [naam 3] daarbij bevestigt het belang dat er vanaf vaststelling van het stedenbouwkundig plan in 1923 tot en met de gerealiseerde gewijzigde situatie met appartementen aan de ensemblewerking en samenhang van [straatnaam 2] / [straatnaam 1] is toegekend. Het overgeleverde rijksbeschermde ensemble moet dus als een bewuste architectonisch stedenbouwkundige compositie van hoge kwaliteit worden beschouwd.
Constaterende dat [naam 3] niet alleen als architect in [stadsdeel] werkzaam was maar tevens als supervisor van de architectuur voor deze hoog kwalitatieve woonwijk werkzaam was, zoals ook bij de totstandkoming van [adres 1] ;
Constaterende dat in het oorspronkelijke architectonisch stedenbouwkundige ontwerp van de dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting Den Haag 1923 de bebouwing aan de [straatnaam 2] en [straatnaam 1] een harmonisch symmetrische compositie vertegenwoordigt die tot stand is gekomen als zorgvuldig door supervisor [naam 3] geregisseerd ensemble;
Constaterende dat de samenhang in het architectonisch stedenbouwkundig ensemble van de [straatnaam 1] en [straatnaam 2] in oorsprong met name gedragen wordt door gelijkvormige architectuur van kappen met een gelijkvormige pannenbedekking van keramische klein Romaanse dakpannen in oranje kleur met een verbijzondering in blauw gesmoorde pannen op de kruising met de [straatnaam 1] ;
Constaterende dat er een wezenlijk verschil is qua architectonische uitstraling tussen een bedekking met een kleine Romaanse dakpan en een Tuile du Nord, hetgeen met name in situ ??? goed kan worden waargenomen, beter dan op foto’s;
Komen we tot de conclusie dat het ensemble [straatnaam 2] - [straatnaam 1] aldus te kenmerken is als een zorgvuldig in materiaal, vorm en detail door supervisor [naam 3] geregisseerd geheel dat architectonisch stedenbouwkundig van bijzondere kwaliteit is binnen het beschermd stadsgezicht [stadsdeel] . Het loslaten van de eenheid in vorm en detail van het samenhangende dakenlandschap moet worden gekenschetst als een ernstig storende inbreuk op de cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht.”
8.9.
In het bestreden besluit worden het advies van de bezwaarschriftencommissie en de nadere motivering van de welstandscommissie in de brief van 2 december 2024 overgenomen en wordt het afwijzende besluit van 9 oktober 2023 gehandhaafd.
Toetsingskader welstandsadvisering
8.10.
Uit vaste rechtspraak [1] volgt dat, hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college zelf ligt, het college op dat advies mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor andere adviseurs. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.
Mocht het college afgaan op de adviezen van de welstandscommissie?
8.11.
De rechtbank ziet in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat het college het welstandsadvies niet aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen. Daartoe overweegt de rechtbank dat de welstandscommissie steeds heeft gereageerd op de inbreng van deskundige [naam 1] , waarbij diens bevindingen voldoende zijn weerlegd. De rechtbank ziet ook geen aanknopingspunten voor de door eiser gestelde “tunnelvisie” van één van de leden van de welstandscommissie, de heer [naam 6], die heeft geleid tot negatieve advisering van de welstandscommissie. Eiser heeft deze stelling niet concreet onderbouwd. Zoals door het college naar voren gebracht is het advies van 2 december 2024 ondertekend door de heer [naam 4] en blijkt uit het advies van 5 juni 2024 dat de welstandscommissie werd gevormd door de leden [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] .
8.12.
Verder kan de rechtbank het college volgen in het standpunt dat uit het aanwijzingsbesluit blijkt dat specifieke onderdelen van het beschermd stadsgezicht worden benoemd. Op pagina 3 van de toelichting bij het aanwijzingsbesluit is vermeld dat [stadsdeel] wordt gekenmerkt door “in kleine eenheden geschakelde villa’s”. Op pagina 4 worden elementen genoemd van de subbuurten “ [straatnaam 4] , [straatnaam 3] en [straatnaam 1] ” en wordt melding gemaakt van “stedenbouwkundige ensembles”. Op pagina 5 van de toelichting wordt melding gemaakt van “de verschillende delen van het gebied” en worden verschillende architectonische hoogtepunten binnen de wijk vermeld. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de welstandscommissie bij de beoordeling van het bouwplan een te beperkt gebied in aanmerking heeft genomen, door het ensemble [straatnaam 1] / [straatnaam 2] als uitgangspunt te nemen bij de beoordeling van de vraag of de door eiser geplaatste dakpannen passen bij de dakbedekking binnen het rijksbeschermd stadsgezicht.
8.13.
De rechtbank kan eiser volgen in zijn standpunt dat het aanwijzingsbesluit niet specifiek ziet op het type dakpan dat in dit gebied wordt gebruikt. De rechtbank is echter van oordeel dat dit niet hoeft te betekenen dat een wijziging van het oorspronkelijke type dakpan geen aantasting van het beschermd stadsgezicht zou kunnen opleveren. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het ensemble [straatnaam 1] / [straatnaam 2] als uitgangspunt mocht worden genomen bij de beoordeling. Binnen dit ensemble komen geen Tuile du Nord dakpannen voor. De rechtbank ziet dit ook bevestigd in de door eiser bij brief van 30 augustus 2024 overgelegde document “ [stadsdeel] Roof Tiles Inventory”. Daarom heeft het college zich in het licht van het voorgaande en gelet op de adviezen van de welstandscommissie op het standpunt kunnen stellen dat Tuile du Nord dakpannen niet passen binnen het ensemble en daarom een aantasting van het beschermd stadsgezicht betekenen. Dat, zoals eiser stelt, de dakpannen van het pand [adres 2] oranje zijn en dit afwijkt van de kleurstelling die destijds door de architect is beoogd, brengt naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat het college de in vorm afwijkende dakpannen op eisers woning niet als een aantasting van het ensemble en het beschermde stadsgezicht heeft kunnen aanmerken. Verder volgt uit de door eiser naar voren gebrachte omstandigheid dat aan hem in december 2025 een vergunning is verleend voor het plaatsen van zonnepanelen op het dak, niet dat de aangebrachte dakpannen geen inbreuk maken op het beschermd stadsgezicht. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit het positieve welstandsadvies voorafgaand aan het verlenen van de vergunning voor het plaatsen van zonnepanelen niet kan worden afgeleid dat een negatief advies over de plaatsing van dakpannen onjuist is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het positieve welstandsadvies over de zonnepanelen verband houdt met de vermindering van het aantal zonnepanelen op het dak van eisers woning. Anders dan de hier aan de orde zijnde plaatsing van dakpannen beslaan de zonnepanelen daarmee niet het gehele dak.
8.14.
Tot slot kan de door eiser gemaakte vergelijking met een positief advies van de welstandscommissie over de vervanging van dakpannen op tennispark [tennispark] geen doel treffen. Daartoe wordt overwogen dat het gebouw op het tennispark geen deel uitmaakt van het ensemble en ook op ruimte afstand ligt van eisers perceel. De enkele stelling dat daar wijziging van de dakpanvorm wel wordt toegestaan is onvoldoende om te oordelen dat de welstandsadvisering ten aanzien van de dakpannen op eisers woning niet had mogen worden gevolgd.
Gelijkheidsbeginsel
8.15.
Eiser betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en dat het bestreden besluit op dit punt niet nader is gemotiveerd, zoals wel geadviseerd door de bezwaarschriftencommissie.
8.16.
De rechtbank overweegt als volgt. In het advies van de bezwaarschriftencommissie is vermeld dat de commissie geen aanleiding ziet voor het oordeel dat het college het welstandsadvies niet aan het besluit ten grondslag mocht leggen. Wel stelt de bezwaarschriftencommissie dat het besluit ten aanzien van de door eiser in het kader van het beroep op het gelijkheidsbeginsel naar voren gebrachte 61 gevallen waarin sprake is van Tuile du Nord dakpannen niet voldoende draagkrachtig is gemotiveerd en dat het besluit op dit punt nader gemotiveerd moet worden.
8.17.
De rechtbank is van oordeel dat die nadere motivering impliciet volgt uit de in het verweerschrift aangehaalde brief van 2 december 2024 van de welstandscommissie, waarin de aangebrachte dakpannen worden gerelateerd aan het ensemble [straatnaam 1] / [straatnaam 2] . Daaruit volgt het standpunt van het college dat de 61 gevallen, die buiten het ensemble liggen, niet relevant zijn voor de beoordeling van de welstandelijke aanvaardbaarheid van Tuile de Nord dakpannen op eisers woning. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee alsnog toereikend gemotiveerd dat de 61 gevallen waarin sprake is van Tuile du Nord dakpannen geen bij de welstandsbeoordeling te betrekken gelijke gevallen zijn. Omdat deze motivering niet kenbaar is opgenomen in het bestreden besluit is sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet aanleiding dit gebrek te passeren met artikel 6:22 van Pro de Awb, omdat niet aannemelijk is dat eiser daardoor benadeeld is.
Had het college ondanks het negatieve welstandsadvies de omgevingsvergunning moeten verlenen?
9. Eiser betoogt dat de gevolgen van het weigeren van de omgevingsvergunning voor hem buitenproportioneel zijn. Daartoe voert hij aan dat hoge kosten zijn gemoeid met vervanging van de dakpannen en dat de kleine Romaanse dakpan niet langer is te verkrijgen. Eiser stelt verder dat de kleine Romaanse dakpan niet langer voldeed bij storm. Bij storm zijn deze dakpannen al eens losgekomen en van het dak gevallen.
9.1.
Dit betoog slaat niet. Uit vaste rechtspraak [2] volgt dat het college van een negatief welstandsadvies mag afwijken op grond van overwegingen van algemeen belang, zoals economische of maatschappelijke belangen, maar ook op overwegingen die niet zien op het algemeen belang, zoals individuele omstandigheden die de aanvrager betreffen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college geen aanleiding hoeven zien om van het negatieve welstandsadvies af te wijken. Tegenover het financiële belang van eiser staan de door het college betrokken algemene belangen, in het bijzonder dat van bescherming van het rijksbeschermd stadsgezicht. De rechtbank volgt het college in het standpunt dat aan de financiële gevolgen van eiser geen doorslaggevend gewicht toekomt, waarbij van belang is dat eiser kosten heeft gemaakt voor het vervangen van de dakpannen zonder te beschikken over een omgevingsvergunning. Eiser heeft verder niet concreet onderbouwd dat de kleine Romaanse dakpan niet langer is te verkrijgen en dat deze dakpannen niet bestand zijn tegen storm. In die stellingen ziet de rechtbank daarom evenmin grond voor het oordeel dat het college van het negatieve welstandsadvies had moeten afwijken.
Strijd met het bestemmingsplan10. Voor zover eiser betoogt dat geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan, slaagt dit betoog niet. Gelet op wat hiervoor is geoordeeld over de door het college overgenomen beoordeling van de welstandscommissie, heeft het college met juistheid vastgesteld dat het bouwplan in strijd is met de bouwregels in artikel 19.2 van het bestemmingsplan. De beroepsgronden van eiser zijn verder niet specifiek gericht tegen de weigering van het college om ten gunste van het bouwplan af te wijken van het bestemmingsplan. Nog daargelaten dat afwijking van het bestemmingsplan niet zou afdoen aan de weigeringsgrond van strijd met redelijke eisen van welstand, geeft het beroep geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte niet is afgeweken van het bestemmingsplan.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit stand houdt. Omdat de rechtbank een motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb passeert, is er aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van eiser en te bepalen dat het college het griffierecht aan eiser vergoedt.
10.1.
Eiser heeft recht op een proceskostenvergoeding van € 1.868,- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van 934,-, en een wegingsfactor 1). Eiser vraagt om vergoeding van deskundigenkosten voor werkzaamheden ten behoeve van de zitting van in totaal € 1.424,78 (€ 1.134,38 voor werkzaamheden van de heer [naam 2] en € 290,40 voor de heer [naam 1] . Naar het oordeel van de rechtbank komen ook deze proceskosten voor vergoeding in aanmerking, omdat het inroepen van deskundigen met betrekking tot architectuur en welstand redelijk was en de kosten zelf redelijk zijn. Het college heeft de op zitting voorgehouden deskundigenkosten ook niet betwist.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 3.292,78 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) 5 juni 2024, ECLI:RVS:2024:2336, r.o. 15.1.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:464.