In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 7 januari 2026, wordt een opvolgend beroep behandeld van eisers die zich wenden tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op hun aanvragen tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank heeft in een eerdere procedure de minister opgedragen om vóór 30 juli 2025 een beslissing te nemen, maar deze termijn is niet nageleefd. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is.
De rechtbank constateert dat het dossier mogelijk nog niet compleet is, omdat de minister nog documenten moet beoordelen en van plan is om een herstelverzuim te sturen. Desondanks legt de rechtbank de minister een nieuwe beslistermijn op van vier weken na de bekendmaking van deze uitspraak. Indien de minister deze termijn overschrijdt, moet hij een dwangsom van € 100,- per dag betalen, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank acht deze dwangsom redelijk, gezien het feit dat een eerdere dwangsom niet heeft geleid tot een besluit.
Daarnaast moet de minister de proceskosten van eisers vergoeden, vastgesteld op € 467,-, evenals het door eisers betaalde griffierecht van € 194,-. De uitspraak is gedaan door rechter A.G.D. Overmars en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.