ECLI:NL:RBDHA:2026:15710

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
NL26.28805
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.R. van der Winkel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 94 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging maatregel van bewaring wegens weigering medewerking aan terugkeer vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie heeft op 20 mei 2026 besloten de maatregel van bewaring van eiser met maximaal twaalf maanden te verlengen, ingaande 27 mei 2026. Eiser, van Gambiaanse nationaliteit, stelde beroep in tegen dit verlengingsbesluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 behandeld.

De rechtbank constateert dat de minister de gronden voor de verlenging zorgvuldig heeft beoordeeld en toegelicht. Eiser heeft de zware gronden waarop de verlenging is gebaseerd niet inhoudelijk betwist. De rechtbank benadrukt dat de maatregel van bewaring een ultimum remedium is, en dat verlenging alleen gerechtvaardigd is als er geen lichter middel toepasbaar is.

Eiser weigert actief mee te werken aan zijn terugkeer, is niet in het bezit van een geldig paspoort en heeft meerdere keren zonder geldige reden niet deelgenomen aan vertrekgesprekken en presentaties bij de Gambiaanse autoriteiten. Hierdoor frustreert hij de mogelijkheden om een vervangend reisdocument te verkrijgen. De rechtbank oordeelt dat er geen redelijk vooruitzicht is op vrijwillige terugkeer zonder verlenging van de bewaring.

De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat de detentie onredelijk bezwarend is en concludeert dat de minister de maatregel van bewaring terecht heeft verlengd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28805

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2026 heeft de minister de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd, ingaande op 27 mei 2026.
Eiser heeft tegen het verlengingsbesluit beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M. Pater, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Ochieng. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1978.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw [1] dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. Via artikel 94, zevende lid, eerste volzin, van die wet geldt hetzelfde voor het verlengingsbesluit. Voor de verlenging van de maatregel van bewaring geldt verder op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw dat deze maatregel na afloop van zes maanden met maximaal nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering of de daarvoor benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
Gronden
3. Eiser refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de gronden die aan het verlengingsbesluit ten grondslag zijn gelegd.
4. De minister heeft ter zitting de lichte grond 4b laten vallen.
5. De rechtbank stelt vast dat de minister de gronden die in eerste instantie aan de maatregel van bewaring ten grondslag waren gelegd, voor de verlenging van de maatregel van bewaring opnieuw heeft beoordeeld en toegelicht. De minister heeft in dit geval aan de vereiste vaststelling van de feitelijke juistheid voldaan ten aanzien van de zware gronden en eiser heeft de daaruit voortvloeiende rechtsvermoedens niet (voldoende) weerlegd. Eiser heeft immers de verwijtbare gedragingen of uitlatingen van de zware gronden 3a, 3b, 3c, 3d en 3i niet inhoudelijk betwist en reeds hierdoor zijn er voldoende gronden van toepassing die het verlengingsbesluit kunnen dragen. De overige gronden laat de rechtbank daarom onbesproken.
Minder ver strekkende maatregel
6. Eiser wil zijn verwijdering uit Nederland in vrijheid afwachten, met oplegging van
– bijvoorbeeld – een verzwaarde meldplicht. Het opleggen van een maatregel van bewaring is een ultimum remedium en dat maakt dat het verlengen van zo’n maatregel nog een stap verder gaat. Eiser vraagt zich af wat maakt dat hij in die uitzonderlijke categorie valt van vreemdelingen van wie de maatregel van bewaring na zes maanden wordt verlengd.
7. De rechtbank stelt vast dat de minister in het verlengingsbesluit genoegzaam heeft toegelicht dat en waarom de maatregel van bewaring in het geval van eiser wordt verlengd en er geen aanleiding bestaat voor het toepassen van een lichter middel. Van een motivatiegebrek is dan ook geen sprake. Bij de beoordeling van het lichter middel heeft de minister, naast de gronden, ook betrokken dat eiser continu weigert om actief en volledig mee te werken aan terugkeer naar zijn land van herkomst. Eiser is niet in het bezit van een geldig paspoort en onderneemt ook niets om in het bezit te komen van een geldig reisdocument. Eiser is meermalen zonder opgave van een geldige reden niet verschenen op vertrekgesprekken. Daar komt bij dat hij driemaal geweigerd heeft om zijn medewerking te verlenen aan voor hem geplande presentaties in persoon. Dat maakt dat eiser de mogelijkheden die de minister creëert om een vervangend reisdocument voor hem te verkrijgen van de autoriteiten van Gambia actief frustreert. Ook ter zitting heeft eiser meermalen herhaald dat hij in Nederland wil blijven en niet wil vertrekken. Door deze non-coöperatieve houding is het niet aannemelijk dat het toepassen van een lichter middel ook zou kunnen leiden tot (vrijwillig) vertrek van eiser naar zijn land van herkomst. De rechtbank is dan ook met de minister van oordeel dat er geen andere afdoende maar dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast dan (verlenging van) de maatregel van bewaring. Er is voorts gesteld noch gebleken van omstandigheden waaruit blijkt dat de detentie voor eiser onredelijk bezwarend is geworden. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Redelijk vooruitzicht op verwijdering
8. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Niet gebleken is dat er op korte termijn een uitzetting valt te verwachten. Het afwachten van de uitkomst van de schriftelijke presentatie is daartoe in elk geval onvoldoende, aldus eiser.
9. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. De rechtbank herhaalt dat eiser driemaal een voor hem geplande presentatie in persoon bij de Gambiaanse autoriteiten heeft geweigerd. Dat maakt dat de minister thans is overgegaan tot een schriftelijke presentatie van eiser. De minister is in afwachting van de uitkomst van het onderzoek door de Gambiaanse autoriteiten en tot op heden hebben deze autoriteiten niet verklaard dat aan eiser geen lp [2] zal worden verstrekt. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat de Gambiaanse autoriteiten onwelwillend zouden zijn om aan eiser een vervangend reisdocument te verstrekken. Integendeel, zij stemden na elke weigering van eiser weer in met een nieuwe datum voor een presentatie in persoon. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toets
10. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat (het voortduren en verlengen van) de maatregel van bewaring onrechtmatig is. [3] Conclusie
11. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister de bewaring met ten hoogste twaalf maanden mocht verlengen.
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. van der Winkel, rechter, in aanwezigheid van
D.K. Bloemers, griffier.De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist over het verlengingsbesluit hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist over het voortduren van de bewaring geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Laissez-passer (lp).
3.Zie ECLI:EU:C:2022:858 en ECLI:EU:C:2025:647 en ECLI:EU:C:2026:148.