Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
Overwegingen
Met een door de minister opgelegd inreisverbod heeft eiser geen mogelijkheid om terug te keren naar Italië. Eiser meent dan ook dat het inreisverbod niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. [3]
– ondanks dat hem daar wel naar is gevraagd – niet gegeven. Ook heeft eiser enkel verklaard dat hij een werkvergunning zou hebben voor Italië. In deze enkele verklaringen heeft de minister geen aanleiding hoeven zien voor een nader onderzoek.
Ter zitting verklaart eiser desgevraagd dat de man in Italië van wie hij zegt dat het zijn broer is geen biologische broer van hem is, maar iemand die hij kent vanuit zijn land van herkomst. Deze persoon is eiser gaan beschouwen als een broer, maar inmiddels heeft hij ruzie met hem. Verder verklaarde eiser ter zitting dat hij niet wil terugkeren naar Italië.
Gelet op het voorgaande bestaat er geen grond voor het oordeel dat eiser familie heeft in Italië, althans geen familie in die zin dat de minister had (of alsnog zou) moeten toetsen aan het bepaalde in artikel 8 van Pro het EVRM. Van een onzorgvuldige voorbereiding en/of ondeugdelijke motivering van het inreisverbod is de rechtbank dan ook niet gebleken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
Op de strafrechtelijke staandehouding is ook een strafrechtelijke aanhouding gevolgd op grond van overtreding van de Wet op de Identificatieplicht en artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. De vreemdelingenrechter kan niet oordelen of deze strafrechtelijke aanhouding terecht is geweest. Het is immers niet aan de rechter in vreemdelingenzaken om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw toegekende bevoegdheden. In de door eiser ter zitting opgeworpen (overigens niet concrete) vragen over het voortraject, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Gronden
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Voor wat betreft de zware gronden 3a en 3c stelt de rechtbank vast dat de minister de feitelijke juistheid van deze gronden in de maatregel van bewaring voldoende heeft toegelicht. Dat eiser een warrige indruk maakt, doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze gronden. De rechtbank zal hieronder onder het kopje ‘
Een minder ver strekkende maatregel’ nader ingaan op de gestelde geestelijke conditie van eiser. Voor wat betreft de lichte gronden stelt de rechtbank vast dat minister naast het voldoende toelichten van de feitelijke juistheid ook een juiste nadere toelichting op deze gronden heeft gegeven.
9.1. Deze zware en de lichte gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en daarmee is het risico dat eiser zich zal onttrekken aan toezicht gegeven.
Wat eiser heeft aangevoerd over de overige zware gronden behoeft geen bespreking meer.
Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Minder ver strekkende maatregel
11.1. Voor wat betreft eisers geestelijke gesteldheid overweegt de rechtbank als volgt. De minister heeft ter zitting verklaard dat er aandacht is voor eisers geestelijke welzijn. Eiser wordt vanwege zijn opvallende gedrag geobserveerd en is geplaatst op een afdeling met extra zorg. Gesteld noch gebleken is dat eiser detentieongeschikt is.
Voortvarend handelen
Eiser is op 22 mei 2026 in bewaring gesteld en op 27 mei 2026 heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden. Op 3 juni 2026 is een lp voor eiser verzonden naar de Nigeriaanse autoriteiten en is het thans wachten op een antwoord van deze autoriteiten. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toets
Beslissing
D.K. Bloemers, griffier.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.