ECLI:NL:RBDHA:2026:15712

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
NL26.29007
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.R. van der Winkel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, VwArt. 62, tweede lid, VwArt. 64 VwArt. 66a, eerste lid, aanhef en onder a, VwArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen inreisverbod en maatregel van bewaring wegens risico op toezichtontduiking

De minister van Asiel en Migratie legde aan eiser een inreisverbod van twee jaar en een maatregel van bewaring op op grond van de Vreemdelingenwet. Eiser voerde aan dat het inreisverbod onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, mede omdat hij familie en een werkvergunning in Italië zou hebben. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde voor deze familieband en dat de minister geen aanleiding had tot nader onderzoek. Het beroep tegen het inreisverbod werd daarom ongegrond verklaard.

Ten aanzien van de maatregel van bewaring stelde de minister dat er sprake was van een risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken, mede vanwege het niet op de juiste wijze binnenkomen van Nederland, eerdere overtredingen en onvoldoende medewerking aan identificatie. Eiser betwistte enkele gronden, maar de rechtbank vond de feiten voldoende onderbouwd en oordeelde dat geen minder ingrijpende maatregel passend was. Ook de geestelijke gesteldheid van eiser werd meegewogen, waarbij werd vastgesteld dat hij niet detentieongeschikt is.

De rechtbank wees het beroep tegen de maatregel van bewaring af en verwierp tevens het verzoek om schadevergoeding. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter A.R. van der Winkel en griffier D.K. Bloemers op 4 juni 2026 in Zwolle.

Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod en de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.29007 (maatregel van bewaring) en NL26.29008 (inreisverbod)

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2026 heeft de minister aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer Ankomah. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1988.
Ten aanzien van het inreisverbod, NL26.29008
2. Eiser voert aan dat de minister van het opleggen van het inreisverbod had moeten afzien, omdat een broer van eiser met zijn gezin in Italië woont [2] . Ook geeft eiser aan dat hij een werkvergunning heeft in Italië. Onduidelijk is of de minister informatie heeft opgevraagd bij de Italiaanse autoriteiten om de verblijfsstatus van eiser te onderzoeken.
Met een door de minister opgelegd inreisverbod heeft eiser geen mogelijkheid om terug te keren naar Italië. Eiser meent dan ook dat het inreisverbod niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. [3]
3. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw vaardigt de minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet Pro van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten op grond van artikel 62, tweede lid.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de motivering in het inreisverbod en de daaraan ten grondslag gelegde feiten van de minister voldoende om duidelijk te maken waarom de door eiser aangevoerde omstandigheden hem geen aanleiding hebben gegeven van het opleggen van het inreisverbod af te zien of de duur daarvan te verkorten. Eiser heeft in zijn gehoor voorafgaand aan het opleggen van het inreisverbod enkel verklaard dat hij een broer heeft die in Italië woont. Nadere informatie over de broer (en zijn gezin) heeft eiser
– ondanks dat hem daar wel naar is gevraagd – niet gegeven. Ook heeft eiser enkel verklaard dat hij een werkvergunning zou hebben voor Italië. In deze enkele verklaringen heeft de minister geen aanleiding hoeven zien voor een nader onderzoek.
Ter zitting verklaart eiser desgevraagd dat de man in Italië van wie hij zegt dat het zijn broer is geen biologische broer van hem is, maar iemand die hij kent vanuit zijn land van herkomst. Deze persoon is eiser gaan beschouwen als een broer, maar inmiddels heeft hij ruzie met hem. Verder verklaarde eiser ter zitting dat hij niet wil terugkeren naar Italië.
Gelet op het voorgaande bestaat er geen grond voor het oordeel dat eiser familie heeft in Italië, althans geen familie in die zin dat de minister had (of alsnog zou) moeten toetsen aan het bepaalde in artikel 8 van Pro het EVRM. Van een onzorgvuldige voorbereiding en/of ondeugdelijke motivering van het inreisverbod is de rechtbank dan ook niet gebleken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
4. Het beroep tegen het inreisverbod is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Ten aanzien van de maatregel van bewaring, NL26.29007
Voortraject
6. Uit het proces-verbaal van aanhouding [4] in samenhang gelezen met het proces-verbaal van bevindingen [5] volgt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat eiser vanwege het slapen in een portiek van een bedrijf is staandegehouden in het kader van de uitoefening van (algemene) politietaken en niet in het kader van de uitoefening van een bij of krachtens de Vw toegekende bevoegdheid.
Op de strafrechtelijke staandehouding is ook een strafrechtelijke aanhouding gevolgd op grond van overtreding van de Wet op de Identificatieplicht en artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. De vreemdelingenrechter kan niet oordelen of deze strafrechtelijke aanhouding terecht is geweest. Het is immers niet aan de rechter in vreemdelingenzaken om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw toegekende bevoegdheden. In de door eiser ter zitting opgeworpen (overigens niet concrete) vragen over het voortraject, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Gronden
7. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
8. Eiser heeft de zware gronden 3b en 3d gemotiveerd betwist. De gemachtigde van eiser geeft te kennen dat eiser op hem een warrige indruk maakt en het de vraag is of eiser alles wel begrijpt.
9. De rechtbank overweegt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 [6] en de bevestiging van die uitspraak op 25 juli 2025 [7] dat voor het opleggen van (onder meer) de zware gronden 3a, 3b, 3c en 3d is vereist dat die gronden feitelijk juist zijn, en dat de minister daarop – als dat het geval is – geen nadere toelichting hoeft te geven. Dit betekent dat als de gronden feitelijk juist zijn, het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken in beginsel is gegeven.
Voor wat betreft de zware gronden 3a en 3c stelt de rechtbank vast dat de minister de feitelijke juistheid van deze gronden in de maatregel van bewaring voldoende heeft toegelicht. Dat eiser een warrige indruk maakt, doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze gronden. De rechtbank zal hieronder onder het kopje ‘
Een minder ver strekkende maatregel’ nader ingaan op de gestelde geestelijke conditie van eiser. Voor wat betreft de lichte gronden stelt de rechtbank vast dat minister naast het voldoende toelichten van de feitelijke juistheid ook een juiste nadere toelichting op deze gronden heeft gegeven.
9.1. Deze zware en de lichte gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en daarmee is het risico dat eiser zich zal onttrekken aan toezicht gegeven.
Wat eiser heeft aangevoerd over de overige zware gronden behoeft geen bespreking meer.
Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Minder ver strekkende maatregel
10. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser begrijpt volgens zijn gemachtigde niet alles even goed en maakt een warrige indruk.
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft bij deze beoordeling terecht de verklaringen, het gedrag van eiser en de gronden betrokken. Daar komt bij dat eiser tijdens verschillende gelegenheden te kennen heeft gegeven niet terug te willen keren naar zijn land van herkomst. De minister hoeft het risico niet te nemen dat eiser zich weer onttrekt en niet verschijnt op met hem gemaakte afspraken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
11.1. Voor wat betreft eisers geestelijke gesteldheid overweegt de rechtbank als volgt. De minister heeft ter zitting verklaard dat er aandacht is voor eisers geestelijke welzijn. Eiser wordt vanwege zijn opvallende gedrag geobserveerd en is geplaatst op een afdeling met extra zorg. Gesteld noch gebleken is dat eiser detentieongeschikt is.
Voortvarend handelen
11. Eiser meent dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Eiser is in het verleden vaker met de Nederlandse autoriteiten in aanraking gekomen en tijdens zo’n moment had de minister voor eiser al een lp [8] had kunnen aanvragen. Door de lp eerst tijdens eisers inbewaringstelling aan te vragen, handelt de minister niet voortvarend.
13. De rechtbank volgt eiser daarin niet. De minister had eiser eerder in bewaring kunnen stellen om een lp-procedure op te starten, maar heeft daar op die momenten niet voor gekozen. Dat kan en mag de minister doen. In het opstarten van een lp-procedure zonder zicht op een vreemdeling zoals eiser ,zonder vaste woon- en verblijfplaats, ziet de rechtbank geen meerwaarde. Immers, de kans dat eiser op het moment van een geplande presentatie of de daadwerkelijk uitzetting zich meldt is, zonder adres waar uitnodigingen naar kunnen worden verzonden of eiser kan worden opgehaald, zeer klein.
Eiser is op 22 mei 2026 in bewaring gesteld en op 27 mei 2026 heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden. Op 3 juni 2026 is een lp voor eiser verzonden naar de Nigeriaanse autoriteiten en is het thans wachten op een antwoord van deze autoriteiten. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toets
13. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat (het voortduren van) de maatregel onrechtmatig is. [9]
Conclusie
15. Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. van der Winkel, rechter, in aanwezigheid van
D.K. Bloemers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.En wijst in dit kader op artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
3.Als bedoeld in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Met proces-verbaalnummer: PL0900-2026175711-3.
5.Met proces-verbaalnummer: PL0900-2026175711-4.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), ECLI:NL:RVS:2020:829.
8.Laissez-passer (lp).
9.Zie ECLI:EU:C:2022:858 en ECLI:EU:C:2025:647 en ECLI:EU:C:2026:148.