ECLI:NL:RBDHA:2026:15713

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
C/09/703055 / KG ZA 26/371
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:8 BWArt. 2:15 lid 1 sub a BWArt. 2:239 lid 6 BWArt. 118 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing bestuurder en verbod uitoefening prioriteitsaandelen in vennootschap wegens wanbeheer en misbruik

In deze zaak vorderen eiseressen, bestaande uit een certificaathouder en een stichting administratiekantoor, de schorsing van de bestuurder en prioriteitsaandeelhouder van een vennootschap en een verbod op het uitoefenen van aan de prioriteitsaandelen verbonden rechten. De vordering volgt op een langdurig geschil tussen partijen, waarbij de bestuurder aanzienlijke schulden aan de vennootschap heeft en herhaaldelijk rechterlijke uitspraken niet is nagekomen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de bestuurder misbruik maakt van zijn positie als prioriteitsaandeelhouder en bestuurder door besluiten te nemen die de executie van vonnissen frustreren en de certificaathouder buitenspel zetten. Gezien de ernstige verstoorde verhouding en het uitblijven van betaling, bestaat een gerechtvaardigde vrees voor herhaling van wanbeheer.

De rechter wijst de vorderingen toe, schorst de bestuurder en verbiedt hem de rechten verbonden aan de prioriteitsaandelen uit te oefenen tot twee maanden na de uitspraak over zijn ontslag als bestuurder van de stichting administratiekantoor. Tevens wordt hij veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De voorzieningenrechter schorst de bestuurder en verbiedt hem de rechten van prioriteitsaandelen uit te oefenen tot twee maanden na uitspraak over zijn ontslag.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/703055 / KG ZA 26/371
Vonnis in kort geding van 28 mei 2026
in de zaak van

1.[eiseres sub 1] te [woonplaats] ,

2.
Stichting [eiseres sub 2]te [plaats] ,
eiseressen,
advocaat mr. R. Beele te Alphen aan den Rijn,
tegen:
[gedaagde ]te Doetinchem,
in zijn hoedanigheid van prioriteitsaandeelhouder en bestuurder van
DR [naam] STAMRECHT B.V.,
gedaagde,
advocaat mr. J. de Vries te Amsterdam.
Eiseres sub 1 wordt hierna ‘ [eiseres sub 1] ’ genoemd, eiseres sub 2 ‘de STAK’. Eiseressen worden gezamenlijk ‘ [eiseressen] c.s.’ genoemd. Gedaagde wordt hierna ‘ [gedaagde ] ’ genoemd. Dr [naam] Stamrecht B.V. wordt hierna ‘ [bedrijfsnaam] B.V.’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 april 2026 met producties 1 tot en met 13;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 24 en de op 7 mei 2026 nagezonden producties 25 en 26;
- de op 8 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
De datum voor vonnis is, na een aan partijen gemeld kort uitstel, bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eiseres sub 1] was getrouwd met de heer dr. [naam] ; zij is de moeder van [gedaagde ] .
2.2.
Op 13 december 1985 is [bedrijfsnaam] B.V. opgericht. Dit was oorspronkelijk de praktijk B.V. van dr. [naam] . Laatstgenoemde is op [datum] 2011 overleden.
2.3.
[eiseres sub 1] is sinds 10 augustus 2012 aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam] B.V. en alleen en zelfstandig bevoegd de vennootschap te vertegenwoordigen. Haar vermogen is (grotendeels) in de vennootschap ingebracht. [gedaagde ] is in 2016 gemachtigd op de bankrekeningen van [bedrijfsnaam] B.V. en op de privérekeningen van [eiseres sub 1] . [gedaagde ] is vanaf 17 oktober 2018 naast [eiseres sub 1] bestuurder van [bedrijfsnaam] B.V. en (ook) alleen en zelfstandig bevoegd om [bedrijfsnaam] B.V. te vertegenwoordigen. Hij is vanaf dat moment (de enige) prioriteitsaandeelhouder in de vennootschap. Op 17 oktober 2018 zijn de aandelen van [eiseres sub 1] geleverd aan de STAK, die dezelfde datum is opgericht; de STAK heeft aan [eiseres sub 1] certificaten van aandelen uitgegeven.
2.4.
Tussen [eiseres sub 1] en [gedaagde ] is een geschil gerezen. [bedrijfsnaam] B.V. en [eiseres sub 1] zijn een bodemprocedure gestart tegen [gedaagde ] bij de rechtbank Den Haag. In die procedure is op 11 januari 2023 vonnis gewezen. De rechtbank heeft in conventie onder meer als volgt geoordeeld:
Aan de veroordeling onder 5.2. ligt ten grondslag dat de heer [gedaagde ] verplichtingen tot rentebetalingen uit hoofde van een met [bedrijfsnaam] B.V. gesloten geldleningsovereenkomst niet is nagekomen. Geoordeeld is dat de gehele geldlening van € 600.000,- vermeerderd met kosten van € 14.690,- en minus een schenkingsbedrag van € 100.000,- en rente van € 4.500,- door de heer [gedaagde ] moet worden terugbetaald aan [bedrijfsnaam] B.V.
Aan de veroordeling onder 5.3. ligt ten grondslag dat de heer [gedaagde ] een lening die door mevrouw [gedaagde ] is verstrekt, niet (tijdig) heeft terugbetaald, zodat hij deze (met rente) moet terugbetalen.
Aan de veroordeling onder 5.4. ligt ten grondslag dat de heer [gedaagde ] ongerechtvaardigd is verrijkt door gelden van de bankrekening van mevrouw [gedaagde ] aan zichzelf over te maken, zodat hij gehouden is tot terugbetaling.
2.5.
Volgens de besluitenlijst van 23 maart 2023 is tijdens de vergadering van houders van prioriteitsaandelen in het kapitaal van [bedrijfsnaam] B.V. (in feite dus: door [gedaagde ] ), besloten tot:
het verlenen van de titel ‘gewone bestuurder’ aan [eiseres sub 1] met ingangsdatum de dag van ondertekening van dit besluit;
Het onderwerpen aan goedkeuring met ingangsdatum de dag van ondertekening van dit besluit door de prioriteit van alle besluiten te nemen door het bestuur van de vennootschap met betrekking tot het vonnis van 11 januari 2023, waaronder in ieder geval elk besluit aangaande
-
het instellen van hoger beroep van het vonnis van 11 januari 2023
-
het aanstellen van een advocaat namens de vennootschap;
-
elke uitvoeringshandeling (waaronder begrepen executie) met betrekking tot het vonnis van 11 januari 2023.
Door het besluit genoemd onder 1 kwam aan [eiseres sub 1] niet langer de bevoegdheid toe [bedrijfsnaam] B.V. zelfstandig te vertegenwoordigen (art. 14 lid 1 van Pro de statuten van [bedrijfsnaam] B.V.).
2.6.
[eiseres sub 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat de door [gedaagde ] genomen besluiten niet zijn te verenigen met hetgeen waartoe hij bij vonnis van 11 januari 2023 is veroordeeld en dat [gedaagde ] zijn positie van prioriteitsaandeelhouder misbruikt.
2.7.
Op 3 april 2023 heeft de bestuursvergadering van [bedrijfsnaam] B.V. plaatsgevonden. Uit de notulen van deze vergadering volgt dat aan de orde is geweest dat als gevolg van het prioriteitsbesluit [eiseres sub 1] als bestuurder geen zelfstandige bevoegdheid meer heeft om [bedrijfsnaam] B.V. te vertegenwoordigen. Ook wordt in de notulen melding gemaakt van drie ‘deelbesluiten’:
- deelbesluit 1: om de aan Beele Advocatuur en Van der Hoeden Advocatuur verstrekte opdracht te beëindigen;
- deelbesluit 2: om Köster Advocaten aan te stellen als advocaat van [bedrijfsnaam] B.V., en
- deelbesluit 3: om, waar het [bedrijfsnaam] B.V. betreft, onderzoek te doen naar de financiële situatie van de vennootschap, de herkomst van vermogen en de huidige rechten en verplichtingen van de vennootschap.
2.8.
[eiseres sub 1] is in kort geding opgekomen tegen onder meer het besluit van de bestuursvergadering van 3 april 2023 van [bedrijfsnaam] B.V. waarbij haar de zelfstandige bevoegdheid is ontnomen om de vennootschap te vertegenwoordigen. [eiseres sub 1] heeft daarvan de schorsing gevorderd. In hoger beroep – na wijziging van eis – heeft het gerechtshof Den Haag bij arrest van 16 april 2024 het besluit van de vergadering van houders van prioriteitsaandelen in het kapitaal van [bedrijfsnaam] B.V. van 23 maart 2023, waarbij de bevoegdheden van [eiseres sub 1] als zelfstandig handelend bestuurder van de vennootschap zijn ingetrokken geschorst totdat in een binnen een termijn van twee maanden na de datum van het arrest aanhangig te maken (bodem)procedure, waarin de vernietiging van dit besluit zal worden gevorderd, in hoogste resort zal zijn beslist. Ook de drie deelbesluiten van 3 april 2023 zijn geschorst, op overeenkomstige wijze. Het hof heeft in het arrest onder meer het volgende overwogen:
“Gelet op het doel van [bedrijfsnaam] B.V. is het in het belang van [bedrijfsnaam] B.V. mevrouw [eiseres sub 1] , dat aan dit vonnis wordt voldaan, dan wel dat het ten uitvoer wordt gelegd. (…) De enige belanghebbende bij het staken van de executiemaatregelen is de heer [gedaagde ] in privé als schuldenaar van [bedrijfsnaam] B.V. Gelet op de verwevenheid van de belangen van heer [gedaagde ] als prioriteitsaandeelhouder en schuldenaar van [bedrijfsnaam] B.V. kan een hoge(re) mate van zorgvuldigheid worden verlangd bij de besluitvorming door hem als enig prioriteitsaandeelhouder. Naar het voorlopig oordeel van het hof voldoet het bestreden besluit niet aan de gedragsnorm van artikel 2:8 BW Pro: de vergadering van prioriteitsaandeelhouders, bestaande uit de heer [gedaagde ] als enige prioriteitsaandeelhouder, heeft in het licht van alle hiervoor genoemde belangen naar redelijkheid en billijkheid niet tot het bestreden besluit kunnen komen, dat immers tot gevolg heeft dat de rechtmatige belangen van [bedrijfsnaam] B.V. worden gefrustreerd. Het hof acht dan ook voldoende aannemelijk dat het bestreden besluit door de bodemrechter zal worden vernietigd. De (primaire) vordering tot schorsing van het besluit van de vergadering van prioriteitsaandeelhouders van [bedrijfsnaam] B.V. van 23 maart 2023 is om die reden toewijsbaar.”(randnummer 4.15)
“Een bestuurder moet zich bij het vervullen van zijn taak richten naar het belang van de vennootschap. (…) De heer [gedaagde ] heeft er een persoonlijk belang bij dat [bedrijfsnaam] B.V. hoger beroep instelt tegen het vonnis waarbij hij in privé is veroordeeld de lening aan [bedrijfsnaam] B.V. terug te betalen, dat de executie van het vonnis wordt gestaakt en dat in verband hiermee andere advocaten worden aangesteld. Dit belang is in strijd met het belang van [bedrijfsnaam] B.V., zodat de heer [gedaagde ] niet had mogen deelnemen aan de besluitvorming (artikel 2:239 lid 6 BW Pro). Een vordering tot vernietiging van deze bestuursbesluiten op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW Pro zou in een bodemprocedure daarom kans van slagen hebben. De vordering tot schorsing van deze bestuursbesluiten van 3 april 2023 is om die reden toewijsbaar.”(randnummer 4.22)
2.9.
[eiseres sub 1] heeft op grond van een op 16 april 2024 verleend verlof ten laste van [gedaagde ] conservatoir beslag gelegd op twee onroerende zaken van [gedaagde ] . Ook heeft [eiseres sub 1] executoriaal beslag gelegd. [gedaagde ] heeft in kort geding de opheffing van beslagen gevorderd. Bij vonnis van 2 september 2024 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank zijn de vorderingen afgewezen.
2.10.
[eiseres sub 1] heeft [gedaagde ] verzocht of hij bereid was de door het hof geschorste besluiten in te trekken. [gedaagde ] wilde daar niet toe overgaan. Daarop heeft [eiseres sub 1] een bodemprocedure aanhangig gemaakt waarin zij de vernietiging van de besluiten heeft gevorderd. Op 19 november 2025 heeft de rechtbank Den Haag vonnis gewezen. De rechtbank Den Haag heeft het besluit van de houders van prioriteitsaandelen van 23 maart 2023 vernietigd. Ook het deelbesluit 2 van het bestuur van [bedrijfsnaam] B.V. van 3 april 2023 (het besluit om Köster Advocaten aan te stellen als advocaat van [bedrijfsnaam] B.V.) is door de rechtbank vernietigd. Deze beslissingen zijn niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard (omdat de besluiten door het gerechtshof in kort geding waren geschorst en geschorst zouden blijven). Deelbesluiten 1 en 3 van 3 april 2023 zijn in stand gebleven.
2.11.
Op 24 februari 2026 heeft het gerechtshof Den Haag arrest gewezen in de door [gedaagde ] aanhangig gemaakte hoger beroepsprocedure naar aanleiding van het gewezen vonnis van de rechtbank van 11 januari 2023 (randnummer 2.4.). Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, met uitzondering van de beslissing in overweging 5.4 en de afwijzing van het meer of anders gevorderde. Het hof heeft ter zake opnieuw recht gedaan en:
- [gedaagde ] veroordeeld om aan [eiseres sub 1] een bedrag van € 110.000,- te betalen (vermeerderd met wettelijke rente hierover vanaf 7 april 2021)
- [gedaagde ] veroordeeld om aan [bedrijfsnaam] B.V. een bedrag van € 330.332,91 te betalen (vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 7 april 2021).
2.12.
Op 7 april 2026 heeft [eiseres sub 1] een verzoekschrift ingediend strekkende tot ontslag van [gedaagde ] als bestuurder van de STAK.
2.13.
[bedrijfsnaam] B.V. heeft thans op [gedaagde ] een vordering van meer dan € 1.000.000,-. [gedaagde ] heeft tot op heden niets betaald.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres sub 1] c.s. vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde ] te schorsen als bestuurder van [bedrijfsnaam] B.V. en
II. [gedaagde ] te verbieden om de aan de prioriteitsaandelen verbonden rechten en bevoegdheden uit te oefenen;
tot twee maanden na de datum waarop in de procedure over het ontslag van [gedaagde ] als bestuurder van de STAK in hoogste ressort is beslist.
3.2.
Daartoe voeren [eiseres sub 1] c.s. – samengevat – het volgende aan.
[gedaagde ] is niet alleen debiteur van [bedrijfsnaam] B.V. maar hij is daarvan naast [eiseres sub 1] ook ‘algemeen’ (dus: zelfstandig tot vertegenwoordiging bevoegd) bestuurder. Ook is hij (de enige) prioriteitsaandeelhouder in [bedrijfsnaam] B.V. [gedaagde ] heeft misbruik gemaakt van die laatste hoedanigheid omdat hij vanwege het prioriteitsaandeelhoudersbesluit en de genomen deelbesluiten [eiseres sub 1] buiten spel heeft gezet en de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 januari 2023 heeft gefrustreerd. Daarom heeft [eiseres sub 1] een keten van noodzakelijke acties in gang moeten zetten om het belang van de vennootschap en haar positie daarin veilig te stellen. Dat [gedaagde ] zich schuldig heeft gemaakt aan wanbeheer volgt uit het bestaan van de vordering van [bedrijfsnaam] B.V. op hem. Tussen [eiseres sub 1] en [gedaagde ] is daarbij sprake van een ernstig verstoorde verhouding en van een vruchtbare samenwerking in het bestuur is geen sprake meer. Als de vennootschapsrechtelijke bevoegdheden van [gedaagde ] in stand blijven, ligt het voor de hand dat zich een herhaling van de gebeurtenissen van de afgelopen periode zal plaatsvinden: [gedaagde ] zal zijn positie binnen het bestuur en zijn positie als prioriteitsaandeelhouder misbruiken om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen, waarna [eiseressen] c.s. genoodzaakt is haar positie in rechte te verdedigen. Daar komt bij dat als [gedaagde ] betaling aan [bedrijfsnaam] B.V. doet op grond van het arrest van het hof van 24 februari 2026, hij in zijn hoedanigheid van prioriteitsaandeelhouder een beslissende stem heeft over de uitgaven van de vennootschap, waarmee sprake is van een vestzak-broekzak constructie.
De waarde van de aandelen van [bedrijfsnaam] B.V. die door de STAK worden beheerd zijn drastisch afgenomen. De STAK is gehouden alle handelingen te verrichten die bevorderlijk zijn voor het bereiken van het doel van de stichting:
3.3.
[gedaagde ] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

Bevoegdheid voorzieningenrechter te Den Haag
4.1.
Volgens vaste rechtspraak is de voorzieningenrechter in wiens rechtsgebied de gevorderde voorziening getroffen moet worden relatief bevoegd kennis te nemen van een vordering in kort geding. De door [eiseres sub 1] c.s. gevorderde schorsing van [gedaagde ] als bestuurder en het gevorderde verbod om zijn bevoegdheden als prioriteitsaandeelhouder uit te oefenen hebben direct gevolgen voor de organisatie van [bedrijfsnaam] B.V., die in Den Haag is gevestigd. Daarmee is de bevoegdheid van de voorzieningenrechter gegeven.
[bedrijfsnaam] B.V. geen noodzakelijke procespartij; [eiseres sub 1] c.s. ontvankelijk in hun vorderingen
4.2.
[gedaagde ] voert aan dat [bedrijfsnaam] B.V. ten onrechte niet als partij in de procedure is betrokken, zodat [eiseres sub 1] c.s. niet ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen. Hij stelt in dat verband dat beide vorderingen ingrijpen in de interne organisatie van [bedrijfsnaam] B.V. De schorsing treft de samenstelling en werking van het bestuur en het gevorderde verbod treft de uitoefening van statutaire bevoegdheden. Dergelijke voorzieningen hebben alleen het beoogde effect als [bedrijfsnaam] B.V. daaraan is gebonden. De beslissing moet jegens [gedaagde ] en [bedrijfsnaam] B.V. in dezelfde zin luiden, zodat een uitsluitend jegens [gedaagde ] gewezen vonnis [bedrijfsnaam] B.V. niet bindt, aldus nog steeds [gedaagde ] .
4.3.
Hoewel denkbaar is dat bij vorderingen zoals hier aan de orde de betrokkenheid van de vennootschap zelf in het geding gewenst (of zelfs noodzakelijk) is, is daarvan in dit geval geen sprake. [bedrijfsnaam] B.V. heeft geen andere bestuurders, certificaathouders of prioriteitsaandeelhouders dan partijen. Dat betekent dat er geen andere gezichtspunten of belangen relevant (kunnen) zijn voor de beoordeling van de vorderingen dan die van [eiseres sub 1] , de STAK en [gedaagde ] . Dat [bedrijfsnaam] B.V. niet in het geding is betrokken maakt dan ook niet dat deze alsnog op grond van artikel 118 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet worden opgeroepen: dat zou niets anders opleveren dan dat de beide bestuurders van de vennootschap hun visie naar voren brengen. Die visies zijn in dit kort geding al aan de voorzieningenrechter bekend geworden. De voorzieningenrechter volgt [gedaagde ] ook niet in zijn visie dat toewijzing van (een van) de vorderingen van eiseressen aldus geen rechtsgevolg zou (kunnen) hebben in de vennootschapsrechtelijke sfeer. [eiseres sub 1] c.s. zijn ontvankelijk in hun vorderingen.
Spoedeisend belang [eiseres sub 1] c.s.
4.4.
[gedaagde ] betwist het spoedeisend belang van [eiseres sub 1] c.s. Hij voert aan dat [eiseres sub 1] c.s. hun stellingen onderbouwen met een reeks rechterlijke uitspraken (waaronder uitspraken die geen gezag van gewijsde hebben) die zien op feiten van lang geleden. Het prioriteitsbesluit van 23 maart 2023 en de deelbesluiten van 3 april 2023 zijn geschorst en bij vonnis van de rechtbank van 19 november 2025 (deels) vernietigd. Daarmee is [eiseres sub 1] zelfstandig bevoegd bestuurder van [bedrijfsnaam] B.V. en kan zij zonder medewerking van [gedaagde ] namens [bedrijfsnaam] B.V. handelen, zo meent [gedaagde ] . Ook voert [gedaagde ] aan dat hij actief werkt aan voldoening van zijn verplichtingen.
4.5.
De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang van [eiseres sub 1] c.s. aanwezig. Na het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 januari 2023 heeft [gedaagde ] , ondanks de uitvoerbaar bij voorraadverklaring daarvan, geen betalingen gedaan. Integendeel, hij heeft maatregelen getroffen in de vorm van voornoemd prioriteitsaandeelhoudersbesluit en voornoemde deelbesluiten, die [eiseres sub 1] hebben belet namens [bedrijfsnaam] B.V. executiemaatregelen te treffen. In kort geding en in de bodemprocedure is geoordeeld dat (in ieder geval) het prioriteitsbesluit en ook deelbesluit 2 niet voldoen aan de gedragsnorm van artikel 2:8 Burgerlijk Pro Wetboek. Inmiddels heeft het hof Den Haag bij arrest van 24 februari 2026 het eerste door de rechtbank tussen partijen gewezen vonnis bekrachtigd, en het heeft [gedaagde ] veroordeeld tot betaling van een nog hogere geldsom aan [bedrijfsnaam] B.V. dan de rechtbank had toegewezen. Ook van nakoming van deze uitspraak is het, ondanks de uitvoerbaar bij voorraadverklaring daarvan, niet gekomen, zelfs niet deels. Hoewel het prioriteitsbesluit van 23 maart 2023 is geschorst en daarna vernietigd, geeft de vrees van [eiseres sub 1] c.s. dat [gedaagde ] (nogmaals) misbruik zal maken van zijn bevoegdheden als bestuurder en prioriteitsaandeelhouder door (soortgelijke) besluiten te nemen om aan de veroordeling te ontkomen, althans om deze op de lange baan te schuiven, hen een spoedeisend belang.
Gegronde vrees voor herhaling frustratie rechterlijke uitspraken rechtvaardigt toewijzing van het gevorderde
4.6.
De verhouding tussen [eiseres sub 1] en [gedaagde ] is al jaren ernstig verstoord. Zij hebben daardoor inmiddels ook al enkele jaren niet meer als bestuurders van [bedrijfsnaam] B.V. om de tafel gezeten. De afgelopen jaren heeft [eiseres sub 1] veel tijd en moeite moeten steken in het verdedigen van haar privébelangen en haar belangen als certificaathouder en bestuurder van [bedrijfsnaam] B.V., onder meer door het voeren van verschillende gerechtelijke procedures. Van een vruchtbare samenwerking binnen [bedrijfsnaam] B.V. is dan ook al lang geen sprake meer. De schuld van [gedaagde ] aan [bedrijfsnaam] B.V. overstijgt daarbij momenteel het bedrag van € 1.000.000,-, terwijl van zicht op enige betaling niet is gebleken. [gedaagde ] heeft ter zitting toegelicht dat vrijwillige nakoming spoedig zou kunnen plaatsvinden door verkoop van onroerend goed en doordat een externe financier bereid is gebleken gelden te verstrekken. [gedaagde ] heeft een en ander in dit geding niet concreet gemaakt. De mogelijke verkoop van het onroerend goed in Portugal en in Nederland is in 2024 door [gedaagde ] al voorgesteld en ook in de kortgedingprocedure die heeft geleid tot het vonnis van 2 september 2024 is al besproken op welke wijze verkoop daarvan zou plaatsvinden om te voldoen aan het vonnis van de rechtbank van 11 januari 2023. Niet gebleken is dat dit tot concrete transacties zou kunnen leiden. Dat [eiseres sub 1] onwelwillend zou zijn om mee te werken aan een onderhandse verkoop door haar conservatoire beslagen op de onroerende zaken (nodeloos) te handhaven, is niet voldoende gebleken. Ook de aanwezigheid van een externe financier die bereid zou zijn om [gedaagde ] geld te lenen, is op een enkel overgelegd anoniem e-mailbericht na – waaraan weinig houvast voor een snelle voldoening van de schuld van [gedaagde ] valt te ontlenen – niet verder concreet gemaakt.
4.7.
Op grond van a) de eerdere (vernietigde) besluitvorming door [gedaagde ] , b) de bestuurlijk impasse binnen [bedrijfsnaam] B.V. en c) het uitblijven van enige betaling op grond van de gerechtelijke uitspraken, bestaat bij [eiseressen] c.s. de – naar het oordeel van de voorzieningenrechter – gerechtvaardigde vrees dat [gedaagde ] zijn bevoegdheden als bestuurder en prioriteitsaandeelhouder van [bedrijfsnaam] B.V. zal aanwenden om verdere executiemaatregelen jegens hem in privé te frustreren. De redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 Burgerlijk Pro Wetboek, die [eiseres sub 1] als certificaathouder en bestuurder, de STAK als aandeelhouder en [gedaagde ] als prioriteitsaandeelhouder en bestuurder bindt (en beschermt), dwingt er dan ook toe dat de bevoegdheden van [gedaagde ] hem worden ontnomen zolang hij een substantiële (opeisbare) schuld aan [bedrijfsnaam] B.V. heeft.
4.8.
Anders dan [gedaagde ] heeft aangevoerd, is voor het treffen van de gevorderde voorzieningen geen enquêtebeschikking van de Ondernemingskamer vereist. Evenmin geldt dat de voorzieningenrechter in kort geding bij de beoordeling exact het beoordelingskader van de Ondernemingskamer in de enquêteprocedure zou moeten volgen (zie Hof Amsterdam (OK) 7 maart 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:583). De wetgever is er weliswaar van uitgegaan dat de voorzieningenrechter een terughoudend standpunt zou innemen in geval van hem een voorziening wordt gevraagd met het oog op een in te dienen (of ingediend maar nog niet behandeld) enquêteverzoek en dat hij in dat geval in beginsel de duur van de door hem te treffen voorziening beperkt tot het tijdstip dat de Ondernemingskamer op een verzoek om onmiddellijke voorzieningen zal hebben beslist, maar kennelijk maakt geen van de in dit kort geding betrokkenen aanstalten zich te wenden tot de enquêterechter. De voorzieningenrechter heeft in dit kort geding dan ook de bevoegdheid voorzieningen te treffen zoals in deze procedure door [eiseres sub 1] c.s. is gevorderd, en dient daarbij de voor kort gedingen gebruikelijke beoordelingsmaatstaf te hanteren. Die maatstaf bevat niet de elementen ‘gegronde redenen’ of ‘wanbeleid’ zoals [gedaagde ] bepleit. Daarbij laat de voorzieningenrechter overigens in het midden of daarvan door toedoen van [gedaagde ] niet al sprake was.
4.9.
Evenmin is de voorzieningenrechter voor zijn bevoegdheid tot schorsing van [gedaagde ] als bestuurder gebonden aan een termijn van maximaal drie maanden. De drie maanden termijn van artikel 12 lid 5 van Pro de statuten waar [gedaagde ] een beroep op doet, heeft betrekking op een schorsingsbesluit van de Algemene Vergadering, en is dan ook niet van toepassing op de situatie waarin de voorzieningenrechter tot schorsing beslist. Bovenal geldt dat de schorsing is ingegeven om te voorkomen dat de [bedrijfsnaam] B.V. wordt gehinderd in haar pogingen de vorderingen op [gedaagde ] te incasseren. Een schorsing voor de duur van slechts drie maanden is daarmee niet te rijmen. De slotsom luidt dat de vorderingen zullen worden toegewezen op de wijze zoals deze zijn gevorderd.
4.10.
[gedaagde ] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres sub 1] c.s. worden begroot op:
- dagvaarding € 151,94
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.252,94

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
schorst [gedaagde ] als bestuurder van [bedrijfsnaam] B.V.;
5.2.
verbiedt [gedaagde ] om de aan de prioriteitsaandelen in [bedrijfsnaam] B.V. verbonden rechten en bevoegdheden uit te oefenen;
5.3.
bepaalt dat de voorzieningen onder 5.1 en 5.2 van kracht zijn tot twee maanden na de datum waarop in de procedure over het ontslag van [gedaagde ] als bestuurder van de STAK in hoogste ressort is beslist;
5.4.
veroordeelt [gedaagde ] in de proceskosten van € 2.252,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde ] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.
ddg