ECLI:NL:RBDHA:2026:1572

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
NL25.48631
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van eiser uit Iran wegens onvoldoende onderbouwing van politieke vervolging en geloofsovertuiging

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag wordt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser, afkomstig uit Iran, behandeld. Eiser heeft op 28 januari 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister van Asiel en Migratie op 1 oktober 2025 als ongegrond is afgewezen. De rechtbank heeft de zaak op 23 januari 2026 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren. Eiser stelt dat hij tot de Fars bevolkingsgroep behoort en vreest voor vervolging door de Iraanse autoriteiten vanwege zijn politieke overtuiging en deelname aan demonstraties. De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte niet is ingegaan op de geloofsovertuiging van eiser en dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank concludeert dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser niet geloofwaardig zijn en dat de tegenwerping dat eiser zijn aanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend, niet kan worden volgehouden. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit van de minister en verplicht deze om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.48631

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [v-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. J.M. Suurmeijer),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. [1] Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 28 januari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep, gezamenlijk met zaak NL25.48632, op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de echtgenote van eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk, en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij tot de Fars bevolkingsgroep behoort en in Iran heeft deelgenomen aan een protest waarbij hij zijn bankpas is verloren. Na aankomst in Nederland voor zijn huwelijksreis heeft eiser te horen gekregen dat de autoriteiten bij zijn ouders langs zijn geweest en naar eiser hebben gevraagd. Ze lieten een kopie van eisers bankpas zien en zeiden dat hij bij een demonstratie was. Bij terugkeer vreest eiser gevangen te worden gezet. Ook vreest eiser voor marteling en executie.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Politieke overtuiging en de problemen in Iran.
De minister is van oordeel dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De politieke overtuiging en de problemen in Iran zijn deels geloofwaardig. Geloofwaardig wordt geacht dat eiser tegen het islamitische regime in Iran is. Eiser stelt een aantal activiteiten te hebben gedaan om zijn politieke overtuiging te uiten. Eiser heeft meegedaan aan demonstraties in Iran. Daarnaast is het geloofwaardig geacht dat eiser en zijn vrouw een Instagram account hebben met de volgende naam:
[Instagram]. Daarop worden politieke berichten geplaatst. Het account is sinds 2018 actief en sinds augustus 2022 plaatst eiser politieke berichten. Ook wordt geloofwaardig geacht dat eiser in Nederland heeft meegedaan aan twee demonstraties tegen het islamitische regime. De problemen die eiser stelt te hebben gehad in het land van herkomst worden niet geloofwaardig geacht. De minister overweegt daartoe dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat hij zijn aanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend.
Heeft de minister eerst in het bestreden besluit kunnen tegenwerpen dat niet inzichtelijk zou zijn gemaakt met welke reden de rekeningen zijn geblokkeerd?
5. Eiser overweegt dat de minister naar aanleiding van de zienswijze erkent dat de nationale codes op het document en de identiteitskaart van eiser overeenstemmen. Daarmee staat vast dat de geblokkeerde rekeningen de rekeningen van eiser zijn. Nu deze tegenwerping wegvalt, verandert de minister zijn eerdere ingenomen stelling en werpt hij nu tegen dat niet inzichtelijk zou zijn gemaakt met welke reden de rekeningen zijn geblokkeerd en dat niet valt op te maken of dat door de autoriteiten is gebeurd. Dit heeft de minister niet genoemd in het voornemen en kan niet alsnog worden tegengeworpen.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de tegenwerping eerst in het bestreden besluit naar voren heeft kunnen brengen en niet gehouden was om dit in het voornemen te doen. De achterliggende gedachte van de voornemenprocedure is dat een vreemdeling al eerder dan in de beroepsfase inhoudelijke argumenten kan geven om het voorgenomen standpunt van de minister te bestrijden, waardoor het uiteindelijke besluit naar verwachting een deugdelijke motivering bevat zoals bedoeld in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De betekenis van de voornemenprocedure is dus om een beter besluit te krijgen door al eerder een uitwisseling van standpunten te hebben over de specifieke omstandigheden van de betrokken zaak. Dat betekent echter niet dat de minister in het voornemen expliciet op alle door een vreemdeling naar voren gebrachte individuele omstandigheden moet ingaan, of dat in het voornemen reeds alle tegenwerpingen dienen te staan. [2] Een wijziging van, of aanvulling op, een eerder standpunt als gevolg van wat de vreemdeling in de zienswijze aandraagt en zoals in deze zaak het geval, is kenmerkend voor een goed functioneren van de voornemenprocedure.
Heeft de minister kunnen concluderen dat de verklaringen van eiser ten aanzien van zijn politieke overtuiging en daaruit voortvloeiende problemen, geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen?
Geblokkeerde rekeningen
6. Eiser stelt te hebben verklaard over het waarom van het blokkeren van de rekeningen. Eiser verwijst bovendien naar de Country Guidance Iran van het EUAA waaruit volgt dat het blokkeren van toegang tot bankieren een maatregel van de Iraanse overheid is. De minister gaat daarnaast in het besluit niet in op wat eiser in zijn zienswijze over de sms’jes heeft gesteld. Deze zijn aan het Iraanse telefoonnummer van eiser gezonden en dat feit maakt een adressering verder overbodig.
6.1.
De minister stelt in het bestreden besluit dat eiser niet inzichtelijk heeft weten te maken met welke reden de rekeningen zijn geblokkeerd en dat hieruit ook niet valt op te maken of de rekeningen door de autoriteiten zijn geblokkeerd. Zoals vermeld in het voornemen is het zeer opvallend dat eiser aangeeft sinds januari 2023 te worden gezocht door de autoriteiten, terwijl uit de sms’jes blijkt dat de rekeningen op 26 augustus 2025 zijn geblokkeerd. Eisers stelling dat hij vanuit Nederland geen toegang zou hebben tot de website van de Iraanse banken om meer uitgebreide en accurate informatie te kunnen geven, wordt niet gevolgd. Eiser heeft immers verklaard dat zijn broer wel toegang heeft tot de website van de Iraanse banken en voor hem kan inloggen. [3] Niet valt in te zien waarom eiser hem niet heeft gevraagd dit alsnog voor hem te doen.
6.2.
De rechtbank overweegt dat de minister heeft kunnen tegenwerpen dat de informatie die eiser overlegt over zijn geblokkeerde rekeningen niet naar hem te herleiden is. De rechtbank overweegt dat uit de Country Guidance Iran van het EUAA in algemene zin volgt dat afvalligen – daargelaten of eiser als afvallig moet worden aangemerkt - een identiteitskaart onthouden kan worden en daarmee ook de toegang tot diensten als verzekeringen, onderwijs, bankieren en openbaar vervoer. Geenszins volgt uit de door eiser geciteerde overweging dat de Iraanse autoriteiten reeds bestaande bankrekening van afvalligen blokkeren en ook als dit wel het geval was geweest, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn rekeningen om die reden en door de autoriteiten zijn geblokkeerd. Er zijn tal van andere denkbare redenen voor het blokkeren van de rekeningen en de generieke verwijzing naar het rapport van het EUAA is in dit kader onvoldoende. In dat kader heeft de minister ook mogen betrekken dat niet valt in te zien waarom de broer van eiser op zijn verzoek niet voor hem heeft ingelogd op de website van de Iraanse banken om deze reden te achterhalen. Hetgeen eiser heeft gesteld over de sms’jes kan hier niet aan af doen en de minister heeft daarom kunnen volstaan met de motivering zoals hierboven weergegeven.
Huisdoorzoeking bij ouders
7. Eiser is van mening dat de minister ten onrechte overweegt dat eisers stelling dat de agenten naar hem op zoek waren op vermoedens gebaseerd is. Eiser heeft immers verklaard dat de agenten die de woning van zijn ouders binnenvielen een kopie van zijn verloren bankpas bij zich hadden en expliciet hebben gevraagd naar “[naam] en zijn vrouw”. Dat zijn geen vermoedens; dat is gebaseerd op de informatie die eiser kort na de inval van zijn ouders heeft gekregen. Ook overweegt de minister ten onrechte dat niet aannemelijk is gemaakt dat de personen die de woning binnenvielen daadwerkelijk agenten waren. Eiser heeft verklaard dat zijn vader de mannen herkende als mannen van de Lebas Shakhsi. Eiser heeft in zijn vrije relaas ook verklaard hoe je mannen van de Lebas Shakhsi kunt herkennen, wat maakt dat ook op dit punt geen sprake is van enkel vermoedens. De overgelegde foto in samenhang met de verklaringen van eiser, ondersteunt deze verklaringen. Ook vinden de verklaringen van eiser over de inval steun in het Ambtsbericht, pagina 41, waaruit volgt dat familieleden van politieke opposanten te maken krijgen met intimidatie tijdens huisbezoeken door medewerkers van de inlichtingen- of veiligheidsdiensten.
7.1.
De minister overweegt dat het aan eiser is om de stelling dat de autoriteiten zijn ouderlijk huis binnen zijn gevallen te onderbouwen. Eiser is daarvoor in de gelegenheid gesteld, maar is er niet in geslaagd. Eisers vader heeft tegen hem gezegd dat het leden waren van Lebas Shakshi en eiser heeft alleen een foto overgelegd van, naar hij zegt, zijn vader waar te zien is dat hij mishandeld was door de autoriteiten tijdens de inval. Uit deze foto kan de minister niet opmaken dat het eisers vader betreft, wanneer de verwondingen zijn ontstaan en door wie deze zijn aangebracht. Deze foto kan het relaas daarom niet onderbouwen.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser wordt tegengeworpen summier en algemeen te hebben verklaard over de huiszoeking bij zijn ouders. Ook stelt de rechtbank vast dat eiser in het vrije relaas tijdens het nader gehoor uit eigen beweging heeft verklaard over de huiszoeking bij zijn ouders. [4] Later in datzelfde gehoor heeft de minister twee vragen gesteld over dit punt:
‘(…)
U hebt verklaard dat het huis van uw ouders is doorzocht. Door wie is het huis van uw ouders doorzocht?’
‘(…)
Wat hebben zij gevonden bij die huisdoorzoeking?’
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiser uit eigen beweging en in zoverre dit van hem verwacht kan worden in het vrije relaas, tot op zekere hoogte gedetailleerd heeft verklaard over de huisdoorzoeking bij zijn ouders. Omdat de minister actief met de vreemdeling samenwerkt [5] om de relevante feiten en omstandigheden te bepalen en aan te vullen, had het op zijn weg gelegen op dit punt door te vragen in het geval hij een meer gedetailleerde verklaring relevant had geacht. De vragen zoals hierboven weergegeven, zijn naar het oordeel van de rechtbank in dit kader onvoldoende. Niet valt in te zien hoe voor eiser duidelijk had moeten zijn dat van hem op dit punt meer details werden verwacht. De tegenwerping zoals weergegeven in de besluitvorming kan daarom geen stand houden.
Verklaringen over verlies pinpas
8. Eiser stelt dat de minister ten onrechte uitgaat van de onfeilbaarheid van de hoormedewerker en tolk in het nader gehoor. Feit is dat het gehoor van eiser uitgebreid is besproken met een tolk Farsi en eiser daarbij de correcties heeft opgemerkt die in de correcties en aanvullingen zijn opgenomen. Voor eiser was het ook vreemd dat deze correcties nodig waren, want hij heeft laten weten op dit punt steeds hetzelfde te hebben verklaard, en dat is op de manier waarop het in de correcties en aanvullingen is opgenomen. Eiser had daarom in de zienswijze niet kunnen onderbouwen waarom hij wisselend heeft verklaard want in zijn overtuiging heeft hij niet wisselend verklaard.
8.1.
De minister overweegt dat eiser eerst stelt dat als hij wegrende bij de demonstratie en enkele straten later hij zou pinnen, hij normaal leek. Eiser kon toen zijn pas niet vinden en is naar huis gegaan, waar hij aan zijn vrouw vroeg of zij hem had gevonden. [6] Vervolgens stelt eiser dat toen hij ’s avonds wat rustiger was en hij wilde gaan pinnen hij erachter kwam dat hij het pasje was verloren en dat hij uit zijn zak was gevallen. [7] Weer later verklaart hij dat hij weg was bij de demonstraties en merkte dat de autoriteiten hem niet volgden, hij toen de metro heeft gepakt en dat hij toen hij uit de bus kwam geld wilde pinnen in de Enghelabstraat. [8] Weliswaar zijn de correcties en aanvullingen ervoor bedoeld om verklaringen te corrigeren en aan te vullen waar dat nodig is. Dat neemt niet weg dat van eiser verwacht had mogen worden dat hij omtrent zo een belangrijk punt consistent had mogen verklaren. Bovendien heeft eiser in de correcties en aanvullingen ook niet nader onderbouwd wat de reden is dat hij zo wisselend heeft verklaard omtrent dit punt.
8.2.
De rechtbank overweegt dat eiser eerst heeft verklaard te willen gaan pinnen om normaal te lijken. In dat licht bezien is niet te volgen dat eiser eerst met de bus en metro reist en uiteindelijk anderhalf uur na de demonstratie in de Enghelabstraat daadwerkelijk pint, zoals hij ook heeft verklaard. Eiser heeft hiervoor geen verklaring gegeven en deze tegenstrijdigheid als zodanig heeft de minister dan ook aan eiser kunnen tegenwerpen. Hoewel eiser in de correcties en aanvullingen heeft aangegeven dat de weergave in het gehoor onjuist is en dat hij eerst is gaan pinnen alvorens hij de bus en metro heeft gepakt, laat dit het tijdsverloop – ‘nu’ pinnen vs. anderhalf uur na de demonstratie – onverklaard. De correcties en aanvullingen geven bovendien geen verklaring voor waarom eiser stelt naar een specifieke straat te zijn gegaan om daar te pinnen. De minister heeft deze correcties dan ook niet zonder meer hoeven volgen.
Conclusie ten aanzien van artikel 31, zesde lid, onder c, Vw.
9. De rechtbank overweegt dat de minister aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat de informatie die hij overlegt over zijn geblokkeerde rekeningen niet naar hem te herleiden is en dat hij wisselend verklaart over het verlies van zijn pinpas. Naar het oordeel van de rechtbank is dit echter onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de verklaringen van eiser ten aanzien van zijn politieke overtuiging en daaruit voorvloeiende problemen, geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
9.1.
De rechtbank acht daarbij met name van belang dat de tegenwerping die ziet op het incident dat de directe aanleiding was voor eiseres om asiel aan te vragen, de huiszoeking, is komen te vervallen. Hoewel de overgelegde informatie over de rekeningen het relaas van eiser niet onderbouwt – en daarom als losse tegenwerping kan dienen – betreft het slechts een gebrek aan onderbouwing en doet dit in die zin ook niet af aan het relaas. De wisselende verklaringen over het verlies van de pinpas doen wel degelijk af aan de geloofwaardigheid van het relaas, maar zijn onvoldoende voor de conclusie dat het gehele relaas niet geloofwaardig is. Het is naar het oordeel van de rechtbank goed denkbaar dat bij een integrale beoordeling van het asielrelaas en wanneer afgezet tegen alle feiten en omstandigheden, eiser het voordeel van de twijfel wordt gegund op dit punt.
9.2.
De rechtbank overweegt daarbij dat de minister zich ter zitting in reactie op bovengenoemde tegenwerpingen, desgevraagd meermaals op het standpunt heeft gesteld dat het de verklaringen van eiser in samenhang zijn, die het relaas niet geloofwaardig maken. Hoewel voorop staat dat naar het oordeel van de rechtbank uit de besluitvorming niet van een dergelijke beoordeling in samenhang blijkt, overtuigt dit ter zitting ingenomen standpunt de rechtbank niet van de stelling dat het relaas van eiser niet geloofwaardigheid is. Dit standpunt laat niet alleen ongemotiveerd waarom de beoordeling in samenhang leidt tot de conclusie dat het relaas niet geloofwaardig is, maar omvat ook een cirkelredenering. De conclusie dat de verklaringen in samenhang bezien niet geloofwaardig zijn wordt immers onderbouwd met de constatering dat de individuele tegenwerpingen niet samenhangend en aannemelijk zijn, wat weer wordt onderbouwd met de stelling dat de verklaringen in samenhang bezien niet geloofwaardig zijn.
9.3.
De rechtbank concludeert daarom dat de minister met de huidige motivering niet heeft kunnen concluderen dat eisers verklaringen ten aanzien van zijn politieke overtuiging en de daaruit voorvloeiende problemen, geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Het beroep is gegrond.
Heeft de minister kunnen tegenwerpen dat eiser zijn aanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend?
10. Eiser stelt dat de minister op geen enkele manier ingaat op de verklaringen die eiser in zijn zienswijze heeft gegeven over het tijdsverloop tussen het moment waarop hij besefte niet naar Iran terug te kunnen keren en het moment van de asielaanvraag. De minister dient te onderbouwen waarom die uitleg van eiser niet wordt gevolgd. Hier heeft eiser op vrijdag 20 januari 2023 beseft dat hij niet kon terugkeren. Eiser heeft zich de daarop volgende maandag meteen bij de minister gemeld voor asiel, waarbij in de tussenliggende periode de in de zienswijze genoemde handelingen moeten zijn verricht. Dit tegenwerpen is een veel te zware sanctie gezien de bijzondere gebeurtenissen.
10.1.
De minister overweegt dat van iemand die werkelijk vreest voor vervolging of een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM [9] mag worden verwacht dat hij of zij zich onmiddellijk of ten minste zo spoedig mogelijk tot de autoriteiten wendt. Eiser verbleef op dat moment al in Nederland en hij had feitelijk en praktisch de mogelijkheid om dezelfde dag of uiterlijk de dag erna bescherming te vragen. Door zich pas drie dagen later te melden, strookt eisers gedrag niet met de door hem gestelde dringende noodzaak.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser niet heeft kunnen tegenwerpen dat hij zich pas drie dagen na het gesprek met zijn ouders heeft gemeld. Uit het gegeven dat eiser zich op de derde dag nadat hij achter de noodzaak tot het aanvragen van asiel kwam heeft gemeld, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat dit afdoet aan de door eiser gestelde noodzaak. Eiser heeft hiervoor bovendien een verklaring gegeven en als de minister beaamt dat het op dag drie melden spreekt tot de noodzaak van de aanvraag, had hij moeten motiveren wat de relevantie van deze ene dag is voor de vraag of eiser zich zo spoedig mogelijk heeft gemeld. Nu dit niet is gedaan, heeft de minister niet kunnen tegenwerpen dat eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder d, Vw.
Had de minister moeten ingaan op de geloofsovertuiging van eiser?
11. De rechtbank stelt vast dat eiser in de zienswijze heeft aangegeven dat zijn gestelde afvalligheid en de mogelijke risico’s daarvan bij terugkeer niet kenbaar in het voornemen zijn betrokken. Ter zitting heeft eiser gesteld dit punt te handhaven en benadrukt dat het van belang is om zijn afvalligheid in samenhang te bezien met zijn politieke overtuiging.
11.1.
De minister heeft ter zitting gesteld dat in de gronden van beroep niet is gesteld dat de geloofsovertuiging apart beoordeeld had moeten worden. De minister is er vanuit gegaan dat dit deel van de discussie is komen te vervallen.
11.2.
De rechtbank stelt vast dat in de bestreden beschikking geen woorden zijn besteed aan de eventuele geloofsovertuiging van eiser. Gelet op hetgeen gesteld in de zienswijze had in ieder geval gemotiveerd moeten worden waarom de verklaringen van eiser wel of geen aanleiding voor de minister vormen eisers overtuiging als asielmotief te zien. Omdat de minister dit ook ter zitting niet heeft toegelicht, is er sprake van een motiveringsgebrek. Ook hierom is het beroep gegrond.

Conclusie en gevolgen

12. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt.
13. Omdat het beroep gegrond is, behoeven de beroepsgronden voor het overige geen bespreking.
14. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op
€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 1 oktober 2025;
- bepaalt dat de minister binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak, een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642.
3.Rapport nader gehoor, p. 10.
4.Nader gehoor, p. 8 en 9.
5.De samenwerkingsverplichting is neergelegd in artikel 4, eerste lid Kri en artikel 31, tweede lid Vw.
6.Nader gehoor, p. 7.
7.Nader gehoor, p. 16.
8.Nader gehoor, p. 16.
9.Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.