Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15726

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
NL26.22779
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 lid 1 sub d Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 23 lid 2 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 30 lid 1 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser heeft op 11 november 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Nederland heeft op 7 januari 2026 een terugnameverzoek aan Frankrijk gedaan, dat op dezelfde dag werd ontvangen en op 20 januari 2026 werd geaccepteerd.

Eiser stelde dat het terugnameverzoek te laat was ingediend, waardoor Nederland verantwoordelijk zou zijn geworden. De rechtbank oordeelt echter dat het verzoek binnen de wettelijke termijn van twee maanden na ontvangst van het Eurodac-resultaat is gedaan. Het latere verzoek van 19 januari 2026 was abusievelijk en is ingetrokken.

De rechtbank concludeert dat Frankrijk terecht verantwoordelijk is voor de asielaanvraag en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter V.P.K. van Rosmalen en griffier J.M. van der Stouwe op 11 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en Frankrijk blijft verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22779

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. D.J. Keiman),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. L.J.M. Rog).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer S. Atmar als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
Wat vindt eiser?
5. Eiser is van mening dat de minister te laat een claimverzoek heeft ingediend bij de Franse autoriteiten waardoor Nederland reeds verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Eiser voert daarvoor aan dat hij op 11 november 2025 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Nederland. Verweerder baseert het terugnameverzoek op een Eurodac-treffer. In dat geval bepaalt artikel 23, tweede lid, van de Dublin III-verordening dat het terugnameverzoek moet worden gedaan binnen twee maanden na ontvangst van de Eurodac-treffer. Nu de minister Frankrijk pas op 19 januari 2026 heeft verzocht om terugname van eiser is dit verzoek te laat gedaan, ondanks het akkoord van de Franse autoriteiten van 22 januari 2026.
Wat vindt de rechtbank?
6. Uit analyse van de door partijen overgelegde stukken stelt de rechtbank het volgende vast.
6.1.
Eiser heeft inderdaad op 11 november 2025 asiel aangevraagd in Nederland. De minister heeft op 12 november 2025 het Eurodac-resultaat ontvangen. De minister heeft vervolgens zowel Kroatië als Frankrijk op 7 januari 2026 gevraagd om eiser terug te nemen. De Kroatische autoriteiten hebben het verzoek bij bericht van 14 januari 2026 afgewezen. De Franse autoriteiten hebben het claimverzoek van 7 januari 2026 op dezelfde datum ontvangen en op 20 januari 2026 geaccepteerd. Dit is ook te zien in het terugname akkoord van Frankrijk. Daarin verwijzen de Franse autoriteiten als volgt naar het terugnameverzoek dat zij ontvingen op 7 januari 2026: ‘
Your request for taking back the aforementioned applicant, received on 07/01/2026, is met in accordance with article 18. 1 d) from regulation (EU) No 604/2013 of the European parliament and of the Council of 26 June 2013’
Naar aanleiding van de afwijzing van de Kroatische autoriteiten heeft de minister abusievelijk op 19 januari 2026 een nieuw terugnameverzoek aan de Franse autoriteiten gestuurd. Het verzoek van 19 januari 2026 is daarom ook weer ingetrokken op 13 april 2026.
6.2.
Uit het vorenstaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat het oorspronkelijke terugnameverzoek aan Frankrijk dateert van 7 januari 2026 en op basis van dát verzoek is een claimakkoord tot stand gekomen. Dat in de correspondentie rondom het claimverzoek tussen de lidstaten verschillende zaaknummers (het nummer beginnend met Z1-) worden gebruikt, doet hieraan niet af. Het verzoek werd gedaan binnen de termijn van twee maanden na het Eurodac-resultaat. Nederland is derhalve niet op grond van tijdverloop verantwoordelijk geworden voor de asielaanvraag van eiser. Deze beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.
Overige beroepsgronden
7. Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen andere punten uit het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat hij geen gelijk krijgt en dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, rechter, in aanwezigheid van
J.M. van der Stouwe, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.