ECLI:NL:RBDHA:2026:15728
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in Dublin-zaak wegens termijnoverschrijding terugnameverzoek Frankrijk
De minister van Asiel en Migratie heeft op 21 april 2026 een besluit genomen om de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag volgens de Dublin-verordening. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 28 mei 2026 in Zwolle, waarbij verzoeker werd bijgestaan door een gemachtigde en een tolk aanwezig was. De minister werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank verwees naar een gelijktijdige uitspraak in zaaknummer NL26.22779, waarin het beroep werd behandeld.
Gezien de uitspraak in de hoofdzaak achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens de uitspraak in de hoofdzaak en de termijnoverschrijding bij het terugnameverzoek aan Frankrijk.