ECLI:NL:RBDHA:2026:15731
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-verantwoordelijkheid
De minister van Asiel en Migratie nam de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling omdat Oostenrijk volgens de Dublin-verordening verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met een bodemzaak en oordeelde dat een voorlopige voorziening niet langer nodig was. De rechtbank stelde vast dat de belangen van het kind onvoldoende concreet waren gewogen, wat leidde tot een motiveringsgebrek in het bestreden besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, wees het verzoek om voorlopige voorziening af en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.