Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15731

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
NL26.24735
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 17 Dublin-verordeningBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-verantwoordelijkheid

De minister van Asiel en Migratie nam de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling omdat Oostenrijk volgens de Dublin-verordening verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg tevens om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met een bodemzaak en oordeelde dat een voorlopige voorziening niet langer nodig was. De rechtbank stelde vast dat de belangen van het kind onvoldoende concreet waren gewogen, wat leidde tot een motiveringsgebrek in het bestreden besluit.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, wees het verzoek om voorlopige voorziening af en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24735

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], V-nummer: [V-nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. L.J.M. Rog).

Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, tezamen met de zaak NL26.24734, op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer A. Yahye. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.24734, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
Gelet op de uitkomst van de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter de minister wel in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J.M. van der Stouwe, griffier.
\De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.