Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15763

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
692972
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 195 RvArt. 196 RvArt. 200 RvArt. 3:70 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot inzage stukken in geschil over ontbinding koopovereenkomsten vastgoed

Bever c.s. vordert inzage en afschrift van bepaalde stukken van [bedrijf 1] in een geschil over ontbinding van koopovereenkomsten voor vastgoedpercelen. De koopovereenkomsten betroffen tien percelen grond in Noordwijk, waarbij mondelinge afspraken over winstverdeling en kostenvergoeding tussen partijen centraal staan.

Eerder had Bever c.s. al een verzoek tot inzage ingediend dat werd afgewezen. Nu wordt een soortgelijk verzoek gedaan, dat de rechtbank als een verkapt rechtsmiddel beoordeelt omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die een herbeoordeling rechtvaardigen.

De rechtbank oordeelt dat de gevraagde stukken onvoldoende specifiek zijn en dat het belang van Bever c.s. bij inzage ontbreekt, mede omdat de stukken niet direct betrekking hebben op de rechtsbetrekking tussen partijen. Ook het verschoningsrecht van notarissen speelt een rol bij de afwijzing van het verzoek.

De rechtbank veroordeelt Bever c.s. in de proceskosten en verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Het vonnis is gewezen door drie rechters en op 13 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek tot inzage en afschrift van stukken wordt afgewezen en Bever c.s. wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Zaaknummer: C/09/692972 / HA ZA 25-893
Vonnis in incident van 13 mei 2026
in de zaak van

1.N.V. BEVER HOLDING te Hilversum,2. NORTHSIDE INVESTMENTS B.V. te Noordwijk,3. MUNTENDAMSCHE INVESTERINGS MAATSCHAPPIJ B.V. te Den Haag,

eiseressen in de hoofdzaak en in het incident,
hierna samen te noemen: Bever c.s.,
advocaat: mr. G.T.J. Hoff,
tegen

1.[bedrijf 1] B.V. te [vestigingsplaats] ,2. [bedrijf 2] B.V. te [vestigingsplaats] ,3. [naam 1] te [woonplaats 1] ,4. [naam 2] te [woonplaats 2] ,

gedaagden in de hoofdzaak en verweerders in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagden] c.s.,
advocaten: mrs. E.C. Netten.

1.De procedure

1.1.
Bever c.s. is een procedure gestart tegen [gedaagden] c.s. De dagvaarding (met daarbij productie 1 tot en met 57) is op 29 september 2025 aan [gedaagden] c.s. uitgereikt en op 15 oktober 2025 bij de rechtbank ingediend. Op 24 december 2025 heeft [gedaagden] c.s. een conclusie van antwoord (met daarbij productie 1 tot en met 40) ingediend. Vervolgens heeft de rechtbank bij vonnis van 11 februari 2026 bepaald dat op 8 juni 2026 een mondelinge behandeling zal plaatsvinden.
1.2.
Op 18 maart 2026 heeft Bever c.s. in de procedure een incident opgeworpen. Zij vordert dat [bedrijf 1] B.V. (verder: [bedrijf 1] ) wordt bevolen om aan Bever c.s. inzage dan wel afschrift te verstrekken van bepaalde schriftelijke stukken. Op 1 april 2026 heeft [gedaagden] c.s. in het incident een conclusie van antwoord ingediend. Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat in het incident een vonnis wordt gewezen.

2.De feiten

2.1.
N.V. Bever Holding (verder: Bever Holding) is een vastgoedonderneming. Northside Investment B.V., Muntendamsche Investerings Maatschappij B.V. en Bever Holding Participaties B.V. zijn als groepsmaatschappijen aan Bever Holding verbonden (geweest). Bever Holding Participaties B.V. is omstreeks 2022 geliquideerd. De statutair bestuurder van Bever Holding en (indirect) van de overige groepsmaatschappijen is [naam 3] . Het merendeel van de aandelen in Bever Holding wordt gehouden door [naam 4] .
2.2.
[bedrijf 1] is een groepsmaatschappij van bouw- en vastgoedonderneming [bedrijf 3] , opgericht door [naam 5] . Midden jaren negentig is [naam 5] uit de directie teruggetreden. Vanaf 1996 was hij als commissaris aan [bedrijf 3] verbonden. In de voor deze zaak relevante periode waren [naam 6] en [naam 7] de statutair bestuurders van [bedrijf 1] (beiden waren zelfstandig bevoegd de vennootschap te vertegenwoordigen).
2.3.
[naam 5] is op 23 november 2021 overleden. Bij testament heeft hij tot zijn enige erfgenamen benoemd zijn twee kinderen, [naam 1] en [naam 2] . Beiden hebben de nalatenschap zonder voorbehoud aanvaard.
2.4.
In september 2022 is de [bedrijf 3] inclusief [bedrijf 1] overgenomen door bouw- en vastgoedonderneming [bedrijf 4] . [bedrijf 2] B.V. (verder: [bedrijf 2] ), een vennootschap die aanvankelijk ook deel uitmaakte van de [bedrijf 3] , is buiten de overname gelaten. De aandelen in [bedrijf 2] worden (indirect) gehouden door [naam 1] en [naam 2] .
2.5.
Op 20 november 2020 respectievelijk 4 februari 2021 zijn tien koopovereenkomsten tot stand gekomen tussen [bedrijf 1] enerzijds en Bever Holding respectievelijk Northside Investment B.V., Muntendamsche Investerings Maatschappij B.V. en Bever Holding Participaties B.V. anderzijds. Op grond hiervan heeft [bedrijf 1] tien percelen grond in Noordwijk gekocht met als doel om daarop nieuwbouw te ontwikkelen.
2.6.
Bij de daaraan voorafgaande onderhandelingen zijn [naam 4] (aan de zijde van Bever c.s.) en [naam 5] (aan de zijde van [bedrijf 1] ) betrokken geweest. Verder is ook vastgoedmakelaar [naam 8] daarbij betrokken geweest.
2.7.
De koopovereenkomsten zijn namens [bedrijf 1] ondertekend door [naam 6] . De daarin vermelde koopsommen zijn in totaal een bedrag van 60 miljoen euro. Omdat een aantal van de percelen door de gemeente Noordwijk (verder: de gemeente) was aangewezen als percelen waarop een voorkeursrecht in de zin van de Wet voorkeursrecht gemeenten geldt, staat in de koopovereenkomsten dat levering zal plaatsvinden “binnen twee weken nadat het verkochte (…) vrij van aantekeningen in de zin van de Wet voorkeursrecht Gemeenten geleverd kan worden (…)”. Daaraan is toegevoegd dat de levering zal plaatsvinden ten overstaan van een notaris verbonden aan notariskantoor TeekensKarstens. Verder staat in de koopovereenkomsten dat partijen geen opdracht geven aan de notaris om de koopovereenkomsten in te schrijven in de openbare registers (op de voet van artikel 7:3 van Pro het Burgerlijk Wetboek).
2.8.
Op 13 april 2021 heeft een notaris van TeekensKarstens de koopovereenkomsten in opdracht van [bedrijf 1] ingeschreven in de openbare registers.
2.9.
Nadat de gemeente op 9 november 2021 had ingestemd met de verkoop aan [bedrijf 1] van de percelen waarop de gemeente een voorkeursrecht had, heeft de notaris voorbereidingen getroffen om de levering op 24 november 2021 te laten plaatsvinden. Op 23 november 2021 heeft Bever c.s. in antwoord op de door de notaris in concept opgestelde leveringsaktes gemeld dat in de concepten ten onrechte geen melding is gemaakt van (onder meer) de volgende afspraken:
  • i) betaling door [bedrijf 1] aan Bever c.s. van een winstdeel van 30% oplopend tot 50% van de met de uitvoering van het nieuwbouwplan gerealiseerde winst;
  • ii) betaling door [bedrijf 1] van 2,5% rente over het onbetaald gebleven deel van de koopsommen vanaf 20 november 2020;
  • iii) vergoeding door [bedrijf 1] aan Bever c.s. van advocaat- en advieskosten, en
  • iv) vergoeding door [bedrijf 1] aan Bever c.s. van de onroerend goed belasting en andere zakelijke lasten.
2.10.
Volgens Bever c.s. zijn deze afspraken vóór het sluiten van de koopovereenkomsten mondeling gemaakt tussen [naam 4] en [naam 5] , in aanwezigheid van [naam 8] , en was het de bedoeling dat de afspraken op een later moment, in de leveringsaktes of een daarbij op te stellen aanvullende overeenkomst, schriftelijk zouden worden vastgelegd.
2.11.
Nadat [bedrijf 1] de door Bever c.s. gestelde afspraken betwistte, heeft Bever c.s. geweigerd om de percelen aan [bedrijf 1] te leveren.
2.12.
Op 7 maart 2022 is [bedrijf 1] tegen Bever c.s. bij de rechtbank Den Haag een kort geding gestart om de levering van de percelen af te dwingen.
2.13.
Op 11 maart 2022 heeft Bever c.s. aan [bedrijf 1] gemeld dat zij de koopovereenkomsten buitengerechtelijk ontbindt op de grond dat Bever c.s. uit mededelingen van [bedrijf 1] afleidt dat zij in de nakoming van de door partijen gemaakte afspraken zal tekortschieten.
2.14.
Bij vonnis van 19 april 2022 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag de vorderingen van [bedrijf 1] afgewezen. Nadat [bedrijf 1] van dit vonnis in beroep was gekomen, heeft het Gerechtshof Den Haag bij arrest van 13 juni 2022 Bever c.s. alsnog veroordeeld om de percelen te leveren. Het hof heeft hiertoe overwogen dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat de door Bever c.s. gestelde mondelinge afspraken tussen [naam 4] en [naam 5] daadwerkelijk zijn gemaakt en dat [naam 5] [bedrijf 1] kon binden.
2.15.
Ter uitvoering van dit arrest heeft Bever c.s. de percelen op 1 juli 2022 respectievelijk 25 juli 2022 aan [bedrijf 1] geleverd. [bedrijf 1] heeft de percelen vervolgens in eigendom overgedragen aan [bedrijf 2] .
2.16.
Naar aanleiding van het tussen Bever c.s. en [bedrijf 1] gerezen geschil over de gestelde mondelinge afspraken, heeft in november 2022 op verzoek van Bever c.s. bij de rechtbank Den Haag een voorlopig getuigenverhoor plaatsvonden van onder anderen [naam 4] , [naam 8] en [naam 7] .
2.17.
[naam 8] heeft jegens [bedrijf 1] aanspraak gemaakt op betaling van courtage voor zijn betrokkenheid bij de koopovereenkomsten tussen Bever c.s. en [bedrijf 1] . [bedrijf 1] heeft betwist dat [naam 8] in haar opdracht werkzaamheden heeft verricht en heeft daarom geweigerd de courtage te betalen. Naar aanleiding daarvan heeft in mei 2023 op verzoek van [naam 8] (althans een aan hem gelieerde vennootschap) bij de rechtbank Den Haag een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden van [naam 8] en [naam 7] .
2.18.
Op 6 februari 2025 heeft Bever c.s. bij de rechtbank Den Haag een verzoekschrift ingediend tot het laten uitvoeren van voorlopige bewijsverrichtingen. Het verzoek strekte ertoe dat (opnieuw) getuigen zouden worden gehoord en dat [bedrijf 1] zou worden bevolen om inzage of afschrift te verstrekken van onder meer:
  • i) correspondentie over het verloop en afloop van het dispuut tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 5] , en
  • ii) correspondentie tussen [bedrijf 1] en TeekensKarstens over de inschrijving van de koopovereenkomsten in de openbare registers.
2.19.
Bij beschikking van 14 mei 2025 heeft de rechtbank de verzoeken van Bever c.s. afgewezen. Ten aanzien van het verzoek met betrekking tot de hiervoor in 2.18 onder (i) genoemde stukken heeft de rechtbank geoordeeld dat deze stukken geen betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij Bever c.s. partij is en dat bovendien niet valt in te zien waarom deze stukken van belang zijn voor het geschil tussen Bever c.s. en [bedrijf 1] . Over de hiervoor in 2.18 onder (ii) genoemde stukken heeft de rechtbank geoordeeld dat de rechtbank niet inziet welk belang Bever c.s. heeft om daarvan kennis te nemen, nu reeds vast staat dat de koopovereenkomsten in de openbare registers zijn ingeschreven op verzoek van [bedrijf 1] .
2.20.
[naam 8] heeft ook jegens Bever Holding aanspraak gemaakt op betaling van courtage voor zijn betrokkenheid bij de koopovereenkomsten tussen Bever c.s. en [bedrijf 1] . Bij vonnis van 23 juli 2025 heeft de rechtbank Midden-Nederland geoordeeld dat aan [naam 8] (althans een aan hem gelieerde vennootschap) een courtage toekomt van € 450.000,00 (0,75% van de verkoopprijs van 60 miljoen euro) en Bever Holding veroordeeld tot betaling daarvan.
2.21.
Bever c.s. heeft bij de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag een tuchtklacht ingediend tegen de notarissen die betrokken zijn geweest bij de inschrijving van de koopovereenkomsten in de openbare registers. Nadat de genoemde kamer de klacht ongegrond had verklaard, is Bever c.s. in beroep gegaan bij het Gerechtshof Amsterdam. Bij beslissing van 16 maart 2025 heeft het hof de klacht gegrond verklaard. Het hof heeft overwogen dat niet is gebleken dat de notarissen bij de opdracht tot inschrijving op enigerlei wijze rekening hebben gehouden met de gerechtvaardigde belangen van Bever c.s. Het hof achtte de handelwijze van de notarissen onvoldoende zorgvuldig en heeft aan beide notarissen de maatregel van berisping opgelegd.

3.Het geschil in de hoofdzaak

3.1.
In de hoofdzaak vordert Bever c.s. dat de rechtbank voor recht verklaart dat:
primair
  • i) de koopovereenkomsten rechtsgeldig zijn ontbonden;
  • ii) de tenuitvoerlegging van het arrest van het hof Den Haag onrechtmatig is en dat [bedrijf 1] daarom jegens Bever c.s. aansprakelijk is voor de schade die daaruit voortvloeit, op te maken bij staat;
  • iii) [bedrijf 2] onrechtmatig heeft gehandeld door te profiteren van de hiervoor genoemde tenuitvoerlegging en daarom jegens Bever c.s. aansprakelijk is voor de schade die daaruit voortvloeit, op te maken bij staat;
subsidiair
( iv) [naam 1] en [naam 2] als rechtsopvolgers van [naam 5] aansprakelijk zijn voor de onbevoegde vertegenwoordiging door [naam 5] van [bedrijf 1] bij het maken van de mondelinge afspraken met [naam 4] , en dat zij jegens Bever c.s. aansprakelijk zijn voor de schade die daaruit voortvloeit, op te maken bij staat,
een en ander met veroordeling van [bedrijf 1] in de proceskosten.
3.2.
Bever c.s. legt daaraan het volgende ten grondslag. [bedrijf 1] was gebonden aan de mondelinge afspraken tussen [naam 4] en [naam 5] . Het bewijs van deze afspraken volgt onder meer uit de verklaringen van [naam 4] en [naam 8] . Omdat [bedrijf 1] te kennen gaf dat zij zich daaraan niet gebonden achtte, had Bever c.s. een gegronde reden om de koopovereenkomsten te ontbinden. Daardoor was de tenuitvoerlegging van het arrest van het hof Den Haag onrechtmatig. [bedrijf 2] heeft hiervan geprofiteerd, wetende dat de koopovereenkomsten waren ontbonden, en dat is ook onrechtmatig. Subsidiair, als wordt geoordeeld dat de mondelinge afspraken [bedrijf 1] niet binden, geldt dat [naam 5] persoonlijk aansprakelijk was op de voet van artikel 3:70 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Zijn erfgenamen kunnen hiervoor worden aangesproken.
3.3.
[gedaagden] c.s. concludeert tot afwijzing van de vorderingen en voert daartoe het volgende aan. De gestelde mondelinge afspraken worden betwist. Als deze toch komen vast te staan, is [bedrijf 1] daaraan niet gebonden. [naam 5] was als commissaris namelijk niet bevoegd de vennootschap te vertegenwoordigen. [naam 7] en/of [naam 6] zijn bij de gestelde afspraken niet betrokken geweest. Alleen de schriftelijke koopovereenkomsten zijn leidend. [bedrijf 1] is in de nakoming daarvan niet tekortgeschoten en de door Bever c.s. ingeroepen ontbinding daarvan is dus ongegrond. De door Bever c.s. ingestelde vorderingen missen daarom feitelijke en juridische grondslag.

4.Het geschil in het incident

4.1.
In het incident vordert Bever c.s. dat de rechtbank [bedrijf 1] beveelt om inzage of afschrift te geven van:
  • i) de processtukken uit de tussen [naam 8] (en/of zijn vennootschappen) en [bedrijf 1] gevoerde procedures over de door [naam 8] gevorderde courtage en de vastlegging van de tussen deze partijen bereikte minnelijke regeling, en
  • ii) de door [bedrijf 1] aan TeekensKarstens verstrekte opdracht tot inschrijving van de koopovereenkomsten en de in verband daarmee verstrekte informatie,
een en ander op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 per dag dat [bedrijf 1] aan dit bevel niet voldoet, met veroordeling van [bedrijf 1] in de proceskosten van het incident.
4.2.
Bever c.s. legt daaraan het volgende ten grondslag. In de conclusie van antwoord in de hoofdzaak bestrijdt [gedaagden] c.s. dat [naam 8] een bemiddelende rol had bij de totstandkoming van de koopovereenkomsten. [gedaagden] c.s. suggereert verder dat de getuigenverklaring die [naam 8] hierover heeft afgelegd, zijn ingegeven door financieel eigenbelang. Met de stukken uit de procedure tussen [naam 8] en [bedrijf 1] kan inzichtelijk worden gemaakt dat [naam 8] naar waarheid heeft verklaard. De stukken over de inschrijving van de koopovereenkomsten zijn verder relevant in het licht van de beslissing van het hof Amsterdam in de tuchtzaak tegen de notarissen. Uit de stukken moet blijken op welke wijze [gedaagden] c.s. “het gedaan hebben weten te krijgen” dat de notarissen van TeekensKarstens de koopovereenkomsten hebben ingeschreven, terwijl in de koopovereenkomsten uitdrukkelijk staat dat dat niet de bedoeling was.
4.3.
[gedaagden] c.s. concludeert tot afwijzing van de vorderingen en voert daartoe het volgende aan. De verzoeken zijn in feite gelijk aan de verzoeken die Bever c.s. eerder bij deze rechtbank heeft ingediend. De goede procesorde verzet zich ertegen dat deze verzoeken opnieuw worden beoordeeld. Maar ook overigens zijn de verzoeken niet toewijsbaar. Zo zijn de genoemde stukken onvoldoende bepaald. Verder heeft Bever c.s. geen belang bij de kennisneming daarvan, omdat de stukken niet raken aan de rechtsbetrekking tussen Bever c.s. en [gedaagden] c.s. noch aan de door Bever c.s. in de hoofdzaak ingestelde vorderingen. Voor zover het gaat om correspondentie tussen [bedrijf 1] en de notarissen strandt het verzoek ten slotte ook omdat het gaat om informatie die valt onder het verschoningsrecht van de notarissen. Op die vertrouwelijkheid kan ook [gedaagden] c.s. zich beroepen.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vorderingen van Bever c.s. niet voor toewijzing in aanmerking komen. De rechtbank licht dat hierna toe.
Juridisch kader
5.2.
Artikel 194 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geeft een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking in beginsel recht op inzage, afschrift of uittreksel daarvan, mits die partij daarbij voldoende belang heeft. Op verzoek kan de rechter een daartoe strekkend bevel afgeven. Daarvoor bestaan twee procedures. Als er nog geen zaak aanhangig is (op de rol van de rechtbank ingeschreven) kan het verzoek worden ingestoken als voorlopige bewijsverrichting in de zin van artikel 196 Rv Pro. Als er al wel een zaak aanhangig is, kan het verzoek, bijvoorbeeld bij incidentele conclusie, worden ingediend bij de rechter die die zaak behandelt (artikel 195 Rv Pro).
Verkapt rechtsmiddel
5.3.
Dat laatste is hier het geval. Bever c.s. heeft echter in een eerder stadium ook al de eerstgenoemde procedure gevolgd, en toen zijn haar verzoeken (zoals hiervoor in punt 2.19 vermeld) afgewezen. Tegen die beslissing stond op grond van artikel 200 Rv Pro hoger beroep open, maar die mogelijkheid heeft Bever c.s. niet benut. De verzoeken die Bever c.s. nu indient zijn nagenoeg hetzelfde en ook gestoeld op een vrijwel gelijk feitencomplex. Weliswaar sluit de wet niet uitdrukkelijk uit dat na een procedure op de voet van artikel 196 Rv Pro ook een verzoek op grond van artikel 195 Rv Pro kan worden ingediend, maar [gedaagden] c.s. wijst in haar verweer wel terecht op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Een opvolgend verzoek mag inderdaad niet dienen als verkapt rechtsmiddel tegen een eerdere afwijzende beslissing. Een dergelijk verzoek kan daarmee in strijd zijn met de goede procesorde. Mogelijk kunnen nieuwe feitelijke of processuele ontwikkelingen onder omstandigheden aanleiding geven voor een opvolgend verzoek, maar daarvan is in dit geval geen sprake. Dat wordt hierna toegelicht.
Stukken uit de zaak tussen [naam 8] en [bedrijf 1]
5.4.
Dat [bedrijf 1] betwist dat [naam 8] bij de totstandkoming van de koopovereenkomsten heeft bemiddeld, is niet nieuw. Haar standpunt over de door Bever c.s. gestelde rol van [naam 8] – en het in het verlengde daarvan zijn verklaringen over de beweerdelijke mondelinge afspraken tussen [naam 4] en [naam 5] – was namelijk ook al een centraal thema in het eerdere inzageverzoek. Juist in dat perspectief wilde Bever c.s. ook toen zicht krijgen op de stukken uit de procedure tussen [naam 8] en [bedrijf 1] . Anders dan Bever c.s. kennelijk meent, is de stellingname van [bedrijf 1] in de hoofdzaak dus geen (nieuw) gezichtspunt om het inzageverzoek opnieuw te beoordelen en alsnog toe te wijzen.
5.5.
Dat [bedrijf 1] in de hoofdzaak – onder verwijzing naar een verklaring van [naam 1] van 8 juni 2022 – aanvoert dat de getuigenverklaringen van [naam 8] zijn ingegeven door financieel eigenbelang, is dat evenmin. De bedoelde verklaring van [naam 1] speelde immers al een rol in de kortgedingprocedure bij het hof Den Haag in juni 2022 en ook dat was dus al bij Bever c.s. bekend ten tijde van haar eerdere inzageverzoek.
Correspondentie tussen [bedrijf 1] en de notarissen
5.6.
Anders dan Bever c.s. aanvoert, geeft ten slotte ook de recente uitspraak in de tuchtzaak tegen de betrokken notarissen geen nieuw gezichtspunt ten opzichte van wat al bekend was in de eerdere inzageprocedure. Dat, zoals in die uitspraak is aangenomen, de koopovereenkomsten in de openbare registers zijn ingeschreven in opdracht van [bedrijf 1] , heeft [bedrijf 1] nooit betwist en lag ook al ten grondslag aan het eerdere inzageverzoek. Ook in zoverre is er dus geen nieuw aanknopingspunt om het inzageverzoek opnieuw te beoordelen.
Proceskosten
5.7.
Omdat de incidentele vordering wordt afgewezen en Bever c.s. dus ongelijk krijgt, moet zij, zoals door [gedaagden] c.s. gevorderd, de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] c.s. worden begroot op:
- salaris advocaat
653,00
(1 punt tegen tarief II)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging als vermeld in de beslissing)
Totaal
842,00
5.8.
Zoals door [gedaagden] c.s. gevorderd, wordt de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de verzoeken af;
6.2.
veroordeelt Bever c.s. in de proceskosten van € 842,00, te vermeerderen met € 98,00 aan extra nakosten plus de kosten van betekening als Bever c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.3.
verklaart de voormelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp, mr. D.E. Alink en mr. M.P.C. van Essen en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.