ECLI:NL:RBDHA:2026:15766

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
NL26.28502
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor werkverlof tijdens bezwaar GVVA-afwijzing kok

Verzoeker diende op 21 augustus 2025 een aanvraag in voor verlenging van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) om als kok te werken bij een Aziatisch restaurant. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag bij besluit van 5 november 2025 af. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de rechtbank om een voorlopige voorziening, zodat hij tijdens de bezwaarprocedure mocht blijven werken.

De minister gaf bij brief van 29 mei 2026 aan zich niet te verzetten tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening. De rechtbank zag geen beletselen om het verzoek toe te wijzen en besloot dat verzoeker gedurende de bezwaarperiode mocht blijven werken voor zijn werkgever. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van verzoeker.

De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter R. Hirzalla en griffier S. Pirs op 10 juni 2026 te Amsterdam. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen zodat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure mag blijven werken als kok.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.28502
V-nummer: [v-nummer],

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

(gemachtigde: mr. B.D. Lit),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Verzoeker heeft op 21 augustus 2025 een aanvraag ingediend voor een verlenging van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) om als kok werkzaamheden te verrichten bij een Aziatisch restaurant (referent). Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 5 november 2025 afgewezen.
1.1.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft ook dit verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarin hij de rechtbank verzoekt verweerder te gebieden dat verzoeker gedurende de bezwaarperiode mag werken bij referent.
1.2.
Bij brief van 29 mei 2026 heeft verweerder aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van de verzochte voorlopige voorziening.
1.3.
Nadat verweerder heeft aangegeven dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de verzochte voorziening, heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat de rechtbank de zaak af kan doen op de stukken. Verweerder heeft hier ook toestemming voor gegeven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Nu verweerder heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening, en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletselen ziet om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen.

Conclusie en gevolgen

4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Ook bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 200,- moet vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure mag blijven werken voor zijn werkgever;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200 aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.