ECLI:NL:RBDHA:2026:15774

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/09/684857 / FA RK 25-3436
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R.S. Matthijssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:12 BWArt. 1:251a BWArt. 1:253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag na kinderontvoering en vaststelling hoofdverblijfplaats

De moeder verzoekt de rechtbank om het gezamenlijk gezag over haar twee minderjarige kinderen, die eerder door de vader zijn ontvoerd naar Egypte, te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te wijzen. De vader heeft een referteverklaring ondertekend waarin hij zich niet verzet tegen het verzoek.

De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is omdat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Gezien de gewijzigde omstandigheden, waaronder het feit dat de vader de kinderen in strijd met een Egyptische rechterlijke uitspraak bij de moeder heeft weggehouden, is het verzoek ontvankelijk.

De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd, mede vanwege de vrees voor herhaling van ontvoering en de behoefte van de moeder aan rust. Tevens wordt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder vastgesteld, wat de moeder helpt bij eventuele toekomstige procedures.

De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en is op 12 mei 2026 uitgesproken door de kinderrechter R.S. Matthijssen.

Uitkomst: Het gezamenlijk gezag over de twee minderjarige kinderen wordt beëindigd en het eenhoofdig gezag aan de moeder toegekend met hoofdverblijfplaats bij haar.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3436
Zaaknummer: C/09/684857
Datum beschikking: 12 mei 2026

Gezag en hoofdverblijfplaats

Beschikking op het op 3 mei 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.G. Geerdes in Almere.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
volgens de Basisregistratie Personen geregistreerd als geëmigreerd naar Egypte (RNI).

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 6 juni 2025 van de moeder, met als bijlage een door de vader op 30 mei 2025 ondertekende referteverklaring;
  • het bericht van 8 september 2025 van de moeder, met bijlagen;
  • het bericht van 1 oktober 2025 van de moeder, met bijlagen;
  • het bericht van 3 oktober 2025 van de moeder, met bijlagen;
  • het bericht van 23 december 2025 van de moeder, met bijlage.
Op 14 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Feiten

  • De moeder en de vader zijn gehuwd geweest van 14 juli 2015 tot 23 maart 2021.
  • Zij zijn de ouders van de minderjarigen kinderen:
  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats 1] , [land] ;
  • [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats 2] , [land] ;
  • [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2025 in [geboorteplaats 3] .
  • De ouders zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] belast.
  • De moeder is alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 3] belast.
  • De moeder en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit en de vader heeft de Egyptische nationaliteit.
  • De Egyptische rechtbank heeft in op [geboortedatum 2] 2020 vastgesteld dat de vader [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in strijd met het gezagsrecht en in strijd met hun belangen bij de moeder vandaan heeft gehaald en bij haar weg heeft gehouden. De rechtbank heeft de vader opgedragen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] aan de moeder over te dragen.

Verzoek

De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens, haar voortaan met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te belasten en te bepalen dat zij hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben.
De vader heeft op 30 mei 2025 een referteverklaring ondertekend.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de voorliggende verzoeken.
Gezag
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan dus worden beëindigd, indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
Ontvankelijkheid
De rechtbank concludeert dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Er is nauwelijks (fysiek) contact tussen de vader en [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . De moeder is dus ontvankelijk in haar verzoek.
Standpunten
De moeder verzoekt om haar voortaan met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te
belasten. Zij heeft op de zitting toegelicht dat de vader [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in het verleden ontvoerd heeft naar Egypte. De moeder heeft hierover in Egypte een procedure gevoerd, maar in strijd met de uitspraak zijn [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] niet aan de moeder teruggegeven. De moeder voelde zich daarom genoodzaakt zich te herenigen met de vader om uiteindelijk met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar Nederland te kunnen komen.
De vader heeft op 30 mei 2025 een referteverklaring ondertekend, waarin hij verklaart dat hij zich niet verzet tegen het verzoek. De referteverklaring is door de advocaat van de moeder geautoriseerd.
Oordeel van de rechtbank
Omdat beëindiging van gezag niet ter vrije bepaling van de ouders staat, zal de rechtbank beoordelen of beëindiging van het gezamenlijk gezag in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk is.
De moeder is bang dat de vader de kinderen nogmaals zal ontvoeren. Dit veroorzaakt bij de moeder veel spanning. Gelet op de eerdere ontvoering en het feit dat de vader destijds geen gehoor heeft gegeven aan de uitspraak van de Egyptische rechtbank om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] weer aan hun moeder toe te vertrouwen, acht de rechtbank de vrees voor herhaling van de moeder begrijpelijk. De moeder heeft toegelicht dat het haar (enigszins) gerust zou stellen als de vader geen gezag meer over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] heeft, omdat dat de kans verkleint dat hij met hen de landsgrenzen kan passeren. De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] dat de moeder – hun hoofdverzorger – meer rust ervaart en minder vreest voor een herhaling van de gebeurtenissen uit het verleden. Dit klemt te meer omdat de moeder inziet dat het in het belang van de kinderen is dat de vader tijd met hen kan doorbrengen als hij in Nederland is. De rechtbank concludeert dat beëindiging van het gezamenlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in hun belang noodzakelijk is.
Gelet op het voorgaande en het feit dat de vader een referteverklaring heeft ondertekend, zal de rechtbank het verzoek van de moeder om haar voortaan met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te belasten, toewijzen.
Hoofdverblijfplaats
De moeder wil dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben.
De rechtbank overweegt dat uit artikel 1:12 BW Pro volgt dat de minderjarigen de woonplaats volgen van de ouder die het gezag over hen uitoefent. In beginsel heeft een ouder die alleen met het gezag over een kind is belast, dus geen belang bij vaststelling van de hoofdverblijfplaats.
Op de zitting heeft de moeder toegelicht dat haar verzoek is ingegeven door haar vrees dat de kinderen nog een keer tegen haar wil in mee worden genomen naar Egypte. De moeder heeft de hoop uitgesproken dat vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen haar zal helpen, mocht zij zich wederom tot de Egyptische autoriteiten moeten wenden. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de moeder belang heeft bij haar verzoek. De rechtbank zal het verzoek van de moeder toewijzen, omdat zij dit in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] acht.
Proceskosten
Nu het een familierechtelijke kwestie betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten
tussen de ouders te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

BeslissingDe rechtbank:

bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 4] 1989 in [geboorteplaats 4] , het gezag zal toekomen over de minderjarigen:
  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats 1] , [land] ;
  • [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats 2] , [land] ;
bepaalt dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Wien als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 12 mei 2026.