ECLI:NL:RBDHA:2026:15818

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/09/685609 / FA RK 25-3813
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Brussel II ter-verordening (nr. 2019/1111)Art. 10:56 BWArt. 815 RvArt. 3 Protocol onderhoudsverplichtingen (23 november 2007)Art. 3 Verordening onderhoudsverplichtingen (nr. 4/2009)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en vaststelling zorg- en alimentatieregeling

Partijen zijn gehuwd sinds 2021 en hebben een minderjarige zoon geboren in 2024. De rechtbank heeft op 12 mei 2026 de echtscheiding uitgesproken wegens duurzame ontwrichting van het huwelijk. De hoofdverblijfplaats van de minderjarige wordt bij de vrouw vastgesteld, die ook de dagelijkse zorg draagt.

De voorlopige zorgregeling verliep moeizaam door spanningen en beschuldigingen tussen partijen, waaronder verzoeken om een DNA-test en bedreigingen. De rechtbank acht het belang van de minderjarige voorop en bepaalt begeleid contact tussen de man en het kind onder professionele begeleiding, ondanks de tegenzin van de man.

De rechtbank stelt de kinderalimentatie vast op €326 per maand, gebaseerd op een draagkrachtvergelijking waarbij rekening is gehouden met het inkomen en de verdiencapaciteit van partijen. Het verzoek tot partneralimentatie wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de behoefte.

Het verzoek van de man tot vergoeding van €10.000 wegens vermeende overbedeling door onttrekking van geld en goudstukken uit een kluis wordt afgewezen vanwege gebrek aan bewijs. De rechtbank wijst verder alle overige verzoeken af.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, hoofdverblijfplaats kind bij vrouw, begeleid contact met man en kinderalimentatie van €326 per maand vastgesteld.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 25-3813 (echtscheiding)
FA RK 25-9426 (afwikkeling huwelijksvermogen)
Zaaknummers: C/09/685609 (echtscheiding)
C/09/696064 (afwikkeling huwelijksvermogen)
Datum beschikking: 12 mei 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 21 mei 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Bagci-Çiçek in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. Sanli in Helmond

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 27 mei 2025 van de vrouw, met bijlage;
  • het bericht van 13 juni 2025 van de vrouw, met bijlage;
  • het verweerschrift met zelfstandige verzoeken, met bijlagen, ingekomen op 29 juli 2025;
  • het bericht van 29 augustus 2025 van de man;
  • het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken, ingekomen op 19 september 2025;
  • het bericht van 30 oktober 2025 van de man;
  • het bericht van 4 november 2025 van de man;
  • het bericht van 7 november 2025 van de vrouw;
  • het bericht van 26 december 2025 van de man;
  • het bericht van 9 maart 2026 van de vrouw, met bijlage;
  • het bericht van 7 april 2026 van de man, met bijlagen.
  • het bericht van 9 april 2026 van de vrouw, met bijlagen;
  • het bericht van 13 april 2026 van de man, met bijlage.
Op 14 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd op [datum] 2021 in [plaats 1] , [land] .
  • Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] .
  • Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
  • De vrouw en [minderjarige] hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit en de man heeft in ieder geval de Turkse nationaliteit.
  • [minderjarige] verblijft op dit moment bij de vrouw.
  • Deze rechtbank heeft op 4 juli 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, waarbij – voor zover hier relevant – :
  • is bepaald dat [minderjarige] voorlopig zal worden toevertrouwd aan de vrouw;
  • is bepaald dat de man voorlopig contact heeft met [minderjarige] :
  • op vrijdag 11 juli 2025 en vrijdag 18 juli 2025 van 10:00 uur tot 12:00 bij [speeltuin] in [plaats 2] , waarbij de vrouw op de achtergrond aanwezig mag zijn en [minderjarige] brengt en haalt;
  • vanaf vrijdag 25 juli 2025: iedere vrijdag en zondag van 10:00 uur tot 12:00 uur, bij de man thuis of op een door de man aangewezen locatie binnen de [regio] , waarbij de vrouw [minderjarige] brengt en haalt;
  • partijen bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject ouderschapsbemiddeling;
  • is bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van 23 mei 2025, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 399,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
  • is bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van 23 mei 2025, voorlopig een partneralimentatie van € 227,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt, zoals dat na wijziging luidt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • tussen partijen, gehuwd op [datum] 2021, de echtscheiding uit te spreken;
  • te bepalen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben;
  • te bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van datum van het verzoekschrift zal betalen een bedrag van € 459,- althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie redelijk acht, per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , telkens bij vooruitbetaling verschuldigd;
  • te bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van datum van het verzoekschrift zal betalen een bedrag van € 824,22 per maand, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie redelijk acht, als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw, telkens bij vooruitbetaling verschuldigd.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de man zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
  • primair het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man te bepalen;
  • subsidiair en ingeval het hoofdverblijf van [minderjarige] niet bij de man kan worden bepaald, een verdeling van de zorg- en contactregeling vast te leggen tussen de man en de [minderjarige] :
  • de man heeft recht om [minderjarige] bij zich te hebben wekelijks op de vrijdagen en op de zondagen van 10:00 uur tot 18:00 uur, waarbij de vrouw [minderjarige] naar de man brengt en ophaalt;
  • gedurende een aaneengesloten periode van de helft van de (school)vakanties, (Islamitische) feestdagen en bijzondere dagen;
  • althans een dusdanige regeling die de rechtbank gerade acht;
  • en te bepalen dat de vrouw wordt veroordeeld om de in deze procedure te wijzen contactregeling na te leven, een en ander op straffe van een dwangsom van € 2.000,- per dag dat de vrouw weigert de bij beschikking vastgelegde contactregeling correct na te leven, althans een zodanig bedrag aan dwangsom, die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
  • meer subsidiair om de Raad te gelasten advies uit te brengen naar de verzoeken van de man;
  • te bepalen dat aan de man toekomt een bedrag van € 10.000,- in verband met overbedeling van de vrouw als gevolg van het onttrekken van geld en goudstukken uit de kluis door de vrouw.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 3 van Pro de Brussel II ter-verordening
(nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019) rechtsmacht om te beslissen op de verzoeken tot echtscheiding.
De rechtbank past op grond van artikel 10:56 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht toe op de verzoeken tot echtscheiding.
Ontvankelijkheid – ontbreken ouderschapsplan
Partijen hebben geen ouderschapsplan ingediend, zoals op grond van artikel 815 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is vereist. Toch zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding, omdat het partijen tot op heden niet is gelukt om zelf afspraken te maken over [minderjarige] .
Inhoudelijke beoordeling
Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en zij verzoeken om de echtscheiding uit te spreken.
De rechtbank zal de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding daarom, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.
Hoofdverblijfplaats en zorgregeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats en een zorgregeling.
Inhoudelijke beoordeling
Op de zitting is gebleken dat de voorlopige zorgregeling, vastgesteld bij beschikking van 4 juli 2025, na een moeizame start heeft gelopen tot december 2025. De vrouw heeft aangegeven dat de man meerdere keren niet is verschenen en dat voor haar de doorslaggevende reden voor het beëindigen van de regeling het feit was dat de man herhaaldelijk om een DNA-test heeft gevraagd en nare berichten heeft gestuurd, waarin hij volgens haar heeft gedreigd met de dood van [minderjarige] . De man voert aan dat de vrouw [minderjarige] niet meer heeft gebracht en dat de vrouw de berichten uit zijn verband heeft getrokken. Hij heeft aangegeven voor zichzelf een verklaring te hebben gezocht voor het niet nakomen van de zorgregeling door de vrouw, namelijk dat [minderjarige] mogelijk niet zijn kind zou zijn. Daarnaast heeft hij uitdrukkelijk betwist dat hij [minderjarige] met de dood heeft bedreigd.
De rechtbank is, evenals de Raad, van oordeel dat partijen volledig verantwoordelijk zijn voor de veiligheid van [minderjarige] , die gelet op zijn leeftijd volledig afhankelijk is van hen. De rechtbank deelt de zorg van de Raad dat de spanningen tussen partijen en hun families schadelijk zijn voor [minderjarige] . [minderjarige] heeft behoefte aan ouders die op een rustige en respectvolle wijze met elkaar kunnen omgaan. Op dit moment lijkt dit voor partijen echter niet haalbaar. Dit blijkt ook uit het feit dat Jeugdformaat na de intake heeft aangegeven dat gezamenlijke gesprekken op dit moment niet mogelijk zijn vanwege de spanningen. Tegelijkertijd acht de rechtbank het van belang dat [minderjarige] de mogelijkheid krijgt om een hechtingsband met de man op te bouwen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank op dit moment als enige mogelijkheid voor contactherstel tussen de man en [minderjarige] een vorm van begeleid contact. Op de zitting is gebleken dat de man niet bereid is hieraan mee te werken. De rechtbank spreekt de hoop uit dat de man zich alsnog bereid zal tonen in het belang van [minderjarige] . De rechtbank geeft partijen mee dat zij, bijvoorbeeld bij Jeugdformaat, kenbaar dienen te maken dat zij een vorm van begeleide omgang tussen [minderjarige] en de man wensen.
Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw te bepalen. De vrouw draagt de dagelijkse zorg voor [minderjarige] , en de rechtbank acht het in zijn belang om de juridische werkelijkheid in overeenstemming te brengen met de
feitelijke werkelijkheid en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw te bepalen.
De rechtbank zal het meer of anders verzochte met betrekking tot de zorgregeling, de hoofdverblijfplaats en het raadsrapport afwijzen.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat partijen en [minderjarige] ten tijde van de indiening van het verzoekschrift in Nederland wonen, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een kinderalimentatie.
De rechtbank past op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toe.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 459,- per maand aan kinderalimentatie dient te voldoen.
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen als uitgangspunt.
ingangsdatum
Omdat er een voorlopige kinderalimentatie is vastgesteld bij beschikking van 4 juli 2025, ziet de rechtbank aanleiding om als ingangsdatum de datum van deze beschikking te hanteren, te weten 12 mei 2026.
Behoefte [minderjarige]
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van beide partijen samen, eventueel inclusief kindgebonden budget. De rechtbank zal rekenen met de tarieven van periode 2024-II, nu partijen het erover eens zijn om aan de zijde van de man voor de behoefte uit te gaan van de winst uit onderneming in 2024.
Voor het inkomen van de man gaat de rechtbank uit van een winst uit onderneming van € 34.548,- in 2024, zoals dit volgt uit de door de man overgelegde belastingaangifte over 2024. Daarnaast wordt rekening gehouden met de zelfstandigenaftrek, de MKB winstvrijstelling, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het NBI van de man op € 2.708,- per maand.
Partijen zijn het erover eens dat de vrouw in 2024 geen inkomen had.
Partijen hebben recht op een kindgebonden budget van € 203,- per maand, waarmee het NBGI uitkomt op € 2.911,- per maand. Op basis van de ‘Tabel eigen aandeel kosten kinderen’ levert dit een behoefte op van € 380,- per maand in 2024. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van [minderjarige] € 423,- per maand.
Draagkracht man
Voor de berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van periode 2026-I met de financiële gegevens over 2025. De rechtbank zal de overgelegde jaaropgave 2025 van de man als uitgangspunt nemen en rekening houden met een jaarloon van € 43.059,-.
Daarnaast rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting bedraagt het NBI van de man € 2.958,-.
Tussen partijen is in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de man de aflossing van schulden moet worden meegenomen. De man stelt dat hij een schuld bij de Belastingdienst heeft waarop hij € 1.010,- per maand aflost. Hij voert aan dat deze schuld niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is. De vrouw voert verweer. De rechtbank overweegt als volgt. Op basis van de betalingsregeling, zoals vermeld in de brief van de Belastingdienst van 17 juli 2025, moet de schuld volledig afbetaald zijn op 31 juli 2026. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende aangetoond dat de schuld nog bestaat en dat hij daar momenteel nog op aflost, en mede gelet op de ingangsdatum van de kinderalimentatie ziet de rechtbank geen aanleiding om rekening te houden met deze schuld, voor zover deze schuld al niet verwijtbaar en vermijdbaar is.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [2.958 – (0,3 x 2.958 + 1365)] = € 494,- per maand.
Draagkracht vrouw
Tussen partijen is de draagkracht van de vrouw in geschil. De man stelt dat de vrouw
inkomsten kan genereren; op zijn minst het wettelijk minimumloon. De vrouw voert aan dat
zij geen inkomsten kan genereren, omdat zij de zorg voor [minderjarige] heeft. De rechtbank is van
oordeel dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft en dat zij in redelijkheid een netto inkomen van € 1.600,- per maand kan verdienen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de vrouw de opleiding MBO 4 Bedrijfsadministratie heeft afgerond en over relevante werkervaring beschikt. De rechtbank gaat er daarbij niet van uit dat zij fulltime zal werken, maar acht het redelijk dat zij in deeltijd in staat is om dit netto inkomen te verdienen.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Het NBI van de vrouw bedraagt € 2.100,- per maand.
Bij een NBI van € 1.950,- tot € 2.200,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI tussen € 2.100,- en € 2.150,- valt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2026) een draagkracht van € 109,- per maand voor de vrouw in aanmerking nemen.
Zorgkorting
Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen bij de zorgregeling en de uitgangspunten in het Rapport Alimentatienormen, zal de rechtbank een zorgkorting van 5% hanteren. De behoefte van [minderjarige] bedraagt € 423,- per maand, zodat de zorgkorting afgerond (0,05 x 423 =) € 21,- bedraagt.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 603,- per maand (€ 494,- + € 109,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 494 / 603 x 423 = € 347,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 109 / 603 x 423 =
€ 76,-
samen € 423,-
Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 347,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 76,- per maand komt voor rekening van de vrouw.
De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 326,- per maand (€ 347,- -/- € 21,-).
Conclusie
De rechtbank zal gelet op het voorgaande bepalen dat de man, met ingang van 12 mei 2026, € 326,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen. De rechtbank zal het meer of anders verzochte over de kinderalimentatie afwijzen.
Aanhechten berekeningen
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van de behoefte van [minderjarige] en de draagkracht van partijen. Deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat partijen in Nederland wonen, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 van Pro de Verordening betreffende onderhoudsverplichtingen (nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008) rechtsmacht om te beslissen op het verzoek tot vaststelling van
partneralimentatie.
De rechtbank past op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen Nederlands recht toe.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt. Omdat de vrouw degene is die een verzoek tot
partneralimentatie heeft gedaan, ligt het op haar weg om haar (aanvullende) behoefte te onderbouwen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij haar (aanvullende) behoefte – gelet op de gemotiveerde betwisting van de man en de omstandigheid dat zij met [minderjarige] bij haar ouders woont – onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie daarom afwijzen, ook gelet op haar verdiencapaciteit, zoals hiervoor al is besproken.
Afwikkeling huwelijksvermogen
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij ook rechtsmacht met betrekking tot het verzoek van de man om te bepalen dat aan de man toekomt een bedrag van € 10.000,- in verband met overbedeling van de vrouw als gevolg van het onttrekken van geld en goudstukken uit de kluis door de vrouw.
Aangezien de huwelijksdatum van partijen na 29 januari 2019 ligt, namelijk op [datum] 2021, is op het huwelijksvermogensregime de Huwelijksvermogensrechtverordening van toepassing.
Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht. De man en de vrouw hebben binnen zes maanden na hun huwelijk hun gewone verblijfplaats in Nederland gevestigd. Op grond van artikel 26 lid 1 sub Pro a Huwelijksvermogensrechtverordening is daarom Nederlands recht van toepassing op het huwelijksvermogen.
Inhoudelijke beoordeling
De man verzoekt te bepalen dat aan de man toekomt een bedrag van € 10.000,- in verband met overbedeling van de vrouw als gevolg van het onttrekken van geld en goudstukken uit de kluis door de vrouw. Hij voert daartoe aan dat partijen geld en goud ter waarde van ongeveer € 20.000,- in een kluis in de woning hadden opgeborgen. De man stelt dat hij recht heeft op de helft van dit bedrag.
De vrouw betwist dat er sprake was van een kluis en stelt dat het goud dat na de huwelijksceremonie resteerde, is aangewend voor de gezamenlijke huishouding en vakanties.
Gelet op deze gemotiveerde betwisting en nu de man zijn verzoek op geen enkele wijze heeft onderbouwd, zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, met elkaar gehuwd op [datum] 2021 in [plaats 1] , [land] ;
bepaalt over de zorgregeling tussen de man en de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] het volgende: er zal begeleid contact zijn tussen de man en [minderjarige] , onder regie van een daartoe aan te zoeken professionele hulpverleningsorganisatie, zoals bijvoorbeeld Jeugdformaat;
bepaalt dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van deze beschikking, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 326,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Wien als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 12 mei 2026.