Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15819

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/09/702063 / KG ZA 26-314
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 555 RvArt. 18 e.v. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis tot ontruiming echtelijke woning en vaststelling zorgregeling na echtscheiding

Partijen zijn gehuwd geweest van 2021 tot 2025 en hebben twee minderjarige kinderen. De echtelijke woning is volledig eigendom van de man. In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de vrouw de woning zes maanden na inschrijving van de echtscheiding mag bewonen, tot 20 mei 2026, onder betaling van een gebruiksvergoeding.

De man vordert ontruiming van de woning per 20 mei 2026 en uitbreiding van de zorgregeling, terwijl de vrouw verzoekt om verlenging van het gebruiksrecht van de woning en nakoming van financiële verplichtingen. De voorzieningenrechter constateert dat de vrouw nog geen alternatieve woonruimte heeft gevonden, maar geeft haar een korte termijn tot 30 augustus 2026 om de woning te verlaten, rekening houdend met het belang van de kinderen bij stabiliteit.

De zorgregeling wordt voorlopig vastgesteld op een weekendregeling met aanwezigheid van opa en oma, totdat een bodemprocedure een definitieve regeling kan vaststellen. Financiële vorderingen van de vrouw worden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De vrouw moet de woning uiterlijk 30 augustus 2026 ontruimen en de voorlopige zorgregeling wordt vastgesteld met weekendverblijf bij de man.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/702063 / KG ZA 26-314
Vonnis in kort geding van 12 mei 2026
in de zaak van
[de man]te [woonplaats],
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. W.N. Sardjoe te ’s-Gravenhage,
tegen:
[de vrouw]te [woonplaats],
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. J.B. Peters te Zoetermeer.
Partijen worden in het navolgende respectievelijk ‘de man’ en de ‘vrouw’ genoemd.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
 de dagvaarding met producties;
 de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met producties;
 de akte houdende een wijziging van eis, met aanvullende producties.
1.2
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1
Partijen zijn gehuwd geweest met elkaar van [datum 1] 2021 tot [datum 2] 2025. Partijen zijn de ouders van de minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats].
Partijen oefenen het gezamenlijk gezag uit over de kinderen.
2.2
Partijen bewoonden staande huwelijk een woning te [plaats], die in volledig eigendom is van de man. In de echtscheidingsbeschikking van 18 juli 2025 van deze rechtbank is, voor zover hier van belang, bepaald dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, onder betaling van een gebruiksvergoeding ter hoogte van de helft van de (niet vermogensvormende) lasten van de echtelijke woning. Ook is een opbouwende zorgregeling vastgelegd waarbij de kinderen bij de man zullen zijn:
 in week 31 en in week 33: gedurende twee uur in de middag op een in onderling overleg te bepalen doordeweekse dag, onder begeleiding van iemand van het SKT dan wel een door het SKT aan te wijzen professionele instantie, op een door het SKT dan wel de andere instantie te bepalen locatie en zonder de aanwezigheid van opa en oma, waarbij de man voorafgaand aan de contactmomenten urinecontroles dient te overleggen;
 in week 35 en in week 37: gedurende vier uur op een in onderling overleg te bepalen doordeweekse middag en onder begeleiding van iemand van het SKT dan wel een door het SKT aan te wijzen instantie;
 in week 39 en 41: gedurende vier uur op een in onderling overleg te bepalen doordeweekse middag in aanwezigheid van opa en oma (vaderszijde) en op een neutrale locatie;
 in week 43 en 45: gedurende een hele dag in het weekend, in aanwezigheid van opa en oma (vaderszijde) en in onderling overleg te bepalen welke dag;
 vanaf week 47: om de week één weekenddag, zonder de aanwezigheid van opa en oma en waarbij de man voorafgaand aan de eerste twee contactmomenten urinecontroles overlegt.
2.3
In november 2025 is een traject gestart voor de kinderen. Er heeft begeleide omgang plaatsgevonden via [zorginstantie]. De eerste onbegeleide omgangsmomenten hebben plaatsgevonden op 15 en 29 maart 2026.

3.Het geschil

in conventie
3.1
De man vordert in conventie – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven:
de vrouw te veroordelen de woning te [plaats] aan de [adres] uiterlijk op 20 mei 2026t te ontruimen en uiterlijk op 21 mei 2026 het exclusieve gebruiksrecht toe te kennen aan de man, met machtiging aan de man om het vonnis ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm,
subsidiair op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag;
te bepalen dat indien de man de vrouw dient te ontruimen, alle kosten voor rekening zullen komen van de vrouw;
te bepalen dat de vrouw de door de rechtbank bij beschikking van 18 juli 2025 vastgestelde gebruiksvergoeding uiterlijk binnen een week na uw vonnis dient te voldoen en zij de beschikking dient na te komen, welke vergoeding is begroot vanaf de datum van de inschrijving van de echtscheiding tot en met mei 2026 op € 2.206,18, op straffe van een dwangsom;
vast te stellen dat de man - in afwachting van een definitief ouderschapsplan of een eventuele bodemprocedure ten aanzien van de zorgregeling - met ingang van 1 mei 2026 de kinderen op de navolgende wijze bij zich zal hebben;
a. reguliere zorgregeling: de kinderen verblijven eens per twee weken van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de man, waarbij de vrouw de kinderen zal brengen naar de man en hij de kinderen zal terugbrengen naar de vrouw, subsidiair: om de week een weekenddag;
b. zomervakantie: wordt verdeeld in twee gelijke delen, waarbij de kinderen
i. in de even kalenderjaren de eerste drie weken van de zomervakantie bij de man verblijven, en
ii. in de oneven kalenderjaren de laatste drie weken van de zomervakantie bij de man verblijven; tenzij partijen uitdrukkelijk schriftelijk en tijdig anders overeenkomen;
c. de overige schoolvakanties verblijven de kinderen bij de vrouw, met uitzondering van één vast lang weekend per vakantie, waarbij de kinderen bij de man verblijven van vrijdag 12.00 uur tot zondag 19.00 uur;
d. de feestdagen worden evenredig verdeeld op de navolgende wijze;
i. Kerst: in even kalenderjaren verblijven de kinderen op eerste kerstdag bij de vrouw en op tweede kerstdag bij de man; in oneven kalenderjaren is dit omgekeerd;
ii. Oud en Nieuw: in even kalenderjaren verblijven de kinderen tijdens oudejaarsdag en nieuwjaarsdag bij de man, in oneven kalenderjaren bij de vrouw;
iii. verjaardagen van de kinderen: in 2026 verblijven de kinderen op hun verjaardagen bij de man, in 2027 bij de vrouw, waarna dit jaarlijks wisselt; waarbij de kinderen bij de desbetreffende ouder (lees: vader) verblijft van 12.00 uur tot 19.00 uur, dan wel na schooltijd tot 19.00 uur indien het een schooldag betreft,
iv. de kinderen zijn bij de ouder op de verjaardagen van ouders en op Vaderdag/Moederdag waarbij de kinderen bij de desbetreffende ouder (lees: vader) verblijft van 12.00 uur tot 19.00 uur, dan wel ten aanzien van de verjaardagen van een ouder na schooltijd tot 19.00 uur indien het een schooldag betreft;
indien voornoemde dagen vallen in een regulier omgangsweekend van vader of moeder waarin de kinderen reeds bij die ouder verblijven, zijn deze tijden niet van toepassing;
zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag;
5. bij wijze van voorwaardelijke vordering: de minderjarigen met ingang van 21 mei 2026 voorlopig aan de man toe te vertrouwen (indien de vrouw geen woonruimte heeft om de kinderen te accommoderen) zolang de vrouw geen adequate woonruimte heeft verworven, althans een regeling vast te stellen die de rechtbank redelijk acht, op straffe van een dwangsom;
6. de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding.
3.2
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. De echtelijke woning behoort in volledige eigendom toe aan de man. Toen de man in maart 2024 de relatie beëindigde heeft hij de woning tijdelijk in het belang van de kinderen verlaten. Vervolgens is in de voorlopige voorzieningen procedure het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw toegekend. Ook is in de echtscheidingsprocedure bepaald dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Inmiddels is die termijn bijna verstreken en moet de vrouw de woning op 20 mei 2026 verlaten. Ondanks dat de vrouw vanaf het begin weet dat zij niet in de woning kan blijven en dat zij actief op zoek moet gaan naar vervangende woonruimte, heeft zij dit volgens de man niet gedaan. De vrouw heeft zich onvoldoende ingespannen om vervangende woonruimte te vinden. Ze verblijft nu al ruim twee jaar kosteloos in de woning en betaalt ook de gebruiksvergoeding niet. Volgens de man kan de vrouw bij familieleden verblijven. Daarnaast is de man van mening dat de zorgregeling moet worden uitgebreid, nu de fase inmiddels is bereikt dat de man en de kinderen onbegeleid omgang met elkaar horen te hebben. De verslagen van [zorginstantie] over de contactmomenten tussen de man en de kinderen zijn positief.
3.3
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
3.4
De vrouw vordert – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – en zakelijk weergegeven:
te bepalen dat de vrouw met uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het voortgezet gebruik van de woning te [woonplaats] aan de [adres] voor de duur van maximaal zes maanden na 20 mei 2026, althans een nader te bepalen periode, met oplegging aan de vrouw van een gebruiksvergoeding;
de man te veroordelen tot het nakomen van de beschikking van de rechtbank van 18 juli 2025 en te bepalen dat de man binnen 14 dagen na vonnisdatum alsnog inzage aan de vrouw dient te geven ter zake de beleggingen bij Etrade en Saxobank per peildatum en de man te veroordelen om de helft van hetgeen aan beleggingen per peildatum door die instanties verschuldigd is bij helfte aan de vrouw te betalen, tegen behoorlijk bewijs van betaling;
de man te veroordelen tot het nakomen van de beschikking van 18 juli 2025 en te bepalen dat de man binnen 14 dagen na vonnisdatum alsnog inzage aan de vrouw dient te geven betreffende de pensioenverzekeringen/beleggingen bij Zwitserleven en Aegon en de man te veroordelen om hetgeen aan beleggingen/ pensioenen per peildatum door die instanties verschuldigd is bij helfte aan de vrouw te betalen tegen behoorlijk bewijs van betaling;
de man te veroordelen om met ingang van 14 dagen na vonnisdatum aan de vrouw te betalen de somma van € 3231,50 en daarbij te bepalen dat dit bedrag door de vrouw aan de belastingdienst ter inlossing op de schulden betreffende het kindgebonden budget 2023/2024 zal worden betaald, tegen behoorlijk bewijs van betaling;
de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw een bedrag van € 5633,40 te vermeerderen met een bedrag van € 687 per maand vanaf l mei 2026 tot aan de dag dat de vrouw het kindgebonden budget en de AOK ontvangt;
althans die beslissingen te nemen die de voorzieningenrechter juist acht;
kosten rechtens, dat ieder de eigen kosten betaalt, althans dat de man in de kosten van de reconventie wordt veroordeeld.
3.5
Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. De man heeft zich niet uit de woning uitgeschreven waardoor de vrouw sinds de datum van de echtscheidingsbeschikking het kindgebonden budget en de alleenstaande ouder kop misloopt. De vrouw heeft dit bedrag nodig om te kunnen voorzien in de kosten van haar levensonderhoud en dat van de kinderen. Ook in de echtscheidingsbeschikking is bij de berekening van de partneralimentatie hiermee rekening gehouden. Volgens de echtscheidingsbeschikking heeft de man toegezegd de vrouw informatie en inzage te geven in de stukken met betrekking tot Etrade, Saxo bank, Zwitserleven en Aegon. In de echtscheidingsbeschikking is ook bepaald dat de man en de vrouw beiden voor de helft van de schuld aan de belastingdienst aansprakelijk zijn. De vrouw betaalt haar deel, maar de man niet.
3.6
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

in conventie en reconventie
4.1
Nu de vorderingen in conventie en in reconventie goeddeels met elkaar samenhangen zullen die hierna gezamenlijk worden besproken.
Ontruiming van de woning
4.2
In geschil is of de vrouw na 20 mei 2026 nog in de woning mag blijven wonen en zo ja voor hoe lang nog.
4.3
De voorzieningenrechter stelt voorop dat in de echtscheidingsbeschikking van 18 juli 2025 is bepaald dat de vrouw bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De echtscheiding tussen partijen is ingeschreven op 20 november 2025 zodat de vrouw op grond van de beschikking gerechtigd is om tot en met 20 mei 2026 in de woning te blijven. De vrouw meent dat haar in het kader van een belangenafweging toch nog een nadere ‘terme de grace’ moet worden gegund, omdat zij anders met de kinderen op straat zal belanden. De man betwist dat. Hij meent dat de vrouw zich onvoldoende heeft ingespannen om een woning te vinden en heeft erop gewezen dat de kinderen zo nodig (tijdelijk) bij hem in de woning kunnen wonen, totdat de vrouw passende woonruimte heeft gevonden.
4.4
De voorzieningenrechter stelt vast dat duidelijk is dat de vrouw op dit moment nog geen andere woning heeft gevonden en het niet valt te verwachten dat dat al op 20 mei a.s. anders zal zijn. Dat klemt te meer nu recent is gebleken dat de [gemeente] haar urgentieaanvraag voor een sociale huurwoning heeft afgewezen. Volgens de vrouw heeft zij ook andere inspanningen verricht om alternatieve woonruimte te krijgen, maar is ook dat niet gelukt. De man betwist dat de vrouw voldoende inspanningen heeft verricht, maar de vrouw heeft onder verwijzing naar producties 11 en 15 gemotiveerd gesteld veel pogingen te hebben ondernomen een woning te vinden. Daar zal de voorzieningenrechter voorshands van uit gaan. Dat laat echter onverlet dat de vrouw er niet zonder meer van uit kan gaan dat zij daarom nog veel langer in de woning kan blijven wonen. Het betreft immers een woning die in volle eigendom is van de man, terwijl het gebruiksrecht van die woning voor de vrouw is beperkt tot de wettelijke termijn van zes maanden. De voorzieningenrechter ziet in dit geval wel aanleiding de vrouw een korte nadere termijn te geven en overweegt daartoe als volgt.
4.5
Het belang van de kinderen bij stabiliteit weegt in de beoordeling voor de voorzieningenrechter zwaar. Voor de kinderen zal een vertrek uit de woning per 21 mei a.s. betekenen dat zij op stel en sprong gedurende het schooljaar moeten verhuizen uit de woning, terwijl er nog geen alternatieve woonruimte beschikbaar is. Dat geeft veel spanning en onzekerheid, die evident schadelijk is voor de kinderen. Hoewel de man heeft aangegeven dat de kinderen voorlopig wel bij hem in de woning kunnen blijven, is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit geen reële optie is, nu op de zitting gebleken is dat de huidige zorgregeling tussen de man en de kinderen nog moeizaam verloopt. Ondanks de positieve verslagen van [zorginstantie] is de fase van onbegeleide omgang tussen de man en de kinderen nog niet lang van kracht. De man en de kinderen hebben sinds kort 1 weekenddag per twee weken onbegeleid omgang met elkaar en deze regeling is nog niet uitgebreid naar een volledig weekend verblijf bij de man. Nu de man en de kinderen nog maar weinig regulier contact hebben gehad en de regeling bovendien moeizaam verloopt, acht de voorzieningenrechter het niet in het belang van de kinderen om hen van de ene dag op de andere volledig uit de zorg van hun moeder te halen en hen volledig door de vader te laten verzorgen. Gelet op het voorgaande acht de voorzieningenrechter het gerechtvaardigd dat de vrouw en de kinderen nog in de woning kunnen blijven totdat het lopende schooljaar van de kinderen voorbij is. Dat geeft de vrouw nog een korte periode om noodmaatregelen te treffen en de verhuizing in de grote vakantie te realiseren. Van de vrouw mag daarbij in het belang van de kinderen worden verwacht alles in het werk te stellen om (tijdelijke) woonruimte te bemachtigen en zo nodig met de man in gesprek te gaan over alternatieve oplossingen. De voorzieningenrechter zal bepalen dat de vrouw uiterlijk op 30 augustus 2026 (dus aan het eind van de zomervakantie) de echtelijke woning dient te ontruimen met medeneming van haar eigendommen. Zij zal ook over deze nadere periode van bewoning de reeds bij beschikking opgelegde gebruikersvergoeding aan de man moeten betalen. De door de man gevorderde toevertrouwing van de kinderen aan hem zal worden afgewezen.
4.6
De vordering om de ontruiming zo nodig met behulp van de sterke arm van politie ten uitvoer te leggen wordt bij gebrek aan belang afgewezen, aangezien deze bevoegdheid al volgt uit de artikelen 555 en verder van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De subsidiair gevorderde dwangsom zal eveneens worden afgewezen nu daarbij geen zelfstandig belang bestaat, omdat de ontruiming door de deurwaarder kan plaatsvinden. De vordering om de vrouw te veroordelen in de kosten van een gedwongen ontruiming wordt eveneens afgewezen, aangezien op voorhand niet te beoordelen is of deze kosten in redelijkheid worden gemaakt.
De zorgregeling
4.7
Op de zitting is gebleken dat partijen in de door de bodemrechter vastgestelde zorgregeling in de laatste fase waren beland, waarbij de man en de kinderen om de week een weekenddag onbegeleid contact hebben met elkaar. Na een incident tijdens een omgangsmoment is de regeling echter door de vrouw gestaakt. Partijen hebben nog geen definitieve afspraken gemaakt over een zorgregeling en de man wenst in afwachting van een te maken ouderschapsplan of eventuele volgende bodemprocedure de zorgregeling uit te breiden naar een weekendregeling, waarbij de kinderen om de week van vrijdag 19:00 uur tot zondag 19:00 uur bij de man zullen zijn. De vrouw acht het niet in het belang van de kinderen dat er in kort geding zulke verstrekkende beslissingen over de kinderen worden genomen. De vrouw acht het van belang dat de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek doet en de kinderen hierin worden gehoord.
4.8
De voorzieningenrechter is van oordeel dat er zo snel mogelijk door de meest gerede partij een bodemprocedure moet worden gestart om te komen tot een definitieve zorgregeling, nu niet te verwachten valt dat partijen er onderling uitkomen. In die procedure kan zorgvuldig worden bekeken welke zorgregeling het meest in het belang van de kinderen is. In de tussentijd zal de voorzieningenrechter bepalen dat de regeling zoals vastgelegd in de echtscheidingsbeschikking van 18 juli 2025 dient te worden hervat, met een stap terug naar de een voor laatste fase, waarbij de kinderen bij de man zullen zijn gedurende een hele dag in het weekend, in aanwezigheid van opa en oma (vaderszijde) op een in onderling overleg te bepalen weekenddag. Deze regeling zal gelden totdat de ouders in onderling overleg anders afspreken dan wel in de te starten bodemprocedure anders is beslist.
4.9
De vordering van de man ten aanzien van een verdeling van de toekomstige schoolvakanties en de feestdagen zal de voorzieningenrechter afwijzen. Naar oordeel van de voorzieningenrechter ontbreekt daarbij het spoedeisend belang. Nu in dit kort geding ook niet valt vast te stellen of een verdeling van de grote vakantie 2026 bij helfte in het belang van de kinderen is zal ook die vordering worden afgewezen. Partijen moeten in overleg bezien wat de komende vakantie haalbaar is, mede gelet op de aanstaande verhuizing.
4.1
De voorzieningenrechter zal de door de man gevorderde dwangsom op nakoming van de voorlopige zorgregeling zoals in dit vonnis is bepaald toewijzen, nu de vrouw de zorgregeling eerder eenzijdig heeft stopgezet. De dwangsom zal wel worden gematigd tot een bedrag van € 100,- per dag met een maximum van € 5.000,-.
Betaling gebruiksvergoeding
4.11
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vrouw bij beschikking is veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding. Partijen hebben kennelijk geen overeenstemming over de hoogte van die vergoeding. In dit kort geding kan ook niet met zekerheid worden vastgesteld welk bedrag juist is, Daarvoor leent dit geding zich niet. Het is aan (de advocaten van) partijen hierover te overleggen onder verstrekking van bewijsstukken ter zake. Voor zover partijen hier niet in onderling overleg uit komen dienen zij daarvoor een bodemprocedure te starten. De vordering van de man tot betaling van een concreet bedrag zal dan ook worden afgewezen.
Vordering inzage stukken
4.12
De vorderingen van de vrouw om de man te veroordelen tot nakoming van de echtscheidingsbeschikking en de vrouw inzage te geven in de stukken betreffende Etrade, Saxo bank, Zwitserleven en Aegon zal de voorzieningenrechter bij gebrek aan belang afwijzen, nu op de zitting is gebleken dat de man kort voor de zitting deze stukken naar de vrouw heeft verzonden en de vrouw heeft aangegeven deze stukken te hebben ontvangen, maar nog niet te hebben bekeken. De advocaten van partijen zullen voor zover nodig een en ander met elkaar afstemmen.
Overige financiële vorderingen van de vrouw
4.13
De voorzieningenrechter zal de financiële vorderingen van de vrouw afwijzen, nu deze vorderingen zich niet lenen voor een beoordeling in een kort geding procedure. Er valt in een spoedprocedure niet vast te stellen welke bedragen over en weer moeten worden betaald, dan wel met elkaar moeten worden verrekend. Partijen zullen ook dit geschil met hulp van hun advocaten moeten proberen op te lossen.
4.14
Gelet op de aard van het geschil en omdat partijen ex-partners zijn zal de voorzieningenrechter de proceskosten in conventie en reconventie compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1
veroordeelt de vrouw om de woning uiterlijk 30 augustus 2026 te ontruimen en met al haar zich daarin bevindende eigendommen te verlaten en de sleutels ter beschikking van de man te stellen;
5.2
bepaalt dat de kinderen [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats], voorlopig bij de man zullen zijn gedurende een hele dag in het weekend, in aanwezigheid van opa en oma (vaderszijde) waarbij in onderling overleg wordt bepaald welke weekenddag, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag dat de vrouw deze zorgregeling niet nakomt met een maximum van € 5.000,-;
5.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
5.6
wijst het gevorderde af;
5.7
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.
AFL