Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15828

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/09/681437 / FA RK 25-1713 en C/09/689181 / FA RK 25-5681
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 827 RvArt. 1:157 BWArt. 3 Protocol 23 november 2007Art. 218 TBW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en verdeling huwelijksgemeenschap naar Turks recht

Partijen, gehuwd in 1983 in Turkije en beiden Nederlands staatsburger, verzoeken echtscheiding met nevenvoorzieningen. De rechtbank bevestigt de duurzame ontwrichting van het huwelijk en spreekt de echtscheiding uit. De zorgregeling voor de meerderjarige zoon met een verstandelijke beperking wordt toegewezen aan de man, met omgangsregeling op zaterdagavond.

De vrouw krijgt het huurrecht van de echtelijke woning toegewezen, waar zij momenteel woont, en de man mag de woning niet betreden. De rechtbank stelt partneralimentatie vast waarbij de vrouw aan de man een bruto bedrag van €356 per maand betaalt, ingaande op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, na uitgebreide berekening van behoefte en draagkracht.

De verdeling van de huwelijksgemeenschap wordt beheerst door Turks recht, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het oude en nieuwe Turks Burgerlijk Wetboek. De woning wordt getaxeerd door een door de rechtbank aangewezen makelaar, met voorwaarden voor overname door de man of verkoop en verdeling van de opbrengst. Auto’s en bankrekeningen worden verdeeld met vergoeding aan de vrouw. Onroerende zaken in Turkije worden niet verdeeld vanwege lopende procedure aldaar.

De rechtbank wijst de verzoeken tot partneralimentatie van de man af en bepaalt dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken met zorgregeling, huurrecht aan vrouw, partneralimentatie van vrouw aan man en verdeling huwelijksgemeenschap volgens Turks recht met taxatie woning.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummers: FA RK 25-1713 (echtscheiding) en FA RK 25-5681 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/681437 (echtscheiding) en C/09/689181 (verdeling)
Datum beschikking: 12 mei 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 4 maart 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Erik te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Ertekin te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het F9-formulier van 14 maart 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 18 maart 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 19 maart 2026 van de advocaat van de man, met bijlagen.
Op 30 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en tolk M. Sivridag;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat en tolk M. Ates.
Na de zitting zijn de volgende stukken ontvangen:
- het bericht van 30 maart 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [dag] 1983 te [plaats] , Turkije.
- Zij zijn de ouders van de volgende inmiddels meerderjarige kinderen:
- [naam 1] , geboren op [geboortedatum 1] 1985 te [geboorteplaats 1] , [geboorteland] ;
- [naam 2] , geboren op [geboortedatum 2] 1987 te [geboorteplaats 1] , [geboorteland] ;
- [naam 3] , geboren op [geboortedatum 3] 1998 te [geboorteplaats 2] .
- Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat de man en de vrouw de Nederlandse nationaliteit hebben.
- Deze rechtbank heeft op 14 maart 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, waarbij, voor zover van belang:
- is bepaald dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres 1] en is mitsdien bevolen dat de man die woning verder niet mag betreden;
- is bepaald dat [naam 2] voorlopig iedere zaterdag, van 18.00 uur tot 21.00 uur, bij de man verblijft;
- is bepaald dat de man, met ingang van 10 februari 2025, een voorlopige partneralimentatie aan de vrouw zal betalen van € 599,- bruto per maand, vanaf 14 maart 2025 telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen.

Verzoek en verweer

De vrouw heeft – na aanvulling – verzocht om de echtscheiding uit te spreken met de volgende nevenvoorzieningen:
- te bepalen dat de man een partneralimentatie dient te voldoen van € 816,- per maand, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, met ingang van de datum van de indiening van het verzoekschrift, althans een partneralimentatie zoals de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
- de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen en te bepalen dat:
- het huurrecht van de echtelijke woning te [adres 1] , wordt toegedeeld aan de vrouw;
- de onroerende zaak en de hypothecaire geldlening wordt toegedeeld aan de man;
- de man binnen een maand na de echtscheidingsbeschikking dient aan te tonen dat hij in staat is om de overname te financieren en binnen drie maanden na de echtscheidingsbeschikking de woning en de hypothecaire geldlening dient over te nemen;
- in het geval de man de woning overneemt, hij aan de vrouw een vergoeding uit overbedeling betaalt gelijk aan de helft van de overwaarde van de woning ten tijde van de feitelijke verdeling van de woning;
- de waarde van de woning wordt vastgesteld middels een bindende taxatie waarvoor de man drie makelaars aanwijst en de vrouw een kiest;
- in het geval de man er niet in slaagt om de woning over te nemen binnen drie maanden na de echtscheidingsbeschikking, de woning wordt verkocht en dat partijen de verkoopopbrengst bij helfte delen;
- partijen beiden hun rekeningnummers op naam behouden en dat de saldi van alle rekeningen bij helfte dienen te worden verdeeld;
- de auto’s worden toegedeeld aan de man, de man betaalt uit overbedeling de helft van de waarde van de auto’s aan de vrouw, althans de auto’s worden verkocht en partijen delen de opbrengsten bij helfte, althans de man betaalt uit overbedeling althans benadeling een vergoeding aan de vrouw ad € 7.225,-;
- de onroerende zaken in Turkije worden verkocht en de opbrengsten worden gedeeld bij helfte;
- althans een verdeling zoals de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De man heeft zich ten aanzien van de verzoeken met betrekking tot de echtscheiding, het huurrecht en de verdeling van de onroerende zaak en de daaraan gekoppelde hypothecaire lening gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De man heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken met de volgende nevenvoorzieningen:
- te bepalen dat de man iedere zaterdag van 18.00 uur tot 21.00 uur omgang zal hebben met [naam 2] ;
- te bepalen dat de verdeling van het huwelijksvermogen van partijen conform punt 12 tot en met 22 van het verweerschrift wordt vastgesteld;
- de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De vrouw heeft zich niet verzet tegen de verzochte zorgregeling met [naam 2] . De vrouw heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
De man heeft aanvullend verzocht:
- te bepalen dat de vrouw aan de man zal betalen een bijdrage in zijn levensonderhoud met een bedrag van € 490,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, of een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage zodanig vast te stellen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, primair met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, subsidiair vanaf 1 september 2025 en meer subsidiair vanaf de datum van de afgifte van de beschikking.

Beoordeling

Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu beide echtgenoten de Nederlandse nationaliteit hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Overwegingen rechtbank
De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist en heeft eveneens verzocht om de echtscheiding uit te spreken, zodat de echtscheiding zal worden uitgesproken.
Zorgregeling
De rechtbank overweegt als volgt. [naam 2] is de meerderjarige zoon van partijen. In artikel 827 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden alleen minderjarige kinderen genoemd. De man heeft aangegeven dat [naam 2] een verstandelijke beperking heeft, waardoor hij op het niveau van een achtjarige functioneert. Gelet hierop en nu de vrouw zich niet heeft verzet tegen de door de man verzochte zorgregeling met [naam 2] , zal de rechtbank de man ontvangen in zijn verzoek en het verzoek van de man toewijzen.
Toedeling huurrecht echtelijke woning
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw en wordt dit verzoek volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.
Overwegingen rechtbank
De vrouw heeft aangegeven dat de man de echtelijke woning heeft verlaten. De vrouw woont momenteel in de woning. De man heeft ingestemd met het verzoek van de vrouw tot bepaling dat het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw toekomt. De rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de vrouw en de man in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van de alimentatieverzoeken. Op de verzoeken tot alimentatie voor de vrouw en de man zal de rechtbank op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de vaststelling van de partneralimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man een partneralimentatie dient te voldoen van € 816,- per maand, met ingang van de datum van de indiening van het verzoekschrift. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw een bijdrage in zijn levensonderhoud van € 490,- per maand zal betalen, primair met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, subsidiair vanaf 1 september 2025 en meer subsidiair vanaf de datum van de beschikking.
Ingangsdatum
Op grond van artikel 1:157 BW Pro kan de partneralimentatie niet eerder ingaan dan op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal daarom met ingang van deze datum de partneralimentatie vaststellen. Voor de eerder verzochte ingangsdatum bestaat geen rechtsgrond. Dit deel van de verzoeken zal daarom worden afgewezen.
Behoefte
De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw en de man berekenen aan de hand van de Hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van het uiteengaan van partijen. De rechtbank zal bij de berekening van de behoefte uitgaan van de periode 2025-I, nu partijen begin 2025 uit elkaar zijn gegaan.
Partijen zijn het niet eens over het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 44.012,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde jaaropgave over 2025. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.981,- per maand in 2025. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Partijen zijn het ook niet eens over het NBI van de man, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 2.984,- bruto per maand en 8% vakantietoeslag, zoals blijkt uit de door de man overgelegde salarisspecificaties over augustus en oktober tot en met december 2025. Ook gaat de rechtbank uit van de pensioenpremies van € 123,- per maand en de bijdrage voor de personeelsvereniging van € 2,- per maand. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.
Tussen partijen zijn de huurinkomsten van de man in geschil. De vrouw heeft gesteld dat de man € 1.000,- per maand aan huurinkomsten heeft, die hij gedeeltelijk ook contant ontvangt. De man heeft aangevoerd dat de huuropbrengst € 590,45 per maand is. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een huurovereenkomst van 4 april 2021 overgelegd. Uit de door de vrouw overgelegde belastingaangifte van 2023 volgt een jaarhuur van de woning van € 7.248,- per jaar, zijnde € 604,- per maand. De rechtbank acht aannemelijk dat de huur van de woning de afgelopen jaren is gestegen. De rechtbank zal daarbij uitgaan van de volgende percentages huurverhoging zoals bepaald door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS): 5,4% in 2024 en 4,9% in 2025. Gelet hierop zal de rechtbank rekening houden met huurinkomsten van € 668,- per maand. Gebleken is dat de man de huuropbrengst ontvangt en dat hij de kosten verbonden aan de woning (hypotheek en VvE-bijdrage) voldoet. Bij het inkomen uit de huurwoning gaat de rechtbank daarom uit van € 668,- (de huuropbrengst) - € 252,- (de hypotheektermijn) - € 60,- (de VvE-bijdrage) = € 356,- per maand, zijnde € 4.272,- per jaar.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man op € 2.858,- per maand in 2025. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De rechtbank berekent het NBGI op € 5.839,- (€ 2.981,- + € 2.858,-). De huwelijks-gerelateerde behoefte van de vrouw en de man bedraagt dan volgens de Hofnorm € 3.503,- netto per maand (60% van € 5.839,- per maand). Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van zowel de vrouw als van de man € 3.664,-.
Aanvullende behoefte vrouw
Op voornoemde netto behoefte van de vrouw van € 3.664,- per maand moet haar huidige NBI in mindering worden gebracht. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 3.918,- bruto per maand, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde salarisspecificaties over januari en februari 2026. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 3.139,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht. Dit NBI komt in mindering op de behoefte van de vrouw, zodat haar aanvullende behoefte € 525,- netto per maand bedraagt (€ 3.664,- minus € 3.139,-).
Aanvullende behoefte man
Op voornoemde netto behoefte van de man van € 3.664,- per maand moet zijn huidige NBI in mindering worden gebracht. Voor de berekening van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 2.130,- bruto per maand, een doorbetaling vanwege ziekte van € 456,- bruto per maand en 8% vakantietoeslag, zoals blijkt uit de door de man overgelegde salarisspecificaties over januari en februari 2026. Ook gaat de rechtbank uit van de pensioenpremies van € 105,- per maand en de bijdrage voor de personeelsvereniging van € 2,- per maand. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de voormelde huurinkomsten van de man van € 356,- per maand. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man op € 2.750,- per maand in 2026. Dit NBI komt in mindering op de behoefte van de man, zodat zijn aanvullende behoefte € 914,- netto per maand bedraagt (€ 3.664,- minus € 2.750,-).
TussenconclusieNu de aanvullende behoefte van de man aanzienlijk hoger is dan de aanvullende behoefte van de vrouw is er geen grond voor toekenning van het verzoek tot partneralimentatie van de vrouw. Hierna zal de rechtbank de draagkracht van de vrouw berekenen.
Draagkracht vrouw
Op basis van de hiervoor genoemde financiële gegevens en uitgangspunten bij de aanvullende behoefte van de vrouw berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 3.139,- per maand in 2026.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van haar draagkracht volgens de aanbevelingen uit het rapport de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)] toepassen.
De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 499,- per maand, te weten
60% x [€ 3.139,- -/- (0,3 x € 3.139,- + € 1.365,-)]. Gebruteerd komt dit neer op € 795,- per maand. De draagkracht van de vrouw is dus ruim voldoende voor het door de man verzochte bedrag aan partneralimentatie van € 490,- per maand.
Inkomensvergelijking
Om te bepalen of de ene partij door voldoening van partneralimentatie niet in een nadeliger financiële positie komt te verkeren dan de andere partij, heeft de rechtbank een inkomensvergelijking gemaakt. Uit de inkomensvergelijking volgt dat de vrouw bij een bedrag van € 356,- bruto per maand aan partneralimentatie een gelijk te besteden vrije ruimte als de man overhoudt. Aangezien dit bedrag lager ligt dan de draagkracht van de vrouw, zal de rechtbank de inkomensvergelijking volgen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat met ingang van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de vrouw aan de man een partneralimentatie van € 356,- bruto per maand zal betalen. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage zal de rechtbank afwijzen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
Nu noch door de man, noch door de vrouw is gesteld dat zij hun vermogensrechtelijke verhouding ten tijde van de huwelijkssluiting geregeld hebben door aan te wijzen aan welk recht deze onderworpen is, is de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten ten tijde van de huwelijkssluiting, dan wel kort daarna, bepalend voor het tussen de echtgenoten geldende huwelijksgoederenregime. Het huwelijksgoederenregime van de echtgenoten wordt derhalve beheerst door het Turkse recht.
Oud Turks Burgerlijk Wetboek
Voor de periode vanaf de huwelijkssluiting tot 1 januari 2002 kende het Turkse Burgerlijk Wetboek als wettelijk stelsel de algehele scheiding van goederen. Vermogen verkregen vóór 1 januari 2002 behoort tot het persoonlijk vermogen van de desbetreffende verkrijgende echtgenoot.
Nieuw Turks Burgerlijk Wetboek
Per 1 januari 2002 is het nieuwe Turkse Burgerlijk Wetboek (TBW) in werking getreden. Dit wetboek kent als wettelijk huwelijksvermogensregime een zogenoemd regime van verwervingsdeelneming. Dit wettelijke huwelijksvermogensregime houdt – kort weergegeven – het volgende in. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de verwervingen en het persoonlijk vermogen van ieder van de echtgenoten (artikel 218 TBW Pro). Het vermogen van iedere echtgenoot bestaat uit twee deelvermogens, te weten de verwervingen en het persoonlijk vermogen, zodat in totaal vier vermogens te onderscheiden zijn.
Als verwervingen worden beschouwd de tijdens het deelgenootschap om baat verworven vermogensbestanddelen, in het bijzonder: de inkomsten uit arbeid, sociale verzekeringen, uitkeringen wegens verlies aan arbeidsvermogen, inkomsten uit persoonlijk vermogen en vervangende vermogensbestanddelen (artikel 219 TBW Pro).
Tot het persoonlijk vermogen behoren op grond van de wet: het goed dat alleen voor persoonlijk gebruik door een der echtgenoten bestemd is, vermogensbestanddelen die bij aanvang van het huwelijksgoederenregime aan een der echtgenoten toebehoren of later door een van hen uit een erfenis of op enig andere wijze om niet zijn verkregen, vorderingen uit immateriële schade en vermogenswaarden die persoonlijk vermogen vervangen (artikel 220 TBW Pro).
Het onderscheid tussen verwervingen en persoonlijk vermogen is (mede) afhankelijk van de herkomst van de financiering. Vermogensbestanddelen waarvan niet bewezen is aan welke echtgenoot zij toebehoren worden geacht mede-eigendom van de echtgenoten te zijn (artikel 222 TBW Pro).
Bij echtscheiding vindt een financiële afrekening plaats over dat wat tijdens het huwelijk is verworven. Iedere echtgenoot is rechthebbende op de helft van de aan de andere echtgenoot toebehorende nettowaarde (artikel 236 TBW Pro). Vorderingen worden verrekend. De nettowaarde is de waarde die overblijft nadat de totale waarde van de verwervingen van elk der echtgenoten is verminderd met de op deze goederen rustende schulden (artikel 231 TBW Pro). Waardevermindering wordt niet in aanmerking genomen, een negatief saldo evenmin.
Ook wordt nagegaan of eventueel een echtgenoot op de andere echtgenoot een vordering heeft vanwege investering in een goed van die ander welke heeft plaatsgevonden zonder enige of zonder passende vergoeding (de zgn. bijdragevordering). Is dit vermogensbestanddeel bij echtscheiding in waarde gestegen, dan verkrijgt de echtgenoot die heeft bijgedragen voor het bijgedragen deel een vorderingsrecht op de ten tijde van de vereffening bij dit goed vastgestelde vermeerderde waarde. Is de waarde ten opzichte van de beginwaarde van de bijdrage gedaald, dan verkrijgt hij het geïnvesteerde bedrag (artikel 227 TBW Pro).
Naar Turks recht is iedere echtgenoot met zijn hele vermogen aansprakelijk voor zijn schulden (artikel 224 TBW Pro). Bij de beëindiging van het huwelijksvermogensregime moet worden vastgesteld welke schulden er zijn, zowel onderlinge schulden als de schulden jegens derden. Vervolgens wordt een schuld toegerekend aan het deelvermogen waarop zij rust (artikel 230, tweede volzin, TBW). Is dat niet mogelijk, dan wordt zij toegerekend aan de verwervingen. Iedere echtgenoot is zelf aansprakelijk is voor de door hem/haar gemaakte schulden, zowel ontstaan vóór als na de huwelijksvoltrekking. Een schuld komt naar Turks huwelijksvermogensrecht toe aan de partij aan wiens zijde de schuld is opgekomen of voor wiens rekening de schuld komt.
Overgangsrecht
Het overgangsrecht bepaalt dat wanneer partijen vóór 1 januari 2003 niet kiezen voor een ander stelsel er vanaf 1 januari 2002 een “deelgenootschap van verwervingen” bestaat. Tot die datum, 1 januari 2002, zijn zij buiten gemeenschap van goederen volgens het oude Turks recht gehuwd, tenzij zij huwelijkse voorwaarden vóór 1 januari 2003 maken waarin zij het nieuwe wettelijke stelsel met terugwerkende kracht tot datum huwelijkssluiting kiezen. Indien partijen buiten gemeenschap van goederen gehuwd wensen te blijven, zullen zij naar Turks recht huwelijkse voorwaarden vóór 1 januari 2003 moeten maken waarin zij voor dat stelsel kiezen.
Niet is gebleken dat partijen naar Turks recht huwelijkse voorwaarden hebben gesloten.
Peildatum naar Turks recht
Het huwelijksvermogensregime eindigt op het tijdstip waarop de rechtszaak tot beëindiging van het huwelijk wegens echtscheiding aanvangt (artikel 225 TBW Pro). De rechtbank zal daarom 4 maart 2025 hanteren als peildatum.
Omvang
Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht:
het woonhuis aan de [adres 2] met de daaraan verbonden hypothecaire geldlening;
een auto van het merk Opel Corsa met kenteken [kenteken 1] ;
een auto van het merk Audi A6 met kenteken [kenteken 2] ;
e bankrekeningen;
1. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 1] op naam van de man;
2. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 2] op naam van de man;
3. bankrekening bij de Ziraat Bank te Turkije op naam van de man;
4. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 3] op naam van de vrouw;
5. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 4] op naam van de vrouw en [naam 2] ;
het huis aan de [adres 3] , Turkije, en andere onroerende zaken in Turkije.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat alle bestanddelen en schulden van partijen gemeenschappelijk zijn, zowel onder het oude als het nieuwe Turkse recht, en dat deze tussen partijen moeten worden verdeeld.
Ad a. het woonhuis
De man heeft aangegeven dat hij de echtelijke woning wil overnemen. De man heeft aangevoerd dat de woning per 18 maart 2025 is getaxeerd op een waarde van € 135.000,-. De man wil de woning tegen deze waarde overnemen.
De vrouw heeft de waarde van de woning betwist. Daartoe heeft zij gesteld dat vergelijkbare woningen in de omgeving worden getaxeerd op een waarde boven de € 200.000,-. Ook heeft de vrouw aangegeven dat de man de woning zonder overleg met de vrouw heeft getaxeerd. De vrouw wil een taxatie van de woning waarbij zij wordt betrokken.
Nu de vrouw de waarde van de woning gemotiveerd heeft betwist, de taxatie een jaar geleden heeft plaatsgevonden en de vrouw niet betrokken is geweest bij de taxatie is de rechtbank van oordeel dat de woning opnieuw moet worden getaxeerd. Op de zitting is besproken dat de man de gelegenheid krijgt om te bezien of hij de vrouw kan uitkopen. Mocht dat niet lukken, dan moet de woning worden verkocht. De vrouw heeft hiermee ingestemd. Zoals op de zitting is medegedeeld, zal de rechtbank een makelaar-taxateur aanwijzen. De rechtbank zal bepalen dat de woning zal worden getaxeerd door Elzenaar Makelaars te Den Haag. De rechtbank zal in het dictum een ‘spoorboekje’ opnemen, waarin is opgenomen hoe invulling moet worden gegeven aan een eventuele overname van de echtelijke woning door de man en, in het geval de man daartoe niet in staat is, aan de verkoop van de echtelijke woning en verdeling van de overwaarde. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de kosten van de taxatie door partijen bij helfte worden gedeeld en de kosten van de overdracht door de man als koper worden gedragen dan wel door partijen samen indien de woning aan een derde wordt verkocht.
Verder heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man zijn medewerking dient te verlenen aan de overdracht van de spullen van de dochter van partijen die zijn opgeslagen in de woning. Op de zitting heeft de man betwist dat deze spullen in de woning zijn opgeslagen. De rechtbank overweegt dat de spullen – voor zover deze er zijn – buiten de verdeling vallen, omdat deze toebehoren aan de dochter van partijen. De rechtbank kan hier daarom geen beslissing over nemen.
Ad b. de auto Opel Corsa
De man heeft aangegeven dat de auto een waarde heeft van € 500,-. Hiertoe heeft de man een brief van 15 mei 2025 overgelegd van Autostad Den Haag, waaruit blijkt dat zij een bod hebben gedaan van € 500,-. De vrouw heeft recht op een vergoeding van de helft van deze waarde. De vrouw heeft gesteld dat de man openheid moet geven in het bedrag dat hij heeft ontvangen. Als de man hierin niet slaagt, moet worden uitgegaan van een waarde van € 5.000,-. De man moet de helft van deze waarde aan de vrouw voldoen.
Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij de auto nog in bezit heeft. Gelet op het bod van € 500,- van Autostad Den Haag en nu het bouwjaar van de auto 2007 is, zal de rechtbank de auto aan de man toedelen op basis van een geschatte waarde van € 750,-. De man moet de helft van deze waarde voldoen aan de vrouw.
Ad c. de auto Audi A6
De man heeft gesteld dat de auto is verkocht voor € 1.500,-. Hiertoe heeft de man een factuur overgelegd van 15 mei 2025 van Autostad Den Haag. De vrouw heeft recht op de helft van dit bedrag. De vrouw heeft aangevoerd dat de auto door Autostad Den Haag te koop is aangeboden voor € 9.450,-. De vrouw heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat de door de man gestelde verkoopprijs niet aannemelijk is.
Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij de auto met mankementen heeft verkocht en dat de auto na reparatie te koop is aangeboden. De vrouw heeft dit betwist. De rechtbank zal de auto aan de man toedelen op basis van een geschatte waarde van € 5.475,- zijnde de helft van het verschil tussen de door de man gestelde waarde van € 1.500,- en de door de vrouw gestelde waarde van € 9.450,-. De man moet de helft van deze waarde voldoen aan de vrouw.
Ad d. de bankrekeningen
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat partijen ieder hun eigen bankrekeningen behouden en de saldi op de peildatum bij helfte worden verdeeld. De vrouw heeft gesteld dat op de rekening van de man bij de Ziraat Bank een bedrag van € 65.000,- staat. De man heeft aangegeven dat de rekening eindigend op [rekeningnummer 2] bij hem niet bekend is. De man heeft gesteld dat er geen bedrag staat op de rekening bij de Ziraat Bank. De man heeft verzocht te bepalen dat partijen ieder hun eigen bankrekeningen behouden en de saldi op de peildatum bij helfte worden verdeeld.
De rechtbank overweegt dat uit de door de vrouw na de zitting overgelegde stukken is gebleken dat de rekening eindigend op [rekeningnummer 4] een en/of-rekening is op naam van de vrouw en [naam 2] . De rechtbank overweegt dat de helft van het saldo op de peildatum toebehoorde aan de vrouw en dus van partijen gemeenschappelijk is. De rechtbank zal daarom bepalen dat de helft van het saldo op de peildatum bij helfte tussen partijen wordt verdeeld (waardoor aan de man en de vrouw ieder een vierde deel van dit saldo toekomt). Ten aanzien van de overige bankrekeningen zal de rechtbank bepalen dat partijen de saldi van de bankrekeningen per peildatum bij helfte met elkaar moeten delen, waarna de bankrekeningen worden toegedeeld aan de partij op wiens naam de bankrekening is gesteld. De rechtbank gaat ervan uit dat de man de vrouw inzage zal verschaffen in het saldo van de rekening bij de Ziraat Bank op de peildatum, nu de man in deze procedure uitsluitend onvertaalde Turkse stukken heeft overgelegd waaruit niet duidelijk is gebleken wat het saldo was op de peildatum.
Ad e. de onroerende zaken in Turkije
Gebleken is dat er een procedure bij de Turkse rechter loopt over de onroerende zaken in Turkije. Gelet hierop hebben beide partijen op de zitting hun verzoeken ingetrokken. De rechtbank hoeft op deze verzoeken daarom niet meer te beslissen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [dag] 1983 te [plaats] , Turkije;
bepaalt dat [naam 2] iedere zaterdag van 18.00 uur tot 21.00 uur bij de man verblijft;
bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal zijn van de woonruimte aan de [adres 1] ;
bepaalt dat de vrouw aan de man, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 356,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres 2] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening:
1. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen verstrekken binnen één week na de beschikking een gezamenlijke opdracht aan Elzenaar Makelaars te Den Haag tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de man de woning zal overnemen;
b) de man dient binnen zes weken na de taxatie aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening;
c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
d) de kosten van de notariële overdracht worden door de man, als kosten koper, voldaan;
e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
f) de man dient de woning binnen drie maanden na de beschikking over te nemen;
2) indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
aan de man worden toegedeeld:
- de auto van het merk Opel Corsa met kenteken [kenteken 1] voor een waarde van € 750,-, onder vergoeding van de helft van deze waarde aan de vrouw;
- de auto van het merk Audi A6 met kenteken [kenteken 2] voor een waarde van € 5.475,-, onder vergoeding van de helft van deze waarde aan de vrouw;
- de helft van het saldo op de peildatum (4 maart 2025) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 3] op naam van de vrouw;
- een vierde deel van het saldo op de peildatum (4 maart 2025) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 4] op naam van de vrouw en [naam 2] ;
- de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 1] op naam van de man, waarbij het saldo op de peildatum (4 maart 2025) bij helfte met de vrouw moet worden gedeeld;
- de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 2] op naam van de man, waarbij het saldo op de peildatum (4 maart 2025) bij helfte met de vrouw moet worden gedeeld;
- de bankrekening bij de Ziraat Bank te Turkije op naam van de man, waarbij het saldo op de peildatum (4 maart 2025) bij helfte met de vrouw moet worden gedeeld;
aan de vrouw worden toegedeeld:
- de helft van het saldo op de peildatum (4 maart 2025) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 1] op naam van de man;
- de helft van het saldo op de peildatum (4 maart 2025) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 2] op naam van de man;
- de helft van het saldo op de peildatum (4 maart 2025) van de bankrekening bij de Ziraat Bank te Turkije op naam van de man;
- de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 3] op naam van de vrouw, waarbij het saldo op de peildatum (4 maart 2025) bij helfte met de man moet worden gedeeld;
- de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 4] op naam van de vrouw en [naam 2] , waarbij de helft van het saldo op de peildatum (4 maart 2025) bij helfte met de man moet worden gedeeld;
verklaart deze beschikking – met uitzondering van de beslissing ten aanzien van de echtscheiding, het huurrecht en de partneralimentatie – uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 12 mei 2026.