ECLI:NL:RBDHA:2026:15829

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/09/702654 / JE RK 26-561
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De rechtbank Den Haag heeft op 12 mei 2026 een beschikking gegeven tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2024. De minderjarige verblijft sinds haar geboorte in een stabiel en veilig pleeggezin. De moeder en de juridische vader oefenen gezamenlijk gezag uit, maar de moeder is sinds oktober 2025 volledig uit contact met de gecertificeerde instelling en pleegzorg.

De gecertificeerde instelling heeft meerdere pogingen gedaan om contact te leggen met de moeder en de mogelijke biologische vader, maar zonder succes. De situatie is ongewijzigd ten opzichte van de vorige beschikking van september 2025. De gecertificeerde instelling heeft recent een verzoek tot gezagsbeëindiging ingediend voor de moeder en de juridische vader.

Gezien deze omstandigheden en het belang van de minderjarige acht de kinderrechter verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten door belanghebbenden via hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd tot 14 mei 2027.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zaaksgegevens: C/09/702654 / JE RK 26-561
Datum uitspraak: 12 mei 2026

Beschikking van de kinderrechter

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak naar aanleiding van het op 2 april 2026 ingekomen verzoekschrift van:
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
betreffende:
- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,
geregistreerd in de Basisregistratie Personen als geëmigreerd,

[de juridische vader] ,

hierna te noemen: de juridische vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres in Polen,
en

[de pleegvader] ,

hierna te noemen: de pleegvader,
en
[de pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
hierna gezamenlijk te noemen: de pleegouders,
beiden wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift.
Op 11 mei 2026 heeft op de zitting van deze rechtbank een gecombineerde behandeling plaatsgevonden van zowel het onderhavige verzoek als het verzoek ten aanzien van de vervangende toestemming voor de aanvraag van een paspoort (C/09/699242, FA RK 26-1281). Op laatstgenoemd verzoek is bij afzonderlijke beschikking van 12 mei 2026 beslist.
Op de zitting zijn verschenen:
- mevrouw [naam] namens de gecertificeerde instelling;
- de pleegmoeder.
De moeder, de juridische vader en de pleegvader zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Feiten

- Uit de moeder is [de minderjarige] geboren. Aangezien de moeder ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] was gehuwd met de juridische vader, oefenen de moeder en de juridische vader gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] uit.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 14 november 2024 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling en is een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend ten aanzien van [de minderjarige] . Bij beschikking van
23 september 2025 zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing laatstelijk verlengd tot 14 mei 2026.
- [de minderjarige] verblijft bij de pleegouders.

Verzoek

Het verzoek strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor de periode van één jaar, een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

De kinderrechter is op basis van de overgelegde stukken en het besprokene op de zitting van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, en artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een ondertoezichtstelling en voor een machtiging tot uithuisplaatsing nog aanwezig zijn.
De situatie zoals beschreven in de beschikking van 23 september 2025 is ongewijzigd, met dien verstande echter dat de moeder sinds 15 oktober 2025 volledig uit contact is geraakt met zowel de gecertificeerde instelling als pleegzorg. De jeugdbeschermer heeft de afgelopen periode meermaals geprobeerd om de moeder te bereiken via WhatsApp, per telefoon en per brief, maar dat is niet gelukt (het telefoonnummer van de moeder is buiten gebruik). Ook pogingen van de jeugdbeschermer om in contact te komen met de mogelijke biologische vader van [de minderjarige] zijn zonder succes gebleven.
[de minderjarige] woont sinds kort na haar geboorte in een stabiel en veilig pleeggezin en ontwikkelt zich daar goed. De gecertificeerde instelling heeft het perspectief van [de minderjarige] bij de pleegouders bepaald en recent is een verzoek tot gezagsbeëindiging ingediend voor zowel de moeder als de juridische vader in Polen. Dit verzoek zal binnenkort door de rechtbank worden behandeld. Gezien de huidige situatie is het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing worden verlengd. Het verzoek van de gecertificeerde instelling zal dan ook worden toegewezen.

Beslissing

De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 14 mei 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 14 mei 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026, in aanwezigheid van mr. C.P.E. van de Fliert-Verburg als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van
het gerechtshof Den Haag.