ECLI:NL:RBDHA:2026:15868

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
NL26.21441
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 5.1b VbArt. 4.39 VbArt. 5 Richtlijn 2008/115Richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewaring vreemdeling wegens risico op onttrekking en zicht op uitzetting

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd opgelegd vanwege het risico dat de vreemdeling zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren.

De rechtbank oordeelde dat de door verweerder aangevoerde zware en lichte gronden, zoals het niet melden van illegaal verblijf en onvoldoende medewerking aan het vaststellen van identiteit, feitelijk juist en voldoende waren om de bewaring te dragen. De vermeende overschrijding van de maximale bewaringstermijn werd verworpen op basis van het Aroja-arrest, omdat het huidige terugkeerbesluit nieuw was en eerdere inbewaringstellingen niet cumulatief meetellen.

Verder stelde de rechtbank vast dat er wel degelijk zicht is op uitzetting, mede omdat de Indiase autoriteiten meewerken en de vreemdeling onvoldoende meewerkt aan zijn terugkeer. De rechtbank vond dat geen lichter middel dan bewaring doeltreffend was, gezien het onttrekkingsrisico en het ontbreken van persoonlijke omstandigheden die tegen bewaring pleiten.

Ambtshalve toetsing van de rechtsmatigheid van de maatregel leverde geen onrechtmatigheden op. Ook werd geen bezwaar gevonden tegen verwijdering op grond van non-refoulement of gezinsleven. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21441

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Sareen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft op de zitting de behandeling van de zaak aangehouden om verweerder in de gelegenheid te stellen duidelijkheid te verschaffen over (een) mogelijk(e) eerder(e) terugkeerbesluit(en) en inbewaringstelling(en) van eiser.
Verweerder heeft op 23 april 2026 informatie verschaft en stukken geüpload. Eisers gemachtigde heeft op 23 april 2026 hierop gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank, met (al dan niet stilzwijgende) toestemming van partijen, het onderzoek zonder nadere zitting gesloten op 24 april 2026.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden, bedoeld in artikel 5.1b, eerste en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden, bedoeld in artikel 5.1b, eerste en vierde lid, van het Vb, vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser voert aan dat voor het opleggen van de maatregel van bewaring onvoldoende gronden aanwezig zijn en betwist elk van de zware gronden.
3. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De rechtbank kan zich niet kan verenigen met eisers standpunt over zware grond 3b, namelijk dat eiser zich niet blijft onttrekken. Eiser heeft niet conform artikel 4.39 van het Vb melding gedaan van zijn illegale verblijf nadat zijn reguliere verblijfsvergunning afliep in 2021 en hij van rechtswege weer illegaal in Nederland verbleef. Deze grond is dus feitelijk juist. Verder voert eiser tegen grond 3d aan dat verweerder weet wie hij is, omdat in het dossier een noodpaspoort van eiser zit. Dit argument treft ook geen doel, nu feitelijk juist is dat eiser nog steeds onvoldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. Dit valt onder andere af te leiden uit het gehoor van eiser op 13 april 2026, waarin eiser verklaart dat hij wel beschikt over een paspoort of een ander identiteitsdocument, maar dit niet wil overhandigen aan verweerder. De hiervoor vermelde feitelijk juiste zware gronden 3b en 3d, alsmede de onbetwiste lichte gronden, zijn in onderlinge samenhang bezien voldoende om de maatregel te kunnen dragen. De overige betwiste zware gronden 3a en 3i vereisen derhalve geen beoordeling. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Overschrijding van de maximale termijn in bewaring (Aroja arrest)
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de maximaal toegestane tijdsduur van de bewaring in het licht van de Terugkeerrichtlijn is overschreden, gezien zijn cumulatieve inbewaringstellingen. Eiser verwijst hierbij naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148, Aroja).
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een overschrijding van de maximale termijn van bewaring. Uit de na de zitting door verweerder verschafte informatie blijkt dat eiser (voor de inwerkingtreding van de Terugkeerrichtlijn) in bewaring is gesteld van 3 juni 2007 tot 8 mei 2008, 28 augustus 2008 tot 12 juni 2009 en 13 juli 2009 tot 8 april 2010. Verder blijkt dat eiser op 9 september 2012 een terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar is opgelegd. Van 9 september 2012 tot 2 oktober 2012 is eiser in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Die bewaring is destijds opgeheven omdat aan
eiser een B9 (mensenhandel) bedenktermijn is gegund. Van 3 oktober 2014 tot 3 oktober 2021 heeft eiser een reguliere verblijfsvergunning onder de beperking niet humanitaire gronden gehad. Niet in geschil is dat het terugkeerbesluit van 9 september 2012 daardoor is vervallen. De rechtbank overweegt dat uit het Aroja arrest volgt dat bij de berekening van de maximale termijn waarbinnen iemand in bewaring mag worden gehouden, van belang is dat het gaat om één en hetzelfde terugkeerbesluit. Het terugkeerbesluit dat ten grondslag ligt aan de huidige maatregel van bewaring dateert van dezelfde dag als de maatregel. Het gaat dus om een nieuw terugkeerbesluit, waarop enkel de onderhavige bewaring is gebaseerd. De voorgaande inbewaringstellingen van eiser worden daarom niet meegerekend. De rechtbank ziet geen aanleiding voor eisers standpunt dat die voorgaande periodes in het licht van de Terugkeerrichtlijn dan wel het Aroja arrest wel moeten worden meegeteld, te meer nu het eerdere terugkeerbesluit is vervallen doordat eiser rechtmatig verblijf heeft verkregen en er daarom geen terugkeerprocedure meer aan de orde was. Dat betekent dat er geen sprake is van cumulatieve inbewaringstellingen op basis van het thans voorliggende terugkeerbesluit en dat er ook geen overschrijding van de termijn van zes maanden bewaring heeft plaatsgevonden. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting en lichter middel
6. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting is, omdat eerdere inbewaringstellingen niet hebben geresulteerd in zijn uitzetting. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom nu wel zicht op uitzetting bestaat. Verder betoogt eiser dat verweerder om deze reden had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel, omdat de eerdere opheffingen van de bewaring vanwege een gebrek aan zicht op uitzetting zich ertegen verzetten dat er nu opnieuw een bewaringsmaatregel wordt opgelegd.
7. De rechtbank is van oordeel dat er zicht op uitzetting van eiser bestaat. Uit de beschikbare informatie blijkt dat eiser voor het laatst in bewaring is gesteld in 2012. Daargelaten dat niet is gebleken dat het ontbreken van zicht op uitzetting een rol heeft gespeeld bij de beslissing de bewaring in 2012 op te heffen, kan het ontbreken van zicht op uitzetting in 2012 niet bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of er thans zicht op uitzetting van eiser is. Er dient een actuele beoordeling te worden gemaakt. Niet in geschil is dat er in zijn algemeenheid geen reden is om aan te nemen dat de Indiase autoriteiten niet mee zullen werken aan gedwongen terugkeer. Voor wat betreft het individuele geval van eiser overweegt de rechtbank dat eiser geen concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat in zijn geval geen zicht op uitzetting bestaat. Verweerder is bezig met de voorbereiding van een LP-aanvraag, waarbij verweerder het (verlopen) noodpaspoort meeneemt. Op eiser rust de verplichting om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting, maar niet is gebleken dat eiser enige handeling heeft verricht ten behoeve van zijn terugkeer naar India. Verweerder overweegt niet ten onrechte dat door eiser geen/onvoldoende verifieerbare gegevens zijn verstrekt ter onderbouwing van zijn (gestelde) identiteit en nationaliteit. Zoals hiervoor onder 3 is overwogen, weigert eiser zijn paspoort of identiteitsdocument aan verweerder te overhandigen. De beroepsgrond slaagt niet.
8. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat uit de gronden voor de maatregel van bewaring een onttrekkingsrisico blijkt. Eiser verklaart niet terug te willen naar India omdat hij daar niets heeft en in Nederland te willen blijven. Bij een lichter middel kan niet worden gewaarborgd dat uitzetting daadwerkelijk plaats zal vinden. Voorts heeft eiser geen persoonlijke of medische omstandigheden naar voren gebracht tegen inbewaringstelling. In het licht van het voorgaande heeft de rechtbank geen reden om te oordelen dat de maatregel van bewaring onredelijk bezwarend is voor eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
10. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
11. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.