ECLI:NL:RBDHA:2026:15871

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
NL26.11474 en NL26.11479
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 32 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen kennelijk ongegrond verklaard beroep asielaanvragen op grond van Dublinverordening afgewezen

Opposanten, met de Russische nationaliteit, hebben op 7 oktober 2025 asiel aangevraagd in Nederland. De Minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvragen op 2 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. De rechtbank heeft op 17 april 2026 de beroepen van opposanten kennelijk ongegrond verklaard, waarbij werd aangenomen dat Kroatië voldoet aan de opvang- en medische zorgverplichtingen.

Opposanten voerden in verzet aan dat de medische situatie van een van hen ernstig is, met suïcidale gedachten, depressie en trauma, en dat dit niet bekend was bij de rechtbank of verweerder. Zij stelden dat de overdracht aan Kroatië ernstige gevolgen kan hebben en dat voorafgaande communicatie en beoordeling van medische zorg noodzakelijk is.

De rechtbank oordeelt dat de verzetsprocedure geen inhoudelijke herbeoordeling is, maar beperkt tot de vraag of het beroep terecht kennelijk ongegrond is verklaard. Opposanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de overdracht aan Kroatië een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand inhoudt. De medische voorzieningen in Kroatië worden geacht vergelijkbaar te zijn met die in Nederland.

De rechtbank wijst op het arrest C.K. van het Hof van Justitie van de EU en de Werkinstructie 2021/3 van verweerder, die bepalen dat medische gegevens kunnen worden uitgewisseld en dat het risico op verslechtering door het Bureau Medische Advisering moet worden onderzocht. Het verzet wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van 17 april 2026 blijft in stand. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet tegen de kennelijk ongegrond verklaarde beroepen wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.11474 en NL26.11479 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposante] , V-nummer: [V-nummer 1] , opposante

en
[opposant], V-nummer: [V-nummer 2] , opposant
hierna gezamenlijk te noemen: opposanten [1]
(gemachtigde: [persoon] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 17 april 2026 in het geding tussen
opposanten
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

In de uitspraak van 17 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9456, heeft de rechtbank de beroepen van opposanten kennelijk ongegrond verklaard met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. [2] Dit betekent dat er geen zitting heeft plaatsgevonden.
Opposanten hebben verzet gedaan tegen deze uitspraak.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op de verzetten met toepassing van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb, aangezien opposanten niet hebben verzocht om een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. Opposanten stellen te zijn geboren op [geboortedag] 1974 respectievelijk 17 mei 2006 en de Russische nationaliteit te hebben. Zij hebben op 7 oktober 2025 asiel aangevraagd in Nederland. In de afzonderlijke besluiten 2 maart 2026 heeft verweerder deze asielaanvragen niet in behandeling genomen omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Dublinverordening. [3]
2. In de uitspraak van 17 april 2026 heeft de rechtbank de daartegen door opposanten ingestelde beroepen kennelijk ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat ten aanzien van Kroatië mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat opposanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat er in Kroatië sprake is van systematische tekortkomingen in de opvangvoorzieningen of in de asielprocedure. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat opposanten niet hebben gesteld of aangetoond dat zij specialistische medische zorg nodig hebben en dat er gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit mag worden gegaan dat de medische voorzieningen in Kroatië vergelijkbaar zijn met de voorzieningen in Nederland. Daarnaast zijn de Kroatische autoriteiten gebonden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 3 van het EVRM [4] en 4 van het Handvest. [5] Dit omvat ook de verplichting om opposanten de noodzakelijke medische zorg te bieden.
3. Opposanten zijn het niet eens met deze uitspraak. Zij voeren, onder verwijzing naar de medische journalen van opposant, aan dat de gezondheidssituatie van opposant zodanig ernstig is dat verzet tegen de uitspraak van 17 april 2026 noodzakelijk is. De juiste medische gesteldheid was niet bekend bij de rechtbank of bij verweerder. Opposant lijdt aan suïcidale gedachten, depressie en trauma. Niet is in kaart gebracht wat de gevolgen zullen zijn van een overdracht aan Kroatië. Van belang is dat over de medische problemen wordt gecommuniceerd vóór de overdracht en dat wordt beoordeeld of opposant behandeld kan worden voor zijn klachten in Kroatië.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De verzetsprocedure is geen hernieuwde inhoudelijk behandeling van het beroep. In een verzetsprocedure kan uitsluitend worden beoordeeld of de bestuursrechter terecht tot toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb is overgegaan. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in deze procedure beperkt is tot de vraag of buiten redelijke twijfel staat dat het beroep ongegrond is, en dat uitspraak op het beroep van opposant kon worden gedaan zonder hem op een zitting te horen. Als er in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in het geval van een normale behandeling ook hadden kunnen worden aangevoerd, dient te worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst.
5. Van dergelijke argumenten is in dit geval geen sprake. Opposant heeft in verzet niet alsnog aannemelijk gemaakt dat een overdracht aan Kroatië niet mogelijk is door zijn medische omstandigheden. Uit het arrest C.K. [6] volgt dat het aan opposant is om met medische stukken aan te tonen dat zijn overdracht een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie inhoudt. Het is dus aan opposant om met objectieve gegevens de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvan wegens een overdracht aan te tonen. Indien opposant deze gegevens heeft overgelegd, dient verweerder het risico op een dergelijke verslechtering van de gezondheidstoestand te laten onderzoeken door het BMA [7] , zo volgt uit verweerders Werkinstructie 2021/3. Opposant heeft zijn medische journalen overgelegd. Hieruit volgt dat sprake is van medische problematiek, maar opposant heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat een overdracht zal leiden tot een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie. Verweerder mag er daarom van uitgaan dat zich bij overdracht aan Kroatië geen ernstige problemen zullen voordoen. Zoals de rechtbank heeft geoordeeld mag er daarbij vanuit worden gegaan dat de medische voorzieningen in Kroatië vergelijkbaar zijn met de medische voorzieningen in Nederland.
6. Daarnaast kan verweerder op grond van artikel 32 van Pro de Dublinverordening met toestemming van opposant zijn medische gegevens uitwisselen met de Kroatische autoriteiten, waarmee zij voor de overdracht worden geïnformeerd over zijn medische behoeften.
7. Het verzet is ongegrond. De uitspraak van 17 april 2026 blijft in stand.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 9 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposanten wordt bedoeld de indieners van het verzetschrift.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Verordening (EU) Nr. 604/2013.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
6.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127.
7.Bureau Medische Advisering