ECLI:NL:RBDHA:2026:15874

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
NL 25 18937
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3.14 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 252 Surinaams Burgerlijk WetboekArt. 244 Surinaams Burgerlijk Wetboek
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken rechtmatig gezag en hechte banden

Eisers hebben een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd om vanuit Suriname naar Nederland te komen, waarbij de referent stelt vader en erkenner te zijn van de kinderen. Verweerder wees de aanvragen af omdat niet is aangetoond dat er sprake is van rechtmatig gezag en hechte persoonlijke banden, zoals vereist onder artikel 8 EVRM Pro.

Eisers stelden dat een notariële voogdijvolmacht en verklaringen van de moeders voldoende bewijs vormen van gezag en banden, maar verweerder vond deze onvoldoende en niet gerechtelijk vastgesteld. Tijdens de zitting werden aanvullende stukken overgelegd, waaronder een verzoek tot eenhoofdig gezag bij het Surinaamse Bureau voor familierechtelijke zaken, maar dit kon niet worden meegewogen omdat het besluit ex tunc wordt getoetst.

De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van een gerechtelijk document over het gezag doorslaggevend is en dat de overgelegde verklaringen subjectief zijn. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat er hechte en persoonlijke banden bestaan. Eisers konden niet worden gevolgd in hun stellingen over onvoldoende motivering en hoorzitting. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van rechtmatig gezag en hechte persoonlijke banden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18937

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] , eiser 1, V-nummer: [V-nummer 1]

[eiser 2], eiseres 1, V-nummer: [V-nummer 2]
[eiser 3], eiseres 2, V-nummer: [V-nummer 3]
[eiser 4], eiseres 3, V-nummer: [V-nummer 4]
[eiser 5], eiser 2, V-nummer: [V-nummer 5]
[eiser 6], eiseres 4, V-nummer: [V-nummer 6]
hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigden: mr. S. Hoesseinbaks en mr. [persoon 1] ).

Inleiding

In het besluit van 26 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de afwijzing van hun aanvragen om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ongegrond verklaard.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op een zitting behandeld in Breda. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [persoon 1] .

Beoordeling door de rechtbank

1. Op 3 oktober 2023 heeft [persoon 2] , referent, voor eisers bij verweerder aanvragen ingediend om verlening van een mvv in het kader van verblijf als familie- of gezinslid. Een mvv is een inreisvisum dat na aankomst in Nederland wordt omgezet in een verblijfsvergunning. Referent stelt de vader en tevens de erkenner van eisers te zijn, die vier verschillende moeders hebben. Referent en zijn vrouw willen eisers naar Nederland laten overkomen omdat eisers momenteel in Suriname in armoede leven en niet altijd naar school kunnen gaan.
2. In het besluit van 16 mei 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvragen afgewezen. Volgens verweerder zijn eisers niet geboren uit een huwelijk of uit een met een huwelijk gelijk te stellen relatie, en heeft referent niet aannemelijk gemaakt dat hij hechte en persoonlijke banden heeft met eisers. Daarnaast heeft referent volgens verweerder niet aangetoond dat hij het ouderlijk gezag heeft over eisers. Er bestaat daarom volgens verweerder geen familieleven tussen referent en eisers in de zin van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dat aanleiding geeft om aan eisers een mvv te verlenen.
3. Eisers hebben bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Referent is op 5 maart 2025 door verweerder gehoord over het bezwaar. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en is hij bij zijn standpunt gebleven. De door eisers overgelegde notariële voogdijvolmacht is geen gerechtelijk document en kan daarom niet dienen als bewijs van ouderlijk gezag. De door eisers overgelegde verklaringen van de moeders zijn onvoldoende voor het aannemen van hechte persoonlijke banden, zijn niet voorzien van identiteitsbewijzen en zijn subjectief van aard. Uit het overzicht van geldoverboekingen aan één van de moeders kan ook niet worden opgemaakt dat tussen referent en eisers sprake is van hechte en persoonlijke banden. Het gestelde gezinsleven had verder op andere wijze kunnen worden onderbouwd, maar dat is niet gebeurd. Nu er geen familieleven is, hoeft er volgens de rechtspraak geen verdere belangenafweging te worden gemaakt, aldus verweerder.
4. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit. Zij voeren aan dat uit de notariële voogdijvolmacht voldoende blijkt dat de moeders wensen dat referent de beslissingen neemt in de levens van de kinderen. De notaris heeft referent meegedeeld dat hij met deze volmacht het ouderlijk gezag heeft. Daarnaast volgt uit de overgelegde verklaringen van de moeders dat eisers wel degelijk uit een aan een huwelijk gelijk te stellen relatie zijn geboren. Voor het ontbreken van foto’s is een verklaring gegeven, en verweerder heeft niet onderkend dat er voorafgaand aan de hoorzitting al kopieën van de identiteitsbewijzen van de moeders en afschriften van correspondentie tussen eisers en referent zijn overgelegd. Verweerder heeft tijdens de hoorzitting niet voldoende vragen gesteld, en is onvoldoende gemotiveerd ingegaan op het bezwaarschrift. Verder kan verweerder het niet verrichten van een belangenafweging niet baseren op een uitspraak in een zaak die niet vergelijkbaar is met die van eisers.
5. Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat het bestreden besluit juist is. Er is nog altijd geen gerechtelijk document over het ouderlijk gezag overgelegd. Dat referent verkeerd is voorgelicht door een notaris komt voor zijn rekening en risico. Niet ten onrechte is overwogen dat er te weinig aanknopingspunten zijn aangeleverd om vast te stellen dat tussen referent en eisers sprake is van familieleven. Anders dan eisers betogen, wordt er dan volgens de rechtspraak niet toegekomen aan het maken van een belangenafweging.
6. Daags voor de zitting hebben eisers nog diverse stukken aan de rechtbank overgelegd. Het betreft foto’s van de identiteitskaarten van de moeders en schermafbeeldingen van geldoverboekingen naar één van de moeders, alsmede van chatberichten en telefoonoproepen. Daarnaast betreft het een verklaring van het Bureau voor familierechtelijke zaken te Paramaribo van 1 juni 2026 waarin staat dat referent bij dit bureau het verzoek heeft gedaan om met het eenhoofdig gezag over eisers te worden belast. Verweerder heeft hier tijdens de zitting op gereageerd. Volgens verweerder wordt ouderlijk gezag in Suriname op grond van het Surinaamse Burgerlijk Wetboek, de artikelen 252 en 244, vastgelegd in het openbare register van het kantongerecht, waarvan uittreksels kunnen worden verkregen. Nu een dergelijk uittreksel niet is overgelegd, staat nog steeds niet vast dat referent het ouderlijk gezag heeft over eisers. Daarnaast is nog steeds niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van hechte en persoonlijke banden.
De rechtbank oordeelt als volgt.
7. Tijdens de zitting is namens eisers verzocht om de behandeling van het beroep aan te houden in afwachting van de uitkomst van het verzoek dat referent bij het Bureau voor familierechtelijke zaken in Paramaribo heeft gedaan. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding en overweegt daartoe het volgende.
8. De bestuursrechter moet het bestreden besluit beoordelen aan de hand van het recht en de feiten zoals die waren ten tijde van dat besluit (
ex tunc-toetsing). Anders dan namens eisers tijdens de zitting is gesuggereerd, bestaat er geen mogelijkheid om in het hoger belang van het kind van dit uitgangspunt af te wijken. Dit brengt mee dat er geen ruimte bestaat om de toekomstige beslissing van het Bureau voor familierechtelijke zaken in Paramaribo bij dit geschil te betrekken. Dit laat overigens onverlet dat het wel mogelijk is om na het bestreden besluit een eerder ingenomen standpunt nader te onderbouwen. In dat kader overweegt de rechtbank verder als volgt.
9. Van referent mag worden verwacht dat hij zich voorafgaand aan een procedure als deze verdiept in de wijze waarop ouderlijk gezag in Suriname wordt vastgelegd. In artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 staat namelijk dat de door eisers gevraagde mvv alleen aan hen kan worden verleend als zij onder het rechtmatige gezag van referent staan. Verweerder heeft het dan ook terecht voor het risico van referent gelaten dat hij aanvankelijk is afgegaan op een advies van een notaris, dat later onjuist bleek te zijn. Verder heeft referent geen aanknopingspunten aangeleverd die zijn stelling in beroep onderbouwen dat het Bureau voor familierechtelijke zaken in Suriname bevoegd is om ouderlijk gezag vast te stellen. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van het standpunt van verweerder dat hiervoor een gerechtelijk document benodigd is. Nu er geen gerechtelijk document is overgelegd, voldoen eisers al daarom niet aan de voorwaarden voor het verlenen van de door hen gevraagde mvv.
10. Vanuit het oogpunt van finale geschilbeslechting zal de rechtbank ook nog een oordeel geven over het in beroep gestelde (beschermwaardige) gezinsleven. Hiertoe is in de eerste plaats van belang dat uit de door hen overgelegde gegevens niet kan worden opgemaakt dat eisers geboren zijn uit een huwelijk of uit een daaraan gelijk te stellen relatie tussen referent en hun moeders. Anders dan eisers hebben gesteld, is het biologische vaderschap van referent daarom niet voldoende om gezinsleven aan te nemen tussen referent en eisers. Verweerder heeft daarom terecht de voorwaarde gesteld dat tussen hen sprake moet zijn van hechte en persoonlijke banden. Verder heeft verweerder terecht overwogen dat geen hechte en persoonlijke banden kunnen worden afgeleid uit de omstandigheden dat referent eisers heeft erkend, dat hij met enige regelmaat geld overmaakt aan één van de moeders, en dat hij met enige regelmaat contact heeft via chatberichten en telefoongesprekken. Hoewel de rechtbank vaststelt dat er afbeeldingen van de identiteitsbewijzen van de moeders in het dossier aanwezig zijn, heeft verweerder terecht overwogen dat de door de moeders afgelegde verklaringen subjectief van aard zijn.
11. Uit het voorgaande vloeit voort dat eisers niet kunnen worden gevolgd in hun stelling dat verweerder onvoldoende gemotiveerd op het bezwaarschrift is ingegaan. Eisers kunnen ook niet worden gevolgd in hun stelling dat verweerder tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase onvoldoende vragen aan referent heeft gesteld. Zowel op het punt van het ouderlijk gezag als op het punt van de hechte en persoonlijke banden is referent namelijk in voldoende mate in de gelegenheid gesteld om verklaringen af te leggen.
12. De beroepsgrond dat verweerder ten onrechte geen belangenafweging heeft verricht, is tijdens de zitting ingetrokken en behoeft daarom geen bespreking meer.
13. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Het bestreden besluit blijft in stand.
14. Er is om die reden geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 11 juni 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.