ECLI:NL:RBDHA:2026:15879

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
NL26.24020
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000Art. 15 TerugkeerrichtlijnArt. 59b Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling zonder uitzicht op uitzetting

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was gebaseerd op zware gronden, waaronder illegale inreis en het risico op onttrekking aan toezicht. De eiser betwistte deze gronden en voerde aan dat hij al acht maanden in bewaring zat, dat het verlengingsbesluit niet tijdig was genomen, en dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting was.

De rechtbank oordeelde dat de zware gronden terecht en deugdelijk waren gemotiveerd, dat de verlengingsbesluiten tijdig waren genomen conform de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU, en dat eiser voldoende gelegenheid had gekregen om zijn zienswijze te geven. Daarnaast was er zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn, mede door de afgifte en hernieuwde aanvraag van een laissez-passer.

De rechtbank verwierp het standpunt dat een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast, omdat het onttrekkingsrisico groot bleef en eiser onvoldoende had onderbouwd dat hij bij familie kon verblijven. Ook de ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel leverde geen onrechtmatigheid op. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24020

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.F.J. Smeulders).

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Zware en lichte gronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser betwist alle gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Eiser voert hiertoe in de kern aan dat hij voorafgaand aan de maatregel een asielaanvraag heeft ingediend en dat hij zijn identiteitspapieren op zee is verloren. Ook bevindt eiser zich al acht maanden in bewaring zodat niet langer kan worden gesteld dat hij zich aan het toezicht heeft onttrokken omdat de beoordeling niet langer actueel is.
3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld uit de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3b kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de zware gronden 3a en 3b zich feitelijk voordoen. Eiser is immers Nederland ingereisd zonder visum of machtiging tot voorlopig verblijf. Hieruit volgt dat eiser niet op de voorgeschreven wijze Nederland is ingereisd. Dat hij eerder een asielaanvraag heeft ingediend en zijn identiteitspapieren op zee is verloren doet aan de feitelijke juistheid van deze illegale inreis niet af. Verder heeft eiser zich bij binnenkomst in Nederland niet gemeld bij de korpschef zodat eiser zich toen aan het toezicht heeft onttrokken. Dat eiser nu al enige tijd in bewaring zit doet daar niet aan af.
5. De zware gronden 3a en 3b, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige door eiser betwiste gronden behoeven geen verdere bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Verlengingsbesluit te laat genomen
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat het verlengingsbesluit niet tijdig is genomen en dat de maatregel van bewaring daarom onrechtmatig is. Eiser zit namelijk al acht maanden in bewaring. Eiser verwijst hierbij naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148, Aroja). Daarnaast voert eiser aan dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zijn visie op het verlengingsbesluit naar voren te brengen omdat hij zich overrompeld voelde in het gehoor.
7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat het verlengingsbesluit niet tijdig is genomen. De rechtbank verwijst hierbij naar haar uitspraak van het op zitting tegelijkertijd behandelde vervolgberoep (met zaaknummer NL26.23237). Hierin is overwogen dat er geen sprake is van een overschrijding zoals bedoeld in het arrest Aroja. De periode waarin eiser op grond van artikel 59b van de Vw in bewaring heeft gezeten, telt niet mee bij de maximale bewaringsduur van artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De termijn van zes maanden was daarom niet verstreken ten tijde van het verlengingsbesluit. Deze is naar het oordeel van de rechtbank dan ook tijdig genomen.
8. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zijn visie op het verlengingsbesluit naar voren te brengen. Uit het gehoor van 28 april 2026 (dossierstuk [nummer] ) volgt dat eiser tot tweemaal toe is gevraagd wat hij zou vinden van een verlengingsbesluit en of er redenen zijn waarom er afgezien zou moeten worden van het opleggen van dit verlengingsbesluit. Hieruit blijkt dat eiser wel degelijk de gelegenheid heeft gekregen om zijn zienswijze naar voren te brengen. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting en voortvarend handelen
9. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting is en dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Eiser legt aan dit standpunt ten grondslag dat hij al langere tijd in bewaring zit en dat hij nog steeds niet is uitgezet. Bovendien is er geen bewijs dat er een laissez-passer verstrekt zal worden.
10. De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting naar Marokko (zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1675). Ook in eisers individuele geval is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn. Er is namelijk op 29 januari 2026 een laissez-passer afgegeven. Deze is weliswaar verlopen, maar verweerder heeft er op de zitting terecht op gewezen dat er vanwege de eerdere afgifte van de laissez-passer, goede redenen zijn om aan te nemen dat deze opnieuw zal worden afgegeven. Daarnaast heeft verweerder op 24 april 2026 opnieuw een laissez-passer aanvraag ingediend. Deze aanvraag loopt nog en met een laissez-passer traject bij de Marokkaanse autoriteiten gaat in het algemeen de nodige tijd (soms meerdere maanden) gemoeid. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat dit traject op niets zal uitlopen en dat voor eiser geen laissez-passer zal worden afgegeven.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voortvarend gehandeld door na de ongegrondverklaring van eisers asielaanvraag meteen een nieuw laissez-passer traject te starten en op 3 mei 2026 een vertrekgesprek te voeren.
12. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
13. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel omdat hij inmiddels al langere tijd in bewaring zit. Bovendien woont er familie van eiser in Nederland bij wie hij zou kunnen intrekken. Tot slot is de inbewaringstelling voor eiser erg zwaar.
14. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Er vloeit namelijk een onttrekkingsrisico uit voort. De lengte van de bewaring weegt niet op tegen dit sterke onttrekkingsrisico. Daarnaast heeft eiser niet met stukken onderbouwd dat hij bij familie zou kunnen blijven of dat er tussen hen een afhankelijkheidsrelatie bestaat. De rechtbank ziet hierin dan ook geen reden voor het oordeel dat de inbewaringstelling onredelijk bezwarend is voor eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
16. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was. Er is ook niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering (zoals bedoeld in het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.