Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15892

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
NL26.20149 ordemaatregel
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:31 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek ordemaatregel in vreemdelingenzaak wegens ontbreken bijzonder geval

Verzoeker heeft een langdurige procedure gevoerd tegen de minister van Asiel en Migratie over de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument en het beëindigen van zijn verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan. Na vernietiging van eerdere besluiten door de rechtbank en hernieuwde afwijzingen door verweerder, heeft verzoeker een voorlopige voorziening en ordemaatregel gevraagd om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, waaronder uitzetting en werkverbod, op te schorten.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening kan afwachten en dat er geen ernstige en onomkeerbare gevolgen zijn die onmiddellijke rechterlijke interventie vereisen. Hoewel verweerder nalatig is geweest in het reageren op verzoeken om een standpunt in te nemen, acht de voorzieningenrechter het verzoek om ordemaatregel te verstrekkend en niet passend bij de complexiteit van de zaak.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, maar bevordert dat de behandeling van het beroep en aanverwante procedures binnen afzienbare termijn op zitting kan plaatsvinden. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om een ordemaatregel wordt afgewezen wegens ontbreken van een bijzonder geval dat onmiddellijke rechterlijke interventie vereist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20149

Beslissing van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker]: [V-nummer], verzoeker,

(gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2023 heeft verweerder heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burger van de Unie’ afgewezen. Op 12 april 2023 heeft verzoeker tegen dit besluit bezwaar ingesteld.
Bij besluit van 19 oktober 2023 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen. Op 13 november 2023 heeft verzoeker tegen dit besluit bezwaar ingesteld.
Bij besluit van 30 november 2023 heeft verweerder vastgesteld dat het verblijfsrecht van verzoeker als gemeenschapsonderdaan van rechtswege is geëindigd. Op 22 december 2022 heeft verzoeker tegen dit besluit bezwaar ingesteld.
Nadat verweerder de onderscheidenlijk tegen deze besluiten ingestelde bezwaren ongegrond heeft verklaard met de besluiten van respectievelijk 3 juni 2023, 10 januari 2024 en 18 april 2024, heeft verzoeker tegen die besluiten op bezwaar beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 29 juli 2025 [1] heeft de rechtbank, zittingsplaats Roermond, de besluiten op bezwaar van 10 januari 2024 en 18 april 2024 vernietigd en verweerder opgedragen om op het bezwaar van 12 april 2023 en - voor zover daarna nodig – ook op de andere twee bezwaren van verzoeker opnieuw te beslissen.
Bij besluit van 13 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser van 12 april 2023 en van 22 december 2023 opnieuw ongegrond verklaard [2] .
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer NL26.20147. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen teneinde de rechtsgevolgen van het bestreden besluit (waaronder de uitzetting) op te schorten zolang nog niet op het beroep is beslist en te bepalen dat verzoeker in deze periode aanspraak blijft maken op de rechten en plichten zoals hij die gedurende de bezwaarfase had. Voor zover het verzoek niet reeds terstond zou kunnen worden toegewezen, heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om het gevraagde bij wijze van ordemaatregel toe te kennen.
Op 8 mei 2026 en op 10 juni 2026 heeft verzoeker het verzoek om een ordemaatregel herhaald en nader onderbouwd.
De voorzieningenrechter heeft verweerder op 11 mei 2026 en op 20 mei 2026 verzocht een schriftelijk standpunt in te nemen over het verzoek om ordemaatregel en over de gronden van het verzoek. Van de zijde van verweerder is elke reactie uitgebleven.
De voorzieningenrechter heeft op 11 juni 2026 bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege kan blijven [3] .

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Aan het verzoek om een ordemaatregel heeft verzoeker ten grondslag gelegd dat de procedure die voorligt al lange tijd loopt. Een eerder beroep is gegrond verklaard en weer komt verweerder met een voor verzoeker nadelig besluit. Als gevolg van dit besluit mag verzoeker (weer) niet werken, en rust op hem een vertrekverplichting. Met het verzoek om een ordemaatregel beoogt verzoeker de mogelijk opnieuw lange duur van zijn procedure en de daarmee gepaard gaande negatieve gevolgen die dit voor hem zal hebben, te voorkomen en zijn woning en werk te behouden zolang de procedure duurt. Verzoeker heeft op 10 juni 2026 een verblijfsaantekening gekregen waaruit blijkt dat hij niet mag werken, terwijl zijn vaste lasten doorlopen. Hij heeft bewijs van salarisbetalingen van de afgelopen maand aan het digitale dossier toegevoegd. Gezien de aanzienlijk lange verblijfsperiode van verzoeker in Nederland, het eerdere gegronde beroep, en het feit dat verweerder blijkbaar niet de moeite heeft willen nemen om een reactie te geven, acht hij de urgentie van de te treffen ordemaatregel gegeven.
3. De voorzieningenrechter stelt vast dat het op 9 april 2026 ingediende verzoek om een voorlopige voorziening reeds heeft bewerkstelligd dat verzoeker de uitspraak op het verzoek in Nederland mag afwachten, zodat uitzetting van verzoeker vooralsnog niet aan de orde is.
4. Bij het al dan niet treffen van een ordemaatregel is van belang of verzoeker de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening kan afwachten, of dat zich reeds in de periode tot aan die uitspraak ernstige en onomkeerbare gevolgen voordoen die tot onmiddellijk rechterlijk ingrijpen nopen. De bevoegdheid om een ordemaatregel te treffen is dus bedoeld voor bijzondere gevallen.
5. Wat verzoeker aanvoert kan zijn zaak niet tot een bijzonder geval in voornoemde zin maken. Dat zich reeds in de periode tot aan de uitspraak op het verzoek ernstige en onomkeerbare gevolgen voordoen die tot onmiddellijk rechterlijk ingrijpen nopen, is de voorzieningenrechter niet gebleken. Dat de procedure die voorligt al veel tijd heeft gevergd en mogelijk nog enige tijd zal duren, dat verweerder nalatig is geweest in het reageren op herhaalde verzoeken van de voorzieningenrechter om een standpunt in te nemen en verzoeker geen gevaar vormt voor de samenleving of de openbare orde, maakt de zaak van verzoeker nog geen bijzonder geval in voornoemde zin.
6. De voorzieningenrechter vindt de nalatigheid van verweerder, bestaande uit het bij herhaling en ondanks verwijzing naar artikel 8:31 van Pro de Awb, stoïcijns niet reageren op herhaalde verzoeken van de rechtbank om een standpunt in te nemen, zeer laakbaar. Maar zij acht toewijzing van het verzoek om ordemaatregel zoals gevraagd, onder de gegeven omstandigheden te verstrekkend. Daar komt bij dat de onderhavige procedure zich niet leent voor de te maken omvangrijke en complexe (voorlopige) inhoudelijk beoordeling.
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om hangende de voorlopige-voorzieningenprocedure van verzoeker een ordemaatregel te treffen daarom af. Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding om binnen de haar ten dienste staande mogelijkheden te bevorderen dat het beroep en verzoek van verzoeker, tezamen met de in voetnoot 2 genoemde procedures met de zaaknummers NL26.20873 en NL26.20874, binnen afzienbare termijn op een zitting behandeld kunnen worden. De griffie zal hierover op korte termijn contact opnemen met partijen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een ordemaatregel te treffen af.
Aldus vastgesteld door mr. S. van Lokven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Clermonts, griffier.
De beslissing is openbaar en bekendgemaakt op : 12 juni 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.ECLI:NL:RBLIM:2025:7492 (niet gepubliceerd), zaaknummers NL23.20087, NL24.4260 en NL24.20912.
2.Bij separaat besluit van 18 maart 2026 heeft verweerder opnieuw op het bezwaar van 13 november 2023 beslist. Het tegen dit besluit ingestelde beroep en verzoek zijn geregistreerd onder zaaknummers NL26.20873 en NL26.20874.
3.Artikel 8:83, derde en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.