Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15900

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/09/625957
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 RvArt. 22a RvArt. 27 RvArt. 28 RvArt. 843a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzoeken tot geheimhouding van documenten over Nederlands bombardement in Irak

Deze civiele zaak betreft verzoeken tot geheimhouding door de Staat van documenten en informatie in een bodemprocedure over het Nederlandse bombardement op een ISIS-wapenfabriek in Irak in juni 2015. Eisers zijn nabestaanden van slachtoffers die het bombardement betreuren en stellen dat de Staat onvoldoende heeft afgezien van het bombardement.

De geheimhoudingskamer beoordeelt verzoeken van de Staat om kennisneming van bepaalde stukken te beperken tot de hoofdkamer, op grond van artikel 22 Rv Pro (oud). De stukken betreffen onder meer processen-verbaal van verhoren, memoranda, producties, bewegende beelden en correspondentie met de Verenigde Staten. De Staat beroept zich op belangen van nationale veiligheid, persoonlijke levenssfeer en internationale verdragsafspraken, met name inzake classificatie van informatie door de VS.

De kamer wijst verzoeken toe voor stukken waarin gevoelige militaire informatie, persoonsgegevens en strategische details zijn opgenomen, en wijst verzoeken af waar geen gewichtige reden voor beperking is. Eisers krijgen onder voorwaarden inzage in bepaalde stukken, maar verspreiding en mededeling aan derden wordt verboden. De zaak wordt terugverwezen naar de hoofdkamer voor verdere behandeling met inachtneming van dit vonnis.

Uitkomst: De geheimhoudingskamer wijst verzoeken tot beperkte kennisneming toe voor diverse stukken en wijst enkele verzoeken af, waarna de zaak wordt terugverwezen naar de hoofdkamer.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag
Team handel
Geheimhoudingskamer
Zaaknummer: C/09/625957 / HA ZA 22-219
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
1.
[eiser 1a]en zijn (inmiddels meerderjarige) kinderen
[eiser 1b]en
[eiser 1c], te [plaats 1] , Irak,
2.
[eiser 2a]in persoon en als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige
[eiser 2b], te [plaats 2] ,
3.
[eiser 3], in persoon en als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige
[eiser 2b], te [plaats 2] ,
4.
[eiser 4]te [plaats 1] , Irak,
5.
[eiser 5a] ', in persoon en als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen
[eiser 5b],
[eiser 5c]en
[eiser 5d], alsmede in persoon zijn inmiddels meerderjarige zoon
[eiser 5e], te [plaats 1] , Irak,
6.
[eiser 6]te [plaats 1] , Irak,
7.
[eiser 7a], en haar (meerderjarige) kinderen
[eiser 7b],
[eiser 7c]en
[eiser 7d], te [plaats 3] , Irak,
8.
[eiser 8]te [plaats 3] , Irak,
9.
[eiser 9]te [plaats 3] , Irak,
10.
[eiser 10a]en zijn echtgenote
[eiser 10b], moeder
[eiser 10c]en zus
[eiser 10d], te [plaats 3] , Irak,
11.
[eiser 11a], in persoon en als wettelijk vertegenwoordigster van de minderjarige
[eiser 11b], alsmede in persoon hun meerderjarige zoon/broer
[eiser 11c], te [plaats 4] , Irak,
eisers,
advocaten: mr. L. Zegveld en mr. T.J.R. van der Sommen,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDENte Den Haag,
gedaagde,
hierna te noemen: de Staat,
advocaten: mr. W.I. Wisman en mr. E. Boele van Hensbroek
1. Waar gaat deze zaak over en wat is samengevat het oordeel van de geheimhoudingskamer?
1.1. De hoofdzaak gaat over het bombardement in de nacht van 2 op 3 juni 2015 op een wapenfabriek en -opslagplaats van Islamitische Staat in Irak en Al-Sham (ISIS) in [plaats 3] te Irak dat is uitgevoerd door Nederlandse F-16’s. Eisers, vrijwel allemaal nabestaanden van familieleden die ten gevolge van het bombardement zijn omgekomen, verwijten de Staat, kort gezegd, dat niet is afgezien van het uitvoeren van dit bombardement.
1.2. Bij de beoordeling van de vordering van eisers staat de vraag centraal of de Nederlandse Red Card Holder (hierna: RCH) heeft gehandeld als een
reasonable commander. Bij de beantwoording van deze vraag acht de rechtbank in de hoofdzaak (hierna: de hoofdkamer) twee kwesties van bijzonder belang. In de eerste plaats is dat de kwestie van de al dan niet bestaande voorzienbaarheid van het risico op een secundaire explosie met ingrijpende gevolgen voor de omgeving. In de tweede plaats is van bijzonder belang wat bij de RCH bekend was over het zogenoemde
pattern of lifein en direct rond de fabriek, met andere woorden of in de directe omgeving daarvan burgers verbleven en, zo ja, op welke tijdstippen. De hoofdkamer heeft de Staat bevolen nadere toelichtingen te geven en een aantal stukken in het geding te brengen.
1.3. De Staat heeft met een beroep op artikel 22 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), zoals dit gold vóór 1 januari 2025, verzocht om kennisneming van (zwartgelakte passages in) de betreffende stukken en (deels) ook van de toelichting daarop te beperken tot de hoofdkamer. Na verwijzing van de zaak door de hoofdkamer, dient deze kamer (hierna: de geheimhoudingskamer) te beoordelen of sprake is van gewichtige redenen die maken dat de verzochte beperking van de kennisneming tot de hoofdkamer gerechtvaardigd is.
1.4. De geheimhoudingskamer wijst het verzoek van de Staat toe voor zover dat betrekking heeft op de
target folder, de gelakte onderdelen in de processen-verbaal van de verhoren die de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar) heeft afgenomen van de RCH en de verbindingsofficieren, de gelakte onderdelen in het Memorandum dat is gericht aan de Commandant der Strijdkrachten getiteld
‘Onderzoek CIVCAS melding 2 juni 2015 ‘VBIED Facility’van 30 juni 2016 (hierna: het memorandum), de gelakte onderdelen in door de Staat overgelegde producties 31B tot en met 41B, 44B tot en met 51B en 53B, en de bewegende beelden genoemd onder 3.2.8 van de akte na tussenvonnis van 22 mei 2024 (hierna: de bewegende beelden). De geheimhoudingskamer wijst het verzoek van de Staat af voor zover dat betrekking heeft op de door de Staat overgelegde producties 42B, 43B, 52B en 54B.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
  • het vonnis van de geheimhoudingskamer van 26 februari 2025 en de daarin genoemde stukken;
  • de akte na tussenvonnis, tevens houdende akte overlegging producties van de Staat van 2 juli 2025, met bijlagen I en II en producties 26 tot en met 55;
  • de antwoordakte van eisers van 31 december 2025, met producties 130 en 131;
  • de akte uitlaten producties 130 en 131 van de Staat van 25 februari 2026;
  • de rolbeslissing van 10 april 2026 dat de geheimhoudingskamer kennis zal nemen van de
  • de e-mail van de Staat van 15 april 2026 over het bezoek van de geheimhoudingskamer aan het ministerie van Defensie; en
  • het op 17 april 2026 door de Staat overgelegde overzicht van wat op de bewegende beelden te zien is.
2.2.
De geheimhoudingskamer heeft op 24 april 2026 op het ministerie van Defensie kennis genomen van de
target folderen de bewegende beelden bekeken.
2.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De nadere beoordeling

Voorgeschiedenis van deze zaak
3.1.
Bij tussenvonnis van 17 januari 2024 heeft de hoofdkamer, voor zover van belang, het volgende overwogen:
‘3.14 Op grond van observaties met behulp van zogenoemde Intelligence, Surveillance and Reconnaissance Assets kwamen drie naast elkaar gelegen industriële gebouwen in het oosten van [plaats 3] in beeld waarin ISIS bomauto’s (Vehicle-Borne Improvised Explosive Devices: VBIED’s) en geïmproviseerde explosieven (Improvised Explosive Devices: IED’s) fabriceerde (hierna ook: de VBIED-faciliteit of het doel). ISIS zette VBIED’s en IED’s niet alleen tegen vijandige strijdkrachten in, maar ook tegen de burgerbevolking.
(…)
3.20.
In de nacht van 2 op 3 juni 2015 hebben twee Nederlandse F-16’s van ATF-ME de VBIED-faciliteit in [plaats 3] kort na middernacht gebombardeerd.
(…)
5.4.
De zaak spitst zich in het bijzonder toe op twee feitelijke kwesties.
5.4.1.
In de eerste plaats is van belang op basis van welke informatie de RCH de voorzienbaarheid van secundaire explosies heeft ingeschat; niet alleen of hij iets wist of had moeten weten over de (hoeveelheid) explosieven in de VBIED-faciliteit, maar ook of hij iets wist over de reikwijdte van de secundaire explosies in eerder gebombardeerde (ISIS-)VBIED-faciliteiten. Dat laatste acht de rechtbank, anders dan eisers, ook indien inderdaad niets bekend was over de (hoeveelheid) explosieven in de VBIED-faciliteit mogelijk relevant in het kader van de
reasonable commander-toets. Indien namelijk eerdere bombardementen op ogenschijnlijk soortgelijke VBIED-faciliteiten slechts zeer beperkte secundaire explosies hadden veroorzaakt, zou dat in de gegeven situatie een indicatie kunnen vormen dat dat laatste ook voor de VBIED-faciliteit zou gelden.
5.4.2.
In de tweede plaats is van belang wat de RCH wist over het zogenoemde
pattern of lifein en direct rond de VBIED-faciliteit, met andere woorden of in de VBIED-faciliteit zelf of in de directe omgeving daarvan burgers (geregeld) verbleven en, zo ja, op welke tijdstippen, bijvoorbeeld alleen overdag of ook ’s nachts. Ook zou van belang kunnen zijn of, en zo ja, wat de RCH wist over de duur en intensiteit van het onderzoek daarnaar in vergelijking met eerdere inzet van wapens in vergelijkbare gevallen. (…)
(…)
5.7
De rechtbank heeft voor de beoordeling in deze zaak behoefte aan een nadere toelichting van de Staat op zijn stellingen ten aanzien van de secundaire explosies en het
pattern of lifeen aan enkele stukken die zien op deze stellingen.
De rechtbank zal dienaangaande een bevel geven op grond van artikel 22, eerste lid, Rv en dit bevel staat (dus) los van enige beslissing over de bewijslastverdeling en over de vordering van eisers tot het openbaren van stukken (op grond van artikel 843a Rv).
Nadere toelichting
5.8
De rechtbank beveelt de Staat nader toe te lichten om welke (bij de RCH destijds bekende) eerdere bombardementen op VBIED-faciliteiten in Irak het nu concreet gaat. De rechtbank verlangt een overzicht van deze bombardementen waarin plaats/streek, datum en vastgestelde reikwijdte van de secundaire explosie (inclusief schade schokgolf) zijn opgenomen. In het midden kan blijven welke coalitiepartner welk bombardement heeft uitgevoerd en met welke wapens de bombardementen zijn uitgevoerd. Tevens verlangt de rechtbank eenzelfde overzicht van de drie door Nederlandse F-16’s uitgevoerde bombardementen op wapenfabrieken/-opslagplaatsen in Afghanistan die de verst reikende secundaire explosies hebben gekend.
Ten aanzien van het onderzoek naar het
pattern of lifebeveelt de rechtbank een toelichting waarin een vergelijking wordt gemaakt betreffende de duur en intensiteit van het onderzoek daarnaar tussen enerzijds het bombardement op de VBIED-faciliteit in [plaats 3] en anderzijds bedoelde andere, aan dit bombardement voorafgegane bombardementen op VBIED-faciliteiten in Irak. Ook verlangt de rechtbank een toelichting op de vraag in hoeverre de RCH van de duur en intensiteit van bedoelde onderzoeken op de hoogte is gesteld. Deze toelichting kan in die zin algemeen van aard blijven, dat gevoelige technische aspecten van de surveillance achterwege mogen worden gelaten.
(…)
5.16.
De rechtbank houdt alle overige beslissingen aan, waaronder die ten aanzien van de stellingen van partijen over de onderzoeksplicht en de vorderingen tot het overleggen van stukken (ingevolge artikel 843a Rv).’
3.2.
De Staat heeft vervolgens zijn akte na tussenvonnis van 22 mei 2024 genomen. In deze akte heeft de Staat vermeld dat de
Air Task Force Middle East(hierna: ATF-ME) in de periode vóór 2 juni 2015 vier doelen heeft aangevallen die vergelijkbaar waren met de
Vehicle-Borne Improvised Explosive Devices(hierna: VBIED)-faciliteit in [plaats 3] .
In deze akte heeft de Staat verder een door de hoofdkamer verzocht overzicht opgenomen. De Staat heeft in 3.2.8 van deze akte toegelicht dat hij de informatie in dat overzicht heeft gebaseerd op de
mission materialsin het archief, waaronder beeldmateriaal. De Staat heeft vermeld dat hij per doel een representatieve selectie van de statische beelden en
stillsvan de bewegende beelden uit het archief in geschoonde vorm in het geding heeft gebracht.
Aan deze akte is een aantal producties gehecht, voornamelijk zogenoemde
After Action Reports(AAR’s) en afbeeldingen vanuit de lucht. Veel van deze AAR’s en afbeeldingen zijn deels ‘gezwart’.
3.3.
Op 23 oktober 2024 is namens eisers een antwoordakte met producties genomen. Onder deze producties bevinden zich producties die reeds aan de akte van 22 mei 2024 van de Staat zijn gehecht, maar dan ‘ongezwart’. Het betreft AAR’s en een aantal afbeeldingen.
3.4.
De Staat heeft de hoofdkamer verzocht deze antwoordakte te weigeren en eisers op te dragen een nieuwe antwoordakte te nemen zonder producties met ‘ontzwarte’ passages. Eisers verzetten zich hiertegen omdat hen dat de mogelijkheid zou ontnemen de door hen gestelde onwaarachtigheden in de akte van de Staat van 22 mei 2024 bloot te leggen.
3.5.
Bij tussenvonnis van 31 december 2024 heeft de hoofdkamer overwogen:
‘2.8 Bij rolbeslissing van 11 december 2024 heeft de rechtbank in lijn met het verzoek van de Staat als voorlopige, bewarende maatregel op grond van artikel 28, eerste lid onder b, Rv - voor zover nodig gezien de mededeling van eisers dat zij de passages vooralsnog als staatsgeheim zullen behandelen - dat (de advocaten van) eisers en hun deskundigen tot het wijzen van het tussenvonnis van heden geen mededelingen aan derden mogen doen over de oorspronkelijk gezwarte passages (van de producties 121, 122 en 124 tot en met 127 en van de inhoud van paragrafen 3.2 en 3.3 van de akte van 23 oktober 2024). (…)
(…)
2.1
Deze kamer van de rechtbank zal de beslissing over de vraag of de bewuste passages als staatsgeheim dienen te worden beschouwd niet zelf nemen. In het tussenvonnis is namelijk reeds geoordeeld dat, voordat deze kamer van de rechtbank een (eind)oordeel zal vellen in deze zaak, een andere kamer van deze rechtbank (hierna: de geheimhoudingskamer) het beroep van de Staat op geheimhouding van bepaalde stukken zal gaan beoordelen. Deze verwijzing naar de andere kamer zal worden uitgebreid met de beoordeling door de geheimhoudingskamer van het al dan niet staatsgeheime karakter van de betreffende passages en een eventueel (subsidiair) beroep op geheimhouding.
Het onder 2.8 bedoelde bevel op grond van artikel 28, eerste lid onder b, Rv wordt hierbij verlengd voor onbepaalde tijd. Uiteraard zal de geheimhoudingskamer de bevoegdheid toekomen dit bevel in te trekken of te wijzigen.
2.11
Indien de geheimhoudingskamer tot het oordeel zal komen dat (de) passages een staatsgeheim karakter hebben, zal de akte van 23 oktober 2024 geweigerd worden en zullen eisers een van staatsgeheimen geschoonde akte in het geding kunnen brengen. Indien de geheimhoudingskamer tot dit oordeel komt, zal zij echter ook een oordeel geven over de vraag in hoeverre de conclusies die de Staat uit deze staatsgeheime passages in zijn akte van 22 mei 2024 afleidt juist zijn en daarmee tegelijkertijd in hoeverre het beroep van eisers op artikel 21 Rv Pro gerechtvaardigd is. Deze kamer van de rechtbank - de kamer die vandaag tussenvonnis wijst dus - zal ook gebonden zijn aan laatstgenoemd oordeel van de geheimhoudingskamer, maar zal in geval van schending van artikel 21 Rv Pro zelf beslissen over de eventuele gevolgtrekking die daaraan verbonden moet worden. Ten aanzien van de passages waarvan de geheimhoudingskamer zal oordelen dat zij niet staatsgeheim zijn, behoeft de geheimhoudingskamer geen oordeel over artikel 21 Rv Pro te geven.’
3.6.
Bij tussenvonnis van 26 februari 2025 heeft de geheimhoudingskamer de Staat bevolen de volgende gegevens/documenten beschikbaar te stellen:
  • de
  • de uitwerkingen (processen-verbaal) van de verhoren die de KMar heeft afgenomen van de RCH en de verbindingsofficieren;
  • annex 18 bij het document van het Amerikaanse
  • de derde pagina van het memorandum;
  • de door de Staat op 22 mei 2024 genomen akte na tussenvonnis inclusief de daarbij in het geding gebrachte producties; en
  • de bewegende beelden.
Verzoek beperkte kennisneming
3.7.
In deze zaak heeft de Staat verzocht om beperking van de kennisneming tot de hoofdkamer van de door hem bij akte van 2 juli 2025 overgelegde producties 27B tot en met 54B en van de
target folderen de bewegende beelden. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft de Staat verwezen naar een bijlage die ook naar eisers is verzonden, bijlage I, en een vertrouwelijke bijlage, bijlage II, die alleen de geheimhoudingskamer heeft ingezien. Verder heeft de Staat zijn verzoek, voor zover dat betrekking heeft op de
target folder, onderbouwd met een brief van 14 maart 2025. De Staat heeft als productie 26A een kopie van die brief overgelegd waarin de functies en namen van de behandelend ambtenaren van zowel de Staat als van de Verenigde Staten zijn weggelakt.
3.8.
De geheimhoudingskamer zal bij de beoordeling van het verzoek van de Staat zowel de toelichting in de akte van 2 juli 2025 als de toelichtingen in bijlagen I en II betrekken. Wat betreft bijlage II overweegt zij dat beperkte kennisneming daarvan gerechtvaardigd is, gelet op de inhoud daarvan. Op de brief van 14 maart 2025 gaat de geheimhoudingskamer hieronder in.
Toetsingskader
3.9.
Artikel 22 Rv Pro, dat over de beperkte kennisneming van stukken gaat, is gewijzigd per 1 januari 2025. Uit artikel XIIa van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht volgt dat ten aanzien van zaken die met een dagvaarding aanhangig zijn gemaakt vóór 1 januari 2025 het recht van vóór deze datum van toepassing blijft. Aangezien de dagvaarding aanhangig is gemaakt op 17 februari 2022, toetst de geheimhoudingskamer het verzoek van de Staat aan artikel 22 Rv Pro, zoals dit gold vóór 1 januari 2025. De geheimhoudingskamer hanteert daarbij het kader dat is uiteengezet in haar tussenvonnis van 26 februari 2025 onder 2.1.
Gegevens/documenten in deze zaak
Target folder
3.10.
Eisers maken bezwaar tegen het feit dat de Staat de
target folderniet, zoals bevolen in het tussenvonnis van 26 februari 2025, aan de geheimhoudingskamer heeft overgelegd, maar haar (slechts) de mogelijkheid heeft gegeven deze onder strikte voorwaarden op het ministerie van Defensie in te zien. Die voorwaarden houden onder meer in dat de inzage dient plaats te vinden in een beveiligde ruimte binnen het ministerie van Defensie waarin geen gebruik mag worden gemaakt van opnameapparatuur en het maken van aantekeningen evenmin geoorloofd is. Eisers betogen dat door de inzage onder die omstandigheden te laten plaatsvinden de kwaliteit en de onafhankelijkheid van de rechtspraak wordt aangetast. Zij stellen in verband daarmee primair dat de
target folderalsnog aan de geheimhoudingskamer overgelegd dient te worden en subsidiair dat in elk geval de voorwaarde dat geen aantekeningen gemaakt mogen worden van tafel moet. Dit betoog faalt om de volgende redenen. De Staat heeft bedoelde voorwaarden kennelijk gesteld met geen ander doel dan het door haar gestelde geheime karakter van de
target folderte waarborgen. De voorwaarde dat geen aantekeningen mogen worden gemaakt van wat in de desbetreffende ruimte op het ministerie is besproken of getoond, geldt voor alle functionarissen die van die ruimte gebruik (mogen) maken en is in die zin, naar de geheimhoudingskamer heeft begrepen, inherent aan het gebruik van die beveiligde ruimte. Verder heeft de geheimhoudingskamer, zoals zij ook had verlangd, zonder aanwezigheid van derden de
target folderkunnen bestuderen en bespreken en daarvoor de tijd genomen die zij nodig had. Van de beperking dat geen aantekeningen mochten worden gemaakt, heeft de geheimhoudingskamer geen hinder ondervonden. Hierbij is van belang dat de taak van de geheimhoudingskamer beperkt is tot de beoordeling van de vraag of sprake is van een gewichtige reden die maakt dat beperkte kennisname van de
target folder(een stuk van 8 pagina’s) door de hoofdkamer gerechtvaardigd is. De geheimhoudingskamer heeft die vraag kunnen beantwoorden zonder dat daarvoor ter plaatse van de inzage gemaakte aantekeningen nodig of gewenst waren. Nu geen sprake is geweest van de door eisers gestelde aantasting van de kwaliteit of van de onafhankelijkheid van de rechtspraak in verband met de gestelde voorwaarden, hebben eisers geen belang bij hun bezwaar tegen de inzage van de
target folder(in plaats van het overleggen daarvan) en de voorwaarden waaronder deze inzage heeft plaatsgevonden.
3.11.
De geheimhoudingskamer heeft geconstateerd dat de
target folderdoor de Amerikaanse autoriteiten is voorzien van de rubricering
“Secret”. Dit betekent dat de
target foldervalt onder de reikwijdte van het door de Staat ingeroepen bilaterale verdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten inzake de beveiliging van gerubriceerde gegevens uit 1960. [2] Op grond van dat verdrag is de Staat verplicht aan de
target folderdezelfde graad van beveiliging toe te kennen die de Amerikaanse regering heeft toegekend en de
target folderniet voor een ander dan het aangegeven doel te gebruiken. Dit brengt mee dat de Staat zonder toestemming van de Verenigde Staten de informatie die is vervat in de
target folderniet met eisers kan delen. Dit vormt naar het oordeel van de geheimhoudingskamer een gewichtige reden voor beperkte kennisneming van de
target folder.
3.12.
De Staat stelt dat hij toestemming aan de Verenigde Staten heeft verzocht om de
target folderin het kader van de (hoofd)procedure met eisers te mogen delen. Dit verzoek heeft de Staat gedaan door middel van de in het geding gebrachte brief aan de Verenigde Staten van 14 maart 2025 met als onderwerp “
Court order regarding USA classified documents – Court case NLD airstrike VBIED-facility in [plaats 3] on June 2-3, 2015”. Volgens de Staat is namens de Verenigde Staten op 22 april 2025 negatief op dit verzoek gereageerd. Eisers voeren aan dat de Staat zich onvoldoende heeft ingespannen om bedoelde toestemming te verkrijgen. Dat zou volgens eisers in de eerste plaats blijken uit het rapport van de commissie-Sorgdrager, waarin ten aanzien van andere informatie over het bombardement op [plaats 3] , het zogenoemde AR 15-6 onderzoeksrapport, staat dat de Staat er onvoldoende prioriteit aan had gegeven en onvoldoende belangrijke mensen had ingeschakeld om te bewerkstelligen dat CENTCOM dit onderzoek met Nederland zou delen. Verder merken eisers op dat de Staat geen inzage geeft wie namens de Staat het verzoek heeft gedaan en aan wie van de Verenigde Staten het verzoek is gericht. Ten slotte heeft de Staat volgens eisers niet exact aan de Verenigde Staten gevraagd wat de rechtbank heeft bevolen. De geheimhoudingskamer overweegt hierover het volgende.
3.13.
Zoals hiervoor overwogen geldt als uitgangspunt dat de Staat de inhoud van de
target folderniet met eisers mag delen omdat de Verenigde Staten dit stuk als
“Secret”hebben aangemerkt. Voorts is naar het oordeel van de geheimhoudingskamer genoegzaam gebleken dat de Staat de Verenigde Staten door middel van de brief van 14 maart 2025 heeft verzocht om de
target folderin het kader van de procedure ook met eisers te mogen delen. Immers nadat de Staat in deze brief de context van de rechtszaak en het bevel van de rechtbank tot overlegging van stukken heeft geschetst, legt hij aan de Verenigde Staten onder meer de volgende vraag voor: “
To what exten[t] can the USA (partially) declassify the aformentioned documents, to that the State can share the information in these documents with BOTH the court AND claimants?”Dat namens de Verenigde Staten op dit verzoek is beslist dat de informatie in de bewuste documenten, waaronder de
target folder, niet met eisers kan worden gedeeld, staat niet ter discussie, zodat in het midden kan worden gelaten wie precies de geadresseerde functionaris is binnen de Amerikaanse overheid. Zoals eisers terecht opmerken, kan uit de kopie van de brief van 14 maart 2025 die als productie 26A is overgelegd worden opgemaakt dat het verzoek namens de Staat is gedaan door een functionaris werkzaam bij de directie internationale zaken van het Directoraat-Generaal Beleid van Defensie. Daaruit volgt niet dat het verzoek afkomstig is van het verkeerde organisatieonderdeel van de Staat of “niet op het juiste niveau” is ingestoken, zoals eisers kennelijk veronderstellen. Dat volgt evenmin uit de door eisers aangehaalde passage uit het rapport van de commissie-Sorgdrager, reeds omdat die passage geen betrekking heeft op de
target folderen het verzoek van de Staat de inhoud daarvan ook met eisers te mogen delen. De slotsom is dat niet is gebleken dat de Staat zich onvoldoende heeft ingespannen om toestemming van de Verenigde Staten te verkrijgen om de
target foldermet eisers te mogen delen.
3.14.
Alles afwegend, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat de verzochte beperking van de kennisneming van de
target foldertot de hoofdkamer gerechtvaardigd is. Aan eisers kan worden toegegeven dat kennisneming van de
target foldervan belang is voor het debat over de vragen waarvoor de hoofdkamer zich gesteld ziet. Daartegenover staat echter het meer algemene belang van de Staat dat kennisneming door eisers van de
target folderzou betekenen dat de Staat verdragsafspraken niet nakomt, wat de betrekkingen met bondgenoten, meer bepaald de Verenigde Staten, en de algehele betrouwbaarheid van de Staat in het internationale verkeer ernstig zou kunnen schaden. Dit algemene belang weegt naar het oordeel van de geheimhoudingskamer zwaarder dan het belang van eisers om van de
target folderkennis te nemen. De geheimhoudingskamer voegt hieraan toe dat zij het van belang acht dat eisers de hoofdkamer toestemming verlenen om mede op de grondslag van de
target folderuitspraak te doen, zodat de hoofdkamer onder meer kan toetsen of wat de Staat over de inhoud daarvan heeft gesteld (zie bijvoorbeeld akte na tussenvonnis van 2 juli 2025, 5.4.6 tot en met 5.4.8) juist is.
Verzoek tot beperkte kennisneming ongeschoonde brief van 14 maart 2025
3.15.
Verspreiding van de functies en namen van de behandelend ambtenaren van zowel de Staat als van de Verenigde Staten die in de brief van 14 oktober 2025 staan brengt volgens de Staat veiligheidsrisico’s mee, althans kan leiden tot aantasting van hun persoonlijke levenssfeer. Als productie 26B heeft de Staat, uitsluitend ten behoeve van de geheimhoudingskamer, een ongeschoonde kopie van voornoemde brief in het geding gebracht. De geheimhoudingskamer begrijpt dat de Staat hiermee verzoekt tot beperkte kennisneming door uitsluitend de hoofdkamer van de ongeschoonde kopie van de brief. De geheimhoudingskamer wijst dit verzoek toe omdat de door de Staat genoemde redenen naar haar oordeel inderdaad een gewichtige reden opleveren en de beperkte kennisneming van de brief ook gerechtvaardigd is. Overigens heeft de geheimhoudingskamer bij haar eigen beslissing over de beperkte kennisneming van de
target folder, zoals blijkt uit 3.10 tot en met 3.14, gebaseerd op de geschoonde kopie van de brief (productie 26A).
Processen-verbaal van de verhoren die de KMar heeft afgenomen van de RCH en de verbindingsofficieren
Proces-verbaal RCH (productie 27)
3.16.
De Staat heeft als productie 27A een vrijwel volledig zwart gelakt proces-verbaal overgelegd van het verhoor dat is afgenomen van de RCH (hierna: p-v RCH). De Staat stelt dat er gewichtige redenen zijn die rechtvaardigen dat uitsluitend de hoofdkamer van het ongeschoonde p-v RCH kennis neemt De redenen voor de beperking zijn gelegen in de persoonlijke levenssfeer van de RCH, zoals de Staat heeft toegelicht in de vertrouwelijke bijlage II, die hij samen met het ongeschoonde p-v RCH (productie 27B) aan de geheimhoudingskamer heeft overgelegd. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat er inderdaad sprake is van gewichtige redenen om het p-v RCH (en de vertrouwelijke toelichting) niet met eisers te delen. De geheimhoudingskamer kan haar beslissing niet nader motiveren zonder gevoelige informatie prijs te geven en volstaat daarom met de constatering dat de gewichtige reden onder meer is gelegen in de persoonlijke levenssfeer van de RCH.
3.17.
Ook wegens het inzicht dat de gegevens op p. 4 en 5 van het p-v RCH bieden in de wapensystemen en modus operandi is naar het oordeel van de geheimhoudingskamer sprake van een gewichtige reden. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat de Staat voldoende heeft toegelicht dat informatie over wapensystemen en modus operandi voor (potentiële) tegenstanders van groot strategisch belang is en dat kennisname door niet-geautoriseerden kan leiden tot een aantasting van de slagkracht en de veiligheid van Nederland en zijn bondgenoten.
3.18.
Bij de beoordeling van de vraag of die gewichtige redenen de beperkte kennisneming door de hoofdkamer rechtvaardigen, stelt de geheimhoudingskamer voorop dat eisers belang hebben bij kennisneming van het p-v RCH omdat hierin mogelijk relevante informatie staat voor de beantwoording van de vragen die de hoofdkamer in haar vonnis van 17 januari 2024 heeft geformuleerd (zie de onder 3.1 aangehaalde overwegingen van dat vonnis).
3.19.
De geheimhoudingskamer hecht echter een grotere waarde aan de door de Staat naar voren gebrachte belangen bij beperking van de kennisneming van het p-v RCH. Bij de afweging van belangen die aan deze beoordeling ten grondslag ligt, heeft de geheimhoudingskamer betekenis toegekend aan de maatregelen die getroffen kunnen worden – deels in overeenstemming met en deels analoog aan hetgeen is bepaald voor de gevallen genoemd in art. 22a Rv – die de beperking van het recht op gelijke proceskansen (die de beperkte kennisneming kan meebrengen), in belangrijke mate compenseren. In dit verband is van belang dat de Staat zich bereid heeft verklaard om aan mr. Zegveld en mr. Van der Sommen in hun hoedanigheid van raadslieden van eisers een versie van het p-v RCH (productie 27C) [3] ter beschikking te stellen waarin een (zo) beperkt (mogelijk) aantal passages is gelakt onder de voorwaarden dat de hoofdkamer van de rechtbank:
op de voet van artikel 22a, tweede lid, Rv bepaalt dat de kennisneming van die versie van het p-v RCH is voorbehouden aan mr. Zegveld en mr. Van der Sommen in hun hoedanigheid van raadslieden van eisers;
een mededelingsverbod op de voet van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, Rv oplegt aan mr. Zegveld en mr. Van der Sommen ten aanzien van de alsdan wel te verstrekken inhoud van het p-v RCH, dat zich dus ook uitstrekt tot ieder verder gebruik, mondeling of schriftelijk, van de inhoud van het p-v RCH; en
op de voet van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b en/of c, Rv bepaalt dat zittingen waar de inhoud van het p-v RCH aan de orde komt, in hun hoedanigheid van raadslieden van eisers aanwezig zullen mogen zijn, zodat het ter zitting verhandelde wordt bestreken door het uit artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, Rv voortvloeiende mededelingsverbod.
3.20.
De geheimhoudingskamer acht deze voorwaarden redelijk, met inachtneming van wat zij in aanvulling daarop onder 3.21 overweegt. Voor eisers is de terbeschikkingstelling van het p-v RCH onder deze voorwaarden gunstiger dan een kennisneming door alleen de hoofdkamer. De geheimhoudingskamer is, dat in acht nemende, van oordeel dat deze terbeschikkingstelling met zodanige waarborgen is omkleed, dat het recht op een eerlijk proces daarmee niet onevenredig wordt beperkt.
3.21.
De geheimhoudingskamer overweegt dat de positie van partijen nog beter in evenwicht zou zijn wanneer eisers, zoals zij willen, één of meer deskundigen zouden kunnen raadplegen over eventuele militaire en technische informatie in het p-v RCH. Zij overweegt dat op grond of naar analogie van artikel 22a lid 2 Rv aan één of meerdere deskundigen bijzondere toestemming zou kunnen worden verleend voor kennisneming van het p-v RCH. De hoofdkamer zou in dat geval de onder 3.19 bedoelde voorwaarden en mededelingsverboden van overeenkomstige toepassing kunnen verklaren op die deskundige(n). De geheimhoudingskamer zal de Staat in de gelegenheid stellen zich uit te laten over deze mogelijkheid.
3.22.
Anders dan eisers naar aanleiding van de onder 3.19 onder iii genoemde voorwaarde hebben aangevoerd, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de veiligheid van de Staat hier wel een reden kan vormen voor behandeling met gesloten deuren (en wel op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, Rv). De geheimhoudingskamer laat het echter aan de hoofdkamer over om in overleg met partijen te bezien of en onder welke voorwaarden bedoelde deskundige(n) kennis mogen nemen van de aangekondigde productie 27C.
3.23.
In reactie op de stelling van eisers dat bepaalde passages uit het p-v RCH al openbaar gemaakt zijn (bijvoorbeeld via het rapport van de commissie-Sorgdrager), overweegt de geheimhoudingskamer dat een mededelingsverbod geen betrekking kan hebben op informatie die al bekend is uit openbare bronnen en dat de voorwaarde genoemd in 3.19 onder ii ook aldus moet worden begrepen.
Processen-verbaal verbindingsofficieren (gemandateerde RCH’s) (producties 28 en 29)
3.24.
Wat betreft de persoonsgegevens in de processen-verbaal van de verhoren van de verbindingsofficieren (hierna: p-v’s LNO’s) is de geheimhoudingskamer van oordeel dat sprake is van een gewichtige reden die beperking van de kennisneming tot de hoofdkamer gerechtvaardigd maakt. De Staat heeft voldoende toegelicht dat verspreiding van deze gegevens veiligheidsrisico’s meebrengt voor de betrokkenen, althans kan leiden tot aantasting van hun persoonlijke levenssfeer. De geheimhoudingskamer weegt daarbij mee dat eisers geen bezwaar maken tegen het niet delen van (persoons)gegevens met hen, voor zover bedoelde personen geen publieke functie bekleden.
3.25.
Eisers vinden dat een uniek kenmerk, een nummer of gefingeerde naam vermeld moet worden zodat duidelijk is welke onderdelen zien op dezelfde personen, opdat uitspraken, handelingen en vaststellingen door of ten aanzien van deze personen niet van elkaar worden losgekoppeld. De geheimhoudingskamer is het hiermee eens. Zij zal de Staat opdragen om een versie van de p-v LNO’s in te brengen waarin zo’n kenmerk, nummer of naam is vermeld. Het heeft de voorkeur van de geheimhoudingskamer dat de Staat nieuwe producties inbrengt onder hetzelfde nummer met een nieuwe letter, dus producties 28C en 29C.
3.26.
Voor het overige acht de geheimhoudingskamer de beperkte kennisneming van de p-v’s LNO’s gerechtvaardigd. De Staat heeft voldoende toegelicht dat informatie in de p-v’s LNO’s inzicht biedt in de werking, effectiviteit en/of eventuele beperkingen van wapensystemen en/of de modus operandi van de Nederlandse en/of bondgenootschappelijke krijgsmachten - en daarmee in het militaire potentieel van Nederland en zijn bondgenoten. Dat eisers belang hebben bij bepaalde informatie, onderkent de geheimhoudingskamer, maar zij kent daaraan geen doorslaggevende betekenis toe. Wat betreft het geheimhouden van de rubricering heeft de Staat vermeld dat de p-v’s LNO’s in gelakte vorm niet meer gelden als gerubriceerd. De geheimhoudingskamer overweegt dat de geheimhouding in het voordeel is van eisers, nu eisers hierdoor een deel van de p-v’s LNO’s kunnen inzien, en dat eisers geen bezwaar hebben gemaakte tegen beperkte kennisneming hiervan.
3.27.
De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat de producties 28 en 29 niet openbaar zijn en dat eisers deze niet verder mogen verspreiden. Anders dan eisers, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat er een grondslag bestaat om eisers te verbieden deze processen-verbaal verder te verspreiden, namelijk artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, Rv. Op grond van dat artikelonderdeel zal zij bepalen dat het aan eisers verboden is mededelingen te doen omtrent de producties 28 en 29. Dit betekent ook dat eisers deze producties niet mogen verspreiden. Daartoe overweegt zij dat het gaat om gevoelige gegevens die slechts zijn overgelegd in het kader van de vragen waarvoor de hoofdkamer is gesteld.
Annex 18
3.28.
De Staat stelt dat hij Annex 18 niet aan de geheimhoudingskamer kan verstrekken, omdat hij daarover niet beschikt. Eisers hebben dit niet betwist.
3.29.
De weigering van de Staat om Annex 18 over te leggen is niet gebaseerd op een gestelde gewichtige reden. De geheimhoudingskamer kan daarom niet beoordelen of deze weigering gerechtvaardigd is. Het is aan de hoofdkamer om te bepalen hoe zij om wenst te gaan met het niet overleggen van Annex 18 door de Staat.
Het memorandum (productie 30)
3.30.
De Staat heeft het memorandum grotendeels gedeeld met eisers, met uitzondering van:
de persoonsgegevens van degene die het memorandum heeft opgesteld;
de nummers van de relevante
rules of engagement; en
de eenheid waar documentatie wordt opgeslagen.
3.31.
Eisers hebben onder deze omstandigheden geen bezwaar tegen eenzijdige kennisname door de hoofdkamer van het ongeschoonde stuk.
3.32.
De geheimhoudingskamer is van oordeel dat voor de beperking van de kennisneming van het betreffende deel van het memorandum een gewichtige reden bestaat. De Staat heeft voldoende toegelicht dat verspreiding van persoonsgegevens veiligheidsrisico’s meebrengt voor de personen in kwestie, althans kan leiden tot aantasting van hun persoonlijke levenssfeer. Ten aanzien van de nummers van de
rules of engagementheeft de Staat voldoende toegelicht dat deze nummering in combinatie met de overige informatie in het memorandum inzicht biedt in de systematiek, strekking en/of inhoud van de rules of engagement van de NAVO en daarmee de voorwaarden waaronder Nederland en zijn bondgenoten bepaalde aanvallen wel of juist niet uitvoeren. Ten aanzien van de eenheid waar documentatie wordt opgeslagen, heeft de Staat voldoende toegelicht dat de vermelding daarvan te gedetailleerd weergeeft waar informatie wordt opgeslagen. De beperking van de kennisneming van het memorandum is dus gerechtvaardigd, gelet op de door de Staat naar voren gebrachte belangen en het feit dat eisers geen belang naar voren hebben gebracht bij (verdergaande) inzage.
3.33.
Dit betekent dat de hoofdkamer, gelet op de toestemming van eisers daarvoor, mede op grondslag van het ongeschoonde memorandum uitspraak kan doen.
Akte van 22 mei 2024 met producties en akte van 23 oktober 2024 met producties
3.34.
De geheimhoudingskamer gaat hierna in onderstaande volgorde in op:
de akte van 22 mei 2024;
de producties die zowel zijn overgelegd bij de akte van 22 mei 2024 als die van 23 oktober 2024;
correspondentie met de Verenigde Staten;
AAR’s;
afbeeldingen.
a.
Akte 22 mei 2024
3.35.
De Staat heeft vermeld dat zijn overzicht onder 5.8 van de akte van 22 mei 2024 informatie bevat die is afgeleid uit
target foldersvan de verschillende aanvallen op VBIED-faciliteiten die door ATF-ME zijn uitgevoerd. De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat deze zijn opgesteld door en eigendom zijn van de Verenigde Staten waardoor het de Staat niet vrijstaat deze in hun geheel aan eisers of de geheimhoudingskamer te verstrekken.
3.36.
De geheimhoudingskamer overweegt dat haar bevel in het tussenvonnis van 26 februari 2025 geen betrekking heeft op andere
target foldersdan die is ingezien voorafgaand aan de aanval op [plaats 3] van 2-3 juni 2015. Zij gaat daarom voorbij aan het standpunt van de Staat over andere
target folders.
3.37.
Eisers stellen dat in de akte van 22 mei 2024 niet is voldaan aan het bevel dat is weergegeven onder 5.8, tweede alinea, van het vonnis van de hoofdkamer van 17 januari 2024 omdat de Staat niet de duur en intensiteit van het onderzoek naar het
pattern of lifeheeft vermeld. Voor zover zij willen zeggen dat dit een weigering is in de zin van artikel 22 Rv Pro, volgt de geheimhoudingskamer dit niet. In de akte van 22 mei 2024, hoofdstuk 5, heeft de Staat een nadere toelichting gegeven op het onderzoek naar het
pattern of life. De Staat heeft zich niet op een gewichtige reden beroepen die de geheimhoudingskamer kan beoordelen. Of de Staat een bevredigend antwoord heeft gegeven op de vragen waarvoor de hoofdkamer zich gesteld ziet, is ter beoordeling van de hoofdkamer.
b.
Producties bij aktes 22 mei 2024 en 23 oktober 2024 (producties 42, 43, 52 en 54)
3.38.
Zoals volgt uit 3.2 en 3.3 is een deel van de producties bij de akte van 22 mei 2024 bij de akte van 23 oktober 2024 in ongelakte vorm overgelegd. Het gaat om de producties 42, 43, 52 en 54.
3.39.
De geheimhoudingskamer is van oordeel dat de relevante informatie op zichzelf om de redenen die de Staat daarvoor gegeven heeft in aanmerking komt voor beperkte kennisneming omdat daarvoor een gewichtige reden bestaat. De geheimhoudingskamer overweegt dat in deze zaak evenwel een bijzondere situatie is ontstaan nu (de raadslieden van) eisers kennis hebben genomen van en beschikken over de ongeschoonde producties, dus inclusief de oorspronkelijk gelakte passages ten aanzien waarvan de Staat heeft meegedeeld dat deze staatsgeheim zijn en dat daarom alleen de hoofdkamer daarvan kennis zal mogen nemen. Ongeacht wie een verwijt kan worden gemaakt van het ontstaan van deze bijzondere situatie, geldt dat van (de raadslieden van) eisers bezwaarlijk kan worden verlangd dat zij in het debat dat in de hoofdprocedure over deze producties (mogelijk) wordt gevoerd, geen gebruik mogen maken van de kennis die zij hebben van de passages die de Staat geheim had willen houden. Dat zou leiden tot een gemankeerd debat waar het niet kan gaan over mogelijk voor de uitkomst van de procedure relevante feiten waarvan beide partijen kennis hebben. Dat is naar het oordeel van de geheimhoudingskamer in strijd met een goede procesorde en dus onwenselijk. De geheimhoudingskamer is gelet hierop van oordeel dat beperkte kennisneming van de betreffende informatie in deze zaak niet meer te rechtvaardigen is. [4] Dit brengt mee (zoals ook volgt uit 2.11 van het vonnis van de hoofdkamer van 31 december 2024) dat de geheimhoudingskamer geen oordeel zal geven over de vraag in hoeverre de conclusies die de Staat uit de volgens hem staatsgeheime passages in zijn akte van 22 mei 2024 afleidt, juist zijn.
3.40.
Het voorgaande betekent ook dat de geheimhoudingskamer van oordeel is dat de akte van eisers van 23 oktober 2024 met de ongeschoonde producties 121, 122 en 124 tot en met 127 (overeenkomend met de producties 42B, 43B, 52B en 54B van de Staat) niet, zoals door de Staat verzocht, geweigerd en vernietigd worden. Er is dan ook geen reden om de Staat in de gelegenheid te stellen overlegging van de producties 42B, 43B, 52 B en 54B ongedaan te maken, omdat die mogelijkheid, nu eisers materieel reeds over die producties beschikken en daarvan in de procedure gebruik mogen maken, een gepasseerd station is.
3.41.
Dit oordeel laat onverlet het door de hoofdkamer bij rolbeslissing van 11 december 2024 gegeven en bij vonnis van 31 december 2024 voor onbepaalde tijd verlengde bevel op grond van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, Rv dat (de advocaten van) eisers en hun deskundigen geen mededelingen aan derden mogen doen over de oorspronkelijk gezwarte passages in de bewuste producties en van de in die beslissingen genoemde paragrafen van de akte van 23 oktober 2024. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat in verband met de gevoelige inhoud van deze stukken, waarvan openbaarmaking of verdere verspreiding onder meer veiligheidsrisico’s kunnen meebrengen, de gronden voor dit bevel nog onverminderd aanwezig zijn.
c.
Correspondentie met de Verenigde Staten (producties 31 tot en met 33)
3.42.
Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer zijn er gewichtige redenen die beperking van kennisneming van de persoonsgegevens van de behandelend ambtenaren gerechtvaardigd maken, gelet op de toelichting van de Staat dat verspreiding van deze gegevens veiligheidsrisico’s meebrengt, of kan leiden tot aantasting van de persoonlijke levenssfeer. De geheimhoudingskamer acht het belang van de Staat bij beperkte kennisneming daarom groter dan het belang van eisers bij kennisneming daarvan. De geheimhoudingskamer weegt mee dat eisers geen inzage verlangen in een ongeschoonde versie van deze correspondentie.
d.
AAR’s (producties 35, 36, 39, 40, 46 en 50)
3.43.
Eisers stellen ten aanzien van alle AAR’s in het algemeen dat zij er belang bij hebben zelfstandig te controleren of er bij de aanvallen burgerslachtoffers zijn gevallen. Dit kan de geheimhoudingskamer niet volgen. Eisers betogen namelijk dat de AAR’s geen betrouwbare bron vormen voor de vraag of er burgerslachtoffers zijn gevallen en dat vóór de aanval op [plaats 3] in AAR’s slechts werd opgenomen of er schade was aan gebouwen. Ook uit de toelichting van de Staat op het verzoek om beperkte kennisneming blijkt niet dat de AAR’s informatie bevatten over burgerslachtoffers. De geheimhoudingskamer ziet hierin dan ook geen zwaarwegend belang van eisers bij kennisneming van de AAR’s.
3.44.
De AAR’s, die zijn opgemaakt na aanvallen die zijn opgenomen in het overzicht van de Staat in zijn akte van 22 mei 2024, bestaan uit vaste onderdelen. De geheimhoudingskamer zal de onderdelen waarvan de Staat om beperkte kennisneming heeft verzocht hieronder beoordelen.
-
AAR production date, Supported unit, Date & time of weapon employment, Province/district
3.45.
De geheimhoudingskamer is van oordeel dat sprake is van gewichtige redenen die maken dat de beperking van de kennisneming van de data, tijdstippen en locaties van de aanvallen tot de hoofdkamer gerechtvaardigd is. Daartoe is de volgende toelichting van de Staat van belang.
3.46.
De Staat heeft vermeld dat hij terughoudend is met het vrijgeven van precieze informatie over de datum, tijd en locatie van de luchtaanvallen die Nederland heeft uitgevoerd tijdens
Operation Inherent Resolve(hierna: OIR). Dat houdt ermee verband dat in de akte na tussenvonnis van 22 mei 2024 en de bijbehorende producties aanzienlijk meer informatie over deze aanvallen wordt verstrekt dan in de openbare database van luchtaanvallen die Nederland heeft uitgevoerd tijdens OIR of elders.
3.47.
Het vrijgeven van precieze informatie over de datum, tijd en locatie van deze informatie maakt het volgens de Staat mogelijk om de gedetailleerde informatie over deze aanvallen te koppelen aan openbare informatie (en informatie die in de toekomst mogelijk nog openbaar zal worden), wat tot gedetailleerde inzichten over het verloop van deze aanvallen kan leiden. Precieze locatieaanduidingen, gecombineerd met bijvoorbeeld het beeldmateriaal, stellen vijandige krijgsmachten mogelijk in staat berekeningen te maken die inzicht bieden in de gebruikte wapensystemen en de werking ervan, het wapenplafond en eventuele beperkingen daarvan - zeker als de tegenstander beschikt of gaandeweg komt te beschikken over omvangrijke datasets.
3.48.
Verder kunnen volgens de Staat (potentiële) tegenstanders aan de hand van specifieke locatieaanduidingen conclusies trekken over de modus operandi van Nederland en zijn bondgenoten. Zij kunnen bijvoorbeeld de ligging van aangevallen militaire doelen ten opzichte van bepaalde (civiele) objecten in de omgeving onderzoeken, wat inzicht biedt in de voorwaarden die Nederland en/of zijn bondgenoten bij het aangrijpen van doelen hanteren. Dit stelt tegenstanders in staat hun strategieën daarop aan te passen. Informatie over de afstand tussen aangegrepen doelen en civiele objecten biedt bijvoorbeeld inzicht in welke afstand door Nederland en/of bondgenoten acceptabel wordt bevonden en stelt tegenstanders in staat eventuele
human shield-strategieën (het plaatsen van militaire objecten in of nabij civiele objecten en/of de burgerbevolking om te voorkomen dat deze worden aangegrepen) hierop af te stemmen.
3.49.
Tot slot bieden volgens de Staat ook de tijdstippen van de aanvallen (potentiële) tegenstanders inzicht in de momenten waarop en omstandigheden waaronder Nederland en/of zijn bondgenoten bepaalde (typen) doelen wel of juist niet aangrijpen. Tegenstanders kunnen hiermee reconstrueren wanneer zij bij bepaalde (typen) doelen op hun hoede moeten zijn, zeker als zij beschikken of gaandeweg komen te beschikken over omvangrijke datasets. Wanneer ook de locatie van het doel bekend is, kunnen tegenstanders bovendien achterhalen wat de
pattern of lifewas rondom die locatie op het tijdstip van de aanval. Ook dit stelt tegenstanders in staat om hun
(human shield-)strategieën hierop af te stemmen en hun militaire objecten beter te beschermen.
3.50.
Het voorgaande geldt volgens de Staat temeer nu de Staat in deze procedure informatie verstrekt over ‘een pakket’ doelen en aanvallen die met elkaar vergelijkbaar zijn. (Potentiële) tegenstanders zouden met nadere informatie over de modus operandi en wapensystemen die bij deze doelen zijn ingezet daardoor in één keer een zeer compleet beeld kunnen krijgen van hoe Nederland en zijn bondgenoten dit type doelen aanvallen.
3.51.
De geheimhoudingskamer erkent dat eisers, zoals zij betogen, belang hebben bij informatie over de data en locaties van de aanvallen, maar zij kent geen doorslaggevend gewicht toe aan dat belang. Dat de hoofdkamer heeft bevolen een overzicht te maken waarin onder meer plaats/streek en datum zijn opgenomen, zoals eisers naar voren brengen, neemt niet weg dat de Staat kan mededelen dat uitsluitend de hoofdkamer kennis mag nemen van de informatie waarop het overzicht is gebaseerd (artikel 22, tweede lid, Rv). De geheimhoudingskamer weegt bij haar beslissing mee dat in het overzicht in de akte van 22 mei 2024 de aanvallen zijn aangeduid met letters en is vermeld dat de aanvallen i tot en met iv vóór de aanval op [plaats 3] van 2-3 juni 2015 plaatsvonden, terwijl de aanvallen vi en vii hebben plaatsgevonden na de aanval op [plaats 3] . Bovendien zijn wel de provincies van de aanvallen bekend. Eisers zijn daardoor niet van alle informatie verstoken en kunnen tot op zekere hoogte een debat voeren over de vraag op basis van welke informatie de RCH het risico op een secundaire explosie heeft ingeschat.
3.52.
Eisers hebben erop gewezen dat de Staat in zijn akte van 22 mei 2024 heeft vermeld dat hij de data van de aanvallen desgewenst wel zou kunnen delen tijdens een mondelinge behandeling met gesloten deuren. Gelet daarop volstaat naar het oordeel van de geheimhoudingskamer beperking van de kennisneming van de data tot de hoofdkamer, waarbij de geheimhoudingskamer ervan uitgaat dat de Staat zijn aanbod gestand zal doen om, indien een zitting met gesloten deuren plaatsvindt, de data van de aanvallen te noemen.
-
Involved coalition partners
3.53.
Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is sprake van een gewichtige reden die maakt dat beperking van de kennisneming van de betrokken coalitiepartners tot de hoofdkamer gerechtvaardigd is. De Staat heeft vermeld dat afspraken met bondgenoten aan het delen daarvan met derden - en dus ook eisers - in de weg staan. Die afspraken brengen onder meer mee dat de Staat geen informatie mag delen die te koppelen is aan of inzicht biedt in de betrokkenheid van een coalitiepartner, tenzij deze hier uitdrukkelijk toestemming voor geeft. Alleen de betreffende coalitiepartner kan de gevolgen die openbaarmaking van de informatie zou kunnen hebben voor zijn (veiligheids)belangen voldoende overzien en daarvoor de verantwoordelijkheid nemen, aldus de Staat. De geheimhoudingskamer kent aan het belang van de Staat bij het behouden van goede betrekkingen met bondgenoten en bij zijn betrouwbaarheid in het internationale verkeer een doorslaggevend gewicht toe. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de hoofdkamer in het tussenvonnis ten aanzien van de eerdere bombardementen op VBIED-faciliteiten in Irak heeft overwogen dat in het midden kon blijven welke coalitiepartner welk bombardement heeft uitgevoerd. Ook neemt de geheimhoudingskamer in aanmerking dat eisers zich niet hebben verzet tegen het lakken van de betrokken coalitiepartners in de AAR’s.
-
Involved local authorities
3.54.
De geheimhoudingskamer is van oordeel dat sprake is van een gewichtige reden die beperking van de kennisneming van de vermelding van (eventuele) lokale partijen tot de hoofdkamer gerechtvaardigd maakt. De Staat heeft vermeld dat deze informatie inzicht biedt in de informatiepositie van de coalitie, meer specifiek in de eventuele samenwerking van de coalitie met lokale partijen, bijvoorbeeld of er voor (de voorbereiding van) deze wapeninzet is samengewerkt met lokale informanten. De geheimhoudingskamer kent een groter gewicht toe aan de belangen van de Staat bij het voorkomen van inzicht in wapensystemen en de modus operandi en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van individuen dan aan het belang van eisers bij kennisneming van deze gegevens. Daarbij neemt zij in aanmerking dat eisers geen bezwaren naar voren hebben gebracht tegen het lakken van de (eventuele) lokale partijen in de AAR’s.
-
Execution
3.55.
De Staat heeft vermeld dat bij het onderdeel ‘Execution’ de operaties chronologisch worden uitgewerkt. Aan de linkerzijde staat telkens de datum en het tijdstip. Aan de rechterzijde wordt een omschrijving van de aanval gegeven. Deze omschrijving bevat onder meer de
Joint Desired Point of Impact(hierna: JDPI)’s van de aanval, het type wapen dat is ingezet, het resultaat daarvan en/of een beschouwing van of (dit deel van) de aanval volgens plan verliep.
3.56.
De geheimhoudingskamer is wat betreft de data en tijdstippen van de aanvallen van oordeel dat sprake is van een gewichtige reden en acht beperking van de kennisneming hiervan gerechtvaardigd. Zij verwijst naar hetgeen zij hierboven onder 3.45 en 3.51 heeft overwogen.
3.57.
Wat betreft de informatie in productie 36 over betrokkenheid van coalitiepartners is de geheimhoudingskamer eveneens van oordeel dat sprake is van een gewichtige reden en acht zij beperking van de kennisneming hiervan gerechtvaardigd. Zij verwijst naar hetgeen zij hierboven onder 3.53 heeft overwogen.
3.58.
Ook voor het overige is naar het oordeel van de geheimhoudingskamer sprake van een gewichtige reden en acht de geheimhoudingskamer beperking van de kennisneming van het onderdeel ‘Execution’ op de AAR’s gerechtvaardigd. De Staat heeft voldoende toegelicht dat deze informatie inzicht biedt in de werking, effectiviteit en/of eventuele beperkingen van wapensystemen van de Nederlandse en/of bondgenootschappelijke krijgsmachten. Kennisname dan wel mogelijkheid tot kennisname door niet-geautoriseerden kan, zo heeft de Staat toegelicht, leiden tot een aantasting van de slagkracht en de veiligheid van Nederland en zijn bondgenoten, met ernstige operationele risico’s en veiligheidsrisico’s tot gevolg. Voorts neemt de geheimhoudingskamer de toelichting van de Staat in de vertrouwelijke bijlage in acht. Eisers hebben naar voren gebracht dat zij belang hebben bij de zwartgelakte informatie omdat daaruit kan blijken dat de doelen bij andere aanvallen niet vergelijkbaar waren met die in [plaats 3] , maar de doelen zijn in de AAR’s niet gelakt. Eisers kunnen dus tot op zekere hoogte het debat voeren over de vraag naar de voorzienbaarheid van het risico op een secundaire explosie en de gevolgen daarvan voor de omgeving.
-
Commanders assessment
3.59.
De Staat heeft vermeld dat bij het onderdeel ‘Commanders assessment’ de naam, rang en functie staan van de ondertekenaar van het AAR.
3.60.
De geheimhoudingskamer is van oordeel dat sprake is van een gewichtige reden die beperkte kennisneming gerechtvaardigd maakt. De Staat heeft voldoende toegelicht dat verspreiding van deze informatie veiligheidsrisico’s voor de ondertekenaar met zich meebrengt, althans kan leiden tot aantasting van zijn/haar persoonlijke levenssfeer; bovendien kan aan de hand van deze informatie worden gereconstrueerd van wanneer het betreffende AAR dateert. Verder neemt de geheimhoudingskamer in aanmerking dat eisers zich niet hebben verzet tegen het lakken van deze informatie in de AAR’s.
e.
Afbeeldingen (producties 34, 37, 38, 41, 42, 43, 44, 45, 47, 48, 49, 51 en 53)
3.61.
Op enkele van de door de Staat overgelegde afbeeldingen staan dezelfde onderdelen. De geheimhoudingskamer beoordeelt deze onderdelen zo mogelijk gezamenlijk.
-
Rubricering/coalitiepartner (producties 34, 38, 41, 44, 47, 48 en 49)
3.62.
Ten aanzien van het blok linksonder op producties 34, 38, 41, 44, 47, 48 en 49 heeft de Staat vermeld dat hier staat wat de rubricering is van de afbeelding en aan welke coalitiepartners de geclassificeerde informatie op deze afbeelding is vrijgegeven.
3.63.
De geheimhoudingskamer wijst het verzoek om beperkte kennisneming voor zover het de rubricering/coalitiepartners betreft toe. Het lakken van de rubricering is naar het oordeel van de geheimhoudingskamer gunstig voor eisers en zij hebben daartegen geen bezwaar gemaakt. De Staat heeft te kennen gegeven dat, omdat alle gerubriceerde informatie is gelakt, ook de aanduiding van de rubricering - dat de afbeelding geclassificeerd is - is gelakt. Zolang de rubricering nog op de afbeelding staat, geldt deze en zou de afbeelding niet mogen worden ingezien door anderen dan geautoriseerde personen van de op de afbeelding genoemde coalitiepartners, aldus de Staat.
Wat betreft de coalitiepartners verwijst de geheimhoudingskamer naar hetgeen zij hierboven onder 3.53 heeft overwogen.
-
Voorwaarden / restricties (producties 34, 38, 41, 44, 48, 51 en 53)
3.64.
De geheimhoudingskamer is van oordeel dat sprake is van gewichtige redenen die maken dat beperkte kennisneming van de voorwaarden/restricties die zijn weergegeven op producties 34, 38, 44, 48, 51 en 53 is gerechtvaardigd. De Staat heeft voldoende toegelicht dat deze gegevens (potentiële) tegenstanders inzicht bieden in de modus operandi van de Nederlandse krijgsmacht en/of zijn bondgenoten. Dat inzicht wordt volgens de Staat vergroot als deze informatie ook over andere aanvallen bekend is. Tegenstanders kunnen zich aan de hand van deze informatie een goed beeld vormen van wanneer Nederland en/of zijn bondgenoten bepaalde doelen wel of juist niet aangrijpen, en hieruit bijvoorbeeld afleiden welke risico’s de coalitie acceptabel achtte voor welke doelen, en onder welke mitigerende maatregelen. Dit stelt tegenstanders in staat hun strategieën hierop aan te passen en zo de kans dat een bepaald doel met succes wordt aangevallen te verkleinen. In zijn vertrouwelijke bijlage heeft de Staat dit nader toegelicht. De geheimhoudingskamer hecht aan dit belang van de Staat een groter gewicht dan aan het belang van eisers bij kennisneming daarvan. Eisers hebben bovendien gezegd dat producties 48, 51 en 53 voor hen niet van belang zijn.
-
Gegevens gebouwen in omgeving doel (producties 34 en 41)
3.65.
De geheimhoudingskamer is van oordeel dat sprake is van een gewichtige reden die beperking van de kennisneming van de blokken met de aanduiding ‘CO (…)SCHOOL (…)’ (productie 34) en de blokken met de aanduidingen ‘CO:COLLATERAL ELEMENT (…)’, ‘CO:OVERHANG (…)’ en ‘CO:WHSE (SS 3G) (…)’ (productie 41) tot de hoofdkamer gerechtvaardigd maakt. De Staat heeft voldoende toegelicht dat door kennisneming van de naam en locatie en de exacte afstand van de gebouwen tot het doel (inclusief de windrichting) en de code waarmee het doel is gelabeld inzicht kan worden verkregen in de werking, effectiviteit en/of eventuele beperkingen van wapensystemen en/of de modus operandi van de Nederlandse en/of bondgenootschappelijke krijgsmachten - en daarmee in het militaire potentieel en de beperkingen van Nederland en zijn bondgenoten. De geheimhoudingskamer hecht een groter gewicht aan het belang van de Staat om dit te voorkomen dan aan het belang van eisers bij kennisneming van deze gegevens. Daarbij weegt de geheimhoudingskamer mee dat eisers geen bezwaren naar voren hebben gebracht tegen beperking van de kennisneming van deze blokken tot de hoofdkamer.
-
Code JDPI (producties 34, 38, 41, 44, 45, 48 en 49)
3.66.
De geheimhoudingskamer is van oordeel dat sprake is van een gewichtige reden die beperkte kennisneming van de code waarmee de JDPI van het doel is gelabeld gerechtvaardigd maakt. De Staat heeft voldoende toegelicht dat aan de hand van deze code meer informatie kan worden ‘ontsleuteld’, omdat deze code is terug te vinden in verschillende documenten en databases. De geheimhoudingskamer kent aan het belang van de Staat om dit te voorkomen een groter gewicht toe dan aan het belang van eisers bij kennisneming van deze gegevens. De geheimhoudingskamer weegt mee dat eisers geen bezwaren naar voren hebben gebracht tegen beperkte kennisneming van deze gegevens en ten aanzien van producties 48 en 49 te kennen hebben gegeven dat deze voor hen niet van belang zijn.
-
Code type gebouw en afstand tussen gebouw en doel (producties 34, 38, 44 en 48)
3.67.
De geheimhoudingskamer is van oordeel dat sprake is van een gewichtige reden die beperkte kennisneming van de blokken met de aanduiding ‘NCO: Res (..)’ (productie 34), ‘NCO: Store (…)’ (productie 38), ‘NCO:SHED (…)’ (productie 44) en ‘NCO: MOSQUE NORTH (…)’ (productie 48) tot de hoofdkamer gerechtvaardigd maakt.
3.68.
De Staat heeft toegelicht dat hier een code staat voor het type gebouw en de exacte afstand tussen dit gebouw en het doel (inclusief windrichting). De codering van het gebouw biedt volgens de Staat informatie over de structuur van het gebouw, bijvoorbeeld hoe groot, hoe stevig of van welk materiaal het gebouw is. Aan de hand van onder meer die informatie kan volgens de Staat worden bepaald welke wapens kunnen worden ingezet op het doel, zonder dat er (disproportionele) nevenschade wordt veroorzaakt aan het desbetreffende gebouw. Deze codering biedt informatie over of de inzet van bepaalde wapens op het doel wel of juist niet voor de hand ligt, aldus de Staat. Als deze codering wordt ontcijferd en wordt gecombineerd met overige openbare informatie, kan dit tegenstanders waardevolle informatie verschaffen over door Nederland en/of coalitiepartners gebruikte wapensystemen en modus operandi, waarop tegenstanders kunnen anticiperen.
3.69.
De exacte afstand tussen dit gebouw en het doel biedt volgens de Staat inzicht in de afstand tussen aan te grijpen militaire doelen en civiele objecten die door Nederland en/of coalitiepartners acceptabel wordt bevonden; (potentiële) tegenstanders kunnen hun tactiek hierop aanpassen, door bijvoorbeeld belangrijke militaire objecten op een dusdanige afstand tot civiele objecten te plaatsen dat deze niet of niet eenvoudig kunnen worden aangevallen; ook hier geldt dat de waarde van deze informatie voor tegenstanders des te groter wordt, als deze informatie ook ten aanzien van andere aanvallen bekend is.
3.70.
Gelet op de toelichting van de Staat, hecht de geheimhoudingskamer een groter gewicht aan de belangen van de Staat dan aan het belang van eisers bij kennisneming van deze gegevens. Daarbij neemt de geheimhoudingskamer in aanmerking dat eisers geen bezwaren naar voren hebben gebracht tegen beperking van de kennisneming van dit onderdeel tot de hoofdkamer en dat eisers ten aanzien van productie 48 hebben laten weten dat deze voor hen niet van belang is.
-
Productie 37
3.71.
De geheimhoudingskamer is van oordeel dat sprake is van een gewichtige reden die maakt dat beperking van de kennisneming van de afstand van de boordcamera tot het doel en de vlieghoogte op productie 37 gerechtvaardigd is. Dit geldt ook voor het blok linksboven, waarvan de reden van het verzoek door de Staat in de vertrouwelijke bijlage is toegelicht.
3.72.
De Staat heeft toegelicht dat aan de hand van de afstand van de boordcamera tot het doel kan worden bepaald hoe goed de sensoren van de boordcamera zijn. Verder heeft de Staat toegelicht dat de vlieghoogte ook inzicht biedt in hoe goed de sensoren van de boordcamera zijn. De geheimhoudingskamer hecht meer waarde aan het belang van de Staat bij het voorkomen van verspreiding van deze kennis dan aan het belang van eisers bij kennisneming hiervan. Wat betreft het blok linksboven kan de geheimhoudingskamer haar beslissing niet nader motiveren zonder gevoelige informatie prijs te geven, dus zij volstaat met de constatering dat het inzicht in wapensystemen en modus operandi betreft. De geheimhoudingskamer weegt bij haar beslissing mee dat eisers zelf te kennen hebben gegeven dat productie 37 geen relevante informatie bevat en dat zij daarbij geen belang hebben.
-
Lange balk onderaan op productie 45
3.73.
De geheimhoudingskamer is van oordeel dat sprake is van een gewichtige reden die maakt dat beperking van kennisneming van de specifieke locatieaanduiding, de datum van de
battle damage assessmenten informatie over de ingezette wapens op productie 45 gerechtvaardigd is. De geheimhoudingskamer hecht een grotere waarde aan het belang van de Staat bij het voorkomen van inzicht in wapensystemen en modus operandi dan aan het belang van eisers bij kennisneming van deze gegevens. Daarbij weegt de geheimhoudingskamer mee dat eisers geen bezwaar hebben gemaakt tegen de beperkte kennisneming van deze gegevens.
Bewegende beelden
3.74.
Voor zover eisers betogen dat de Staat niet heeft voldaan aan het bevel door niet een bestand met de bewegende beelden over te leggen maar slechts inzage op het ministerie van Defensie mogelijk te maken, overweegt de geheimhoudingskamer het volgende. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is geen sprake van een weigering om de bewegende beelden over te leggen in de zin van artikel 22 Rv Pro, nu de Staat inzage op het ministerie van Defensie mogelijk heeft gemaakt.
3.75.
Anders dan eisers betogen, zijn de door de Staat gehanteerde beveiligingsmaatregelen - zoals een beveiligde ruimte waarin geen opnameapparatuur is toegestaan - niet van dien aard dat deze de kwaliteit en onafhankelijkheid van de rechtspraak aantasten. De Staat heeft voldoende toegelicht dat de reden voor de beveiligingsmaatregelen is gelegen in de apparatuur op het ministerie van Defensie, die is geaccrediteerd voor het betreffende rubriceringsniveau. Uit het door de Staat op 17 april 2026 overgelegde overzicht blijkt dat op de beelden de aanvallen i, ii, iii, iv, v ( [plaats 3] ) en vii te zien zijn. De taak van de geheimhoudingskamer is beperkt tot de vraag of sprake is van een gewichtige reden die maakt dat beperkte kennisneming gerechtvaardigd is. De geheimhoudingskamer acht zich voldoende geëquipeerd om deze vraag onder de beveiligingsmaatregelen en zonder voorlichting van een deskundige te beantwoorden en verwijst ter toelichting naar 3.10.
3.76.
De geheimhoudingskamer is van oordeel dat sprake is van een gewichtige reden.
De Staat heeft voldoende toegelicht dat bewegende beelden, gefilmd vanuit een F-16 tijdens een luchtaanval, inherent strategisch gevoelige informatie over de modus operandi van de Nederlandse krijgsmacht, en in voorkomend geval haar bondgenoten, prijsgeven. Eisers hebben dit ook niet bestreden.
3.77.
Verder is de geheimhoudingskamer van oordeel dat beperking van de kennisneming van de bewegende beelden tot de hoofdkamer gerechtvaardigd is. Zij kent daarbij meer gewicht toe aan het belang van de Staat bij het voorkomen van inzicht in informatie die kan leiden tot aantasting van slagkracht en de veiligheid van Nederland en zijn bondgenoten dan aan de belangen van eisers. De geheimhoudingskamer weegt daarbij mee dat aan de belangen van eisers bij kennisneming van de bewegende beelden enigszins is tegemoetgekomen. De Staat heeft namelijk op 16 april 2025 twee beeldopnames die betrekking hebben op de aanval op de VBIED-faciliteit in [plaats 3] in bewerkte vorm openbaar gemaakt, te weten videobeelden die inzoomen op de aanval zelf en videobeelden van [plaats 3] die de ochtend na de aanval zijn gemaakt. Ook heeft de Staat in zijn akte van 22 mei 2024
stillsopgenomen van de bewegende beelden. Bovendien heeft de Staat op 17 april 2026 een overzicht overgelegd van wat op de bewegende beelden te zien is.
3.78.
Anders dan eisers menen, zijn de bewegende beelden niet zozeer van belang voor de vraag wat voorafgaand aan de aanval bekend was over het
pattern of lifein [plaats 3] . De bewegende beelden zijn overgelegd in het kader van de vraag naar het risico op een secundaire explosie en zijn, zoals blijkt uit het op 17 april 2026 overgelegde overzicht, tijdens de aanval gemaakt.
3.79.
Eisers hebben ten slotte naar voren gebracht dat van belang is wat op de beelden van ná de aanval op [plaats 3] waar te nemen was omdat de detachementscommandant op het AAR niet heeft vermeld dat er enige kans was op burgerslachtoffers waardoor de Staat (het Openbaar Ministerie) geen onderzoek heeft gestart. Beslissingen over de onderzoeksplicht heeft de hoofdkamer bij haar vonnis van 17 januari 2024 echter aangehouden. De geheimhoudingskamer verwijst naar 5.16 van dat vonnis.
Vervolg procedure
p-v RCH (productie 27)
3.80.
De geheimhoudingskamer laat het aan eisers of zij gebruik wensen te maken van de terbeschikkingstelling van een versie van het p-v RCH (productie 27C) onder de door de Staat gestelde voorwaarden zoals weergeven onder 3.19 i, ii en iii. Voor het geval zij hiervan geen gebruik wensen te maken, zullen zij tevens in de gelegenheid worden gesteld te laten weten of zij de hoofdkamer toestemming geven om mede op de grondslag van het p-v RCH (productie 27B) uitspraak te doen.
3.81.
Zoals is overwogen onder 3.21, wordt de Staat in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de mogelijkheid om aan één of meerdere deskundigen bijzondere toestemming te verlenen voor kennisneming van het p-v RCH (productie 27C).
Overige gegevens
3.82.
Zoals overwogen onder 3.33, kan de hoofdkamer mede op grondslag van het memorandum uitspraak doen. Voor de overige gegevens waarvan de geheimhoudingskamer oordeelt dat de beperkte kennisneming gerechtvaardigd is, is de vraag aan de orde of eisers de hoofdkamer toestemming geven mede op grondslag daarvan uitspraak te doen. De geheimhoudingskamer zal eisers in de gelegenheid stellen zich daarover uit te laten.
Efficiënte procesvoering
3.83.
Ten aanzien van producties 35A, 39A, 40A, 41A, 46A en 50A heeft de Staat te kennen gegeven dat bepaalde informatie abusievelijk is gelakt. De geheimhoudingskamer beveelt de Staat om, in het kader van een efficiënte procesvoering, alsnog een versie over te leggen van de betreffende producties waarin geen informatie is gelakt die volgens de eigen stellingen van de Staat niet gelakt hadden moeten zijn. De Staat dient deze versie van de producties over te leggen als 35C, 39C, 40C, 41C, 46C, 49C en 50C.

4.De beslissing

De geheimhoudingskamer
4.1.
verwijst de zaak terug naar de hoofdkamer om de behandeling daarvan met inachtneming van dit vonnis voort te zetten;
Producties 42B, 43B, 52B en 54B
4.2.
wijst het verzoek om de beperking van de kennisneming van producties 42B, 43B, 52B en 54B tot de hoofdkamer af;
Target folder, producties 27B tot en met 41B, 44B tot en met 51B en 53B en bewegende beelden
4.3.
wijst het verzoek om de beperking van de kennisneming van de
target folder, de producties 27B tot en met 41B, 44B tot en met 51B en 53B en de bewegende beelden tot de hoofdkamer toe;
4.4.
stelt eisers in de gelegenheid om te laten weten of zij gebruik willen maken van de terbeschikkingstelling van productie 27C onder de door de Staat gestelde voorwaarden, zoals weergeven onder 3.19 i, ii en iii;
4.5.
stelt de Staat in de gelegenheid om zich uit te laten over de mogelijkheid om toestemming te verlenen aan één of meer deskundigen voor kennisneming van productie 27C, zoals omschreven onder 3.21;
4.6.
stelt eisers in de gelegenheid om te laten weten of zij de hoofdkamer toestemming geven mede op de grondslag van de
target folder, productie 27B (indien zij geen gebruik maken van de onder 4.4 genoemde mogelijkheid) en producties 28B tot en met 41B, 44B tot en met 51B en 53B en de ongeschoonde beelden uitspraak te doen;
4.7.
verbiedt eisers mededelingen aan derden te doen omtrent de producties 28 en 29;
4.8.
draagt de Staat op om een versie van de p-v’s LNO’s (producties 28C en 29C) over te leggen waarin een kenmerk is vermeld waarmee duidelijk is welke onderdelen zien op dezelfde personen;
Producties 35C, 39C, 40C, 41C, 46C, 49C en 50C
4.9.
beveelt de Staat de producties 35C, 39C, 40C, 41C, 46C, 49C en 50C over te leggen, zoals bepaald in 3.83;
Verwijzing naar de rol
4.10.
verwijst de zaak naar de rol van 8 juli 2026 voor uitlating Staat als bedoeld onder 4.5, voor uitlating eisers als bedoeld onder 4.4 en 4.6 en om de Staat in de gelegenheid te stellen de onder 4.8 en 4.9 bedoelde producties over te leggen;
Dit vonnis is gewezen door mr. I.A.M. Kroft, mr. M.A. van de Laarschot en mr. D. Biever en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
type: 3053

Voetnoten

1.De geheimhoudingskamer zal de producties in deze zaak aanduiden met het nummer dat de Staat ze heeft gegeven bij de akte van 2 juli 2025. In de A-versie van de producties zijn gegevens zwartgelakt, in de alleen aan de geheimhoudingskamer overgelegde B-versie zijn alle gegevens zichtbaar.
2.Briefwisseling houdende een verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake de beveiliging van gerubriceerde gegevens, Washington, 18-08-1960
3.Door middel van arceringen van tekstgedeelten in productie 27B heeft de Staat aan de geheimhoudingskamer zichtbaar gemaakt welke vermeldingen in deze aangekondigde productie 27C nog zwart gelakt zouden zijn. Daaruit blijkt dat het slechts om een zeer gering aantal zinnen/zinsgedeelten gaat dat is “gezwart”.
4.Anders dan de hoofdkamer mogelijk voor ogen stond bij haar overwegingen in het vonnis van 31 december 2024 (2.10 en 2.11) is niet beslissend of de gewraakte passages staatsgeheim zijn, maar of er een gewichtige redenen is die beperkte kennisneming rechtvaardigt.