Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15902

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
NL26.30129
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a VwArt. 106 VwArt. 5.3 VbArt. 5.1b, derde lid, VbArt. 5.1b, vierde lid, Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

Eiser, met de Libische nationaliteit, werd op 21 mei 2026 een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat de maatregel onrechtmatig was vanwege een discrepantie in de digitale ondertekening en betwistte enkele zware gronden waarop de maatregel was gebaseerd.

De rechtbank oordeelde dat de maatregel rechtsgeldig was ondertekend en aan eiser was uitgereikt. Hoewel eiser enkele gronden betwistte, werden andere zware en lichte gronden niet betwist en konden deze de maatregel dragen. De ambtshalve toetsing leidde niet tot het oordeel dat de maatregel onrechtmatig was.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter K.M. de Jager en griffier M. Gasi op 12 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.30129

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.M. van Daalhuizen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Kanters)

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Hij heeft op 3 juni 2026 de gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 4 juni 2026 een reactie op de beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft op 5 juni 2026 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser is uitgezet.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 8 juni 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Libische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1993.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Ondertekening van de maatregel van bewaring
3. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring van 21 mei 2026 onrechtmatig is. Daartoe voert hij allereerst aan dat de maatregel niet op betrouwbare wijze digitaal is ondertekend. Uit de digitale handtekening blijkt dat het document om 09.04 uur is ondertekend, terwijl in de maatregel staat vermeld dat deze om 09.20 uur is ondertekend. Door deze discrepantie van 16 minuten is geen sprake van een rechtsgeldig ondertekend document.
4. Een rechtsgeldige maatregel van bewaring komt op grond van artikel 5.3. van het Vreemdelingenbesluit (Vb) tot stand indien deze is gedagtekend, ondertekend en met redenen is omkleed. Een maatregel van bewaring treedt verder pas in werking als deze aan eiser is uitgereikt. De rechtbank stelt vast dat de maatregel van bewaring voldoet aan de vereisten zoals bedoeld in artikel 5.3 van het Vb. De maatregel is ondertekend om 09.04 uur, zoals ook blijkt uit de door eiser overgelegde printscreen. Eiser heeft voorts niet bestreden dat de maatregel aan hem is uitgereikt en evenmin dat dat op het door verweerder gestelde en in de maatregel opgenomen tijdstip van 09:20 uur is gebeurd. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Maatregel van bewaring
5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. Verweerder heeft als zware gronden [1] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden [2] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. Eiser betwist zware gronden 3a en 3i. Ten aanzien van grond 3a voert hij aan dat hij met een geldig Libisch paspoort en een geldig Schengenvisum Nederland is ingereisd. De conclusie dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn visum berust op aannames van verweerder. Met betrekking tot grond 3i stelt eiser dat hij niet bekend was met een vertrektermijn en eerst advies wilde inwinnen over de mogelijkheden van vrijwillige terugkeer, zodat uit zijn afwachtende houding niet kan worden afgeleid dat hij geen gevolg wilde geven aan zijn terugkeerverplichting. Ten aanzien van de overige zware en lichte gronden refereert eiser zich aan het oordeel van de rechtbank.
7. Eiser heeft zware grond 3c en de aan de maatregel ten grondslag gelegde lichte gronden niet betwist. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring reeds dragen. De overige, wel betwiste gronden behoeven derhalve geen verdere bespreking, aangezien eventuele gegrondverklaring daarvan de bewaring niet onrechtmatig kunnen maken.
Ambtshalve toets
8. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 12 juni 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vb.
2.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.