ECLI:NL:RBDHA:2026:15909

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
12107305 / RL EXPL 26-4507
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:268 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting huurovereenkomst na overlijden bij duurzame gemeenschappelijke huishouding

De zaak betreft een geschil tussen Koninklijke Haagse Woningvereniging van 1854 (KHWV) en [partij B] over voortzetting van een huurovereenkomst na het overlijden van de oorspronkelijke huurder, de moeder van [partij B]. [partij B] vordert voortzetting van de huur op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro, stellende dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding met haar moeder voerde en aan alle wettelijke voorwaarden voldoet.

KHWV betwist de duurzame gemeenschappelijke huishouding en vordert vernietiging van het verstekvonnis en ontruiming van de woning. De kantonrechter beoordeelt de samenhang tussen de vorderingen en concludeert dat [partij B] voldoende feiten heeft gesteld die wijzen op een duurzame gemeenschappelijke huishouding, waaronder gezamenlijke kostenverrekeningen, bijdragen aan huishoudelijke lasten en langdurig samenwonen vanwege medische omstandigheden.

De kantonrechter oordeelt dat de vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst terecht is ingesteld binnen de wettelijke termijn en dat de duurzame gemeenschappelijke huishouding aannemelijk is. De vordering wordt toegewezen en het verstekvonnis bekrachtigd. De tegenvordering tot ontruiming wordt afgewezen omdat [partij B] niet zonder recht of titel in de woning verblijft. KHWV wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Voortzetting van de huurovereenkomst wordt toegewezen en ontruimingsvordering afgewezen wegens duurzame gemeenschappelijke huishouding.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
NvE/c
Zaaknummer: 12107305 \ RL EXPL 26-4507
Vonnis van 30 juni 2026
in de zaak van
KONINKLIJKE HAAGSE WONINGVERENIGING VAN 1854,
te 's-Gravenhage,
eisende partij in verzet,
oorspronkelijk gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: KHWV,
gemachtigde: mr. M.J.E.L. Delissen,
tegen
[partij B],
te 's-Gravenhage,
gedaagde partij in verzet,
oorspronkelijk eisende partij in conventie,
gedaagde partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B],
gemachtigde: mr. J-F. Grégoire.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de oorspronkelijke dagvaarding van 16 oktober 2025 met producties,
- het verstekvonnis van 6 januari 2026 (11989155 RL EXPL 25-22403),
- de verzetdagvaarding van 17 februari 2026 met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie van [partij B],
- de akte overlegging producties van [partij B],
- de mondelinge behandeling van 22 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Vanaf 1 oktober 1990 verhuurde KHWV de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning) aan mevrouw [naam].
2.2.
[partij B] is de dochter van [naam] en woont vanaf 1 oktober 1990 in de woning. [partij B] is op dit moment 42 jaar en lijdt aan diverse medische aandoeningen, zoals autisme, PTSS, OCB en depressie. Zij heeft een Wajong-uitkering.
2.3.
De huur van de woning is vanaf 2016 steeds betaald vanaf de bankrekening van [partij B].
2.4.
[naam] is op 17 april 2025 overleden. Na het overlijden heeft [partij B] een verzoek ingediend om de huurovereenkomst te mogen voortzetten.
2.5.
Het verzoek om voortzetting van de huurovereenkomst is op 1 augustus 2025 afgewezen, omdat er volgens KHWV geen sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Dit is gebaseerd op een vragenlijst die namens [partij B] is ingevuld.

3.Het geschil

de oorspronkelijke vordering in conventie
3.1.
[partij B] vordert bij oorspronkelijke dagvaarding – samengevat – te bepalen dat zij de huur van de woning met ingang van 17 april 2025 voortzet en met veroordeling van KHWV in de (proces)kosten.
3.2.
[partij B] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij voldoet aan de wettelijke voorwaarden om de huurovereenkomst na overlijden van [naam] (haar moeder) te kunnen voortzetten (artikel 7:268 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek). Zij heeft haar hoofdverblijf in de woning en heeft een duurzame en gemeenschappelijk huishouding gevoerd met haar moeder. [partij B] beschikt over voldoende financiële waarborg voor behoorlijke nakoming van de huur en kan over een huisvestingsvergunning beschikken.
de vorderingen in het verzet en in reconventie
3.3.
KHWV vordert – samengevat – het vonnis van 6 januari 2026 te vernietigen en de vordering alsnog af te wijzen. Daarnaast vordert KHWV om – uitvoerbaar bij voorraad – [partij B] te veroordelen tot ontruiming van de woning binnen een maand na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom en met machtiging van de sterke arm, alsmede veroordeling in de (proces)kosten.
3.4.
KHWV voert aan dat [partij B] geen duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd met haar moeder. Dit volgt uit de door [partij B] zelf verstrekte antwoorden naar aanleiding van het verzoek tot voortzetting van de huurovereenkomst. Omdat er geen grond is voor voortzetting van de huurovereenkomst verblijft [partij B] zonder recht of titel in de woning. KHWV vordert daarom de ontruiming van de woning.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze gezamenlijk worden behandeld. Kern van het geschil is of [partij B] in de woning mag blijven wonen, omdat zij voldoet aan de wettelijke voorwaarden om de huurovereenkomst van haar moeder voort te zetten met KHWV. De kantonrechter is van oordeel dat daarvoor voldoende gronden aanwezig zijn en licht dat als volgt toe.
4.2.
[partij B] beroept zich op artikel 7:268 lid 2 BW Pro. Dit artikel biedt de persoon die niet op de huurovereenkomst staat de mogelijkheid om de huurovereenkomst voort te zetten na overlijden van de huurder. Daarvoor moet die persoon wel in de woning wonen en moeten zij voor een lange periode financieel of op andere wijze voor elkaar hebben gezorgd. Als de verhuurder niet instemt dan moet de vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst binnen zes maanden worden ingesteld. Niet in geschil is dat [partij B] haar vordering binnen de wettelijke termijn heeft ingesteld zodat zij kan worden ontvangen in haar vordering
4.3.
In lid 3 van artikel 7:268 BW Pro staan de voorwaarden waaraan [partij B] moet voldoen om de huur te mogen voortzetten. Vast staat dat zij haar hoofdverblijf in de woning heeft, dat zij voldoende waarborg biedt voor de betaling van de huur en in aanmerking komt voor een huisvestingsvergunning. Het geschil gaat alleen over de vraag of [partij B] met haar moeder een
duurzame gemeenschappelijke huishoudingheeft gevoerd.
4.4.
Of van een gemeenschappelijke huishouding sprake is, moet volgens vaste rechtspraak worden beoordeeld door waardering van alle omstandigheden van het geval in hun onderling verband bezien. Van een gemeenschappelijke huishouding zal veelal sprake zijn wanneer woonkosten en/of kosten van levensonderhoud worden gedeeld, huishoudelijke taken gezamenlijk worden uitgevoerd, gezamenlijk huisinrichting of gebruiksvoorwerpen worden aangeschaft en/of de medebewoner de huurder duurzaam verzorgt.
4.5.
[partij B] heeft, anders dan KHWV heeft betoogd, voldoende feiten en omstandigheden gesteld om tot het oordeel te komen dat er sprake was van een gemeenschappelijke huishouding tussen [partij B] en haar moeder. Hoewel er niet een gemeenschappelijke rekening was blijkt uit de overgelegde productie 6 (bankmutaties) voldoende dat tussen [partij B] en haar moeder diverse verrekeningen hebben plaatsgevonden door overboekingen naar elkaar. Daarnaast heeft [partij B] naast de huur zichtbaar bijgedragen aan het betalen van boodschappen, abonnementen zoals KPN en KRO-NCRV en nutsvoorzieningen. De kantonrechter volgt KHWV niet in haar verweer dat deze bijdragen ook alleen voor ieder afzonderlijk kunnen zijn. Niet weersproken is dat [partij B] na haar meerderjarig worden is blijven wonen bij haar moeder omdat zij ondersteuning nodig had in de dagelijkse bezigheden zoals boodschappen doen en koken. Die ondersteuning is volgens [partij B] met de jaren minder geworden, maar dat leidt er nog niet toe dat [partij B] en haar moeder die huishoudelijke taken afzonderlijk zijn gaan uitvoeren. De kantonrechter volgt KHWV niet dat ter onderbouwing van de gemeenschappelijke huishouding correspondentie (Whatsap, e-mails) tussen [partij B] en haar moeder over de boodschappen en de dagelijkse gang van zaken in het huishouden overgelegd had moeten worden. Uit de stukken volgt genoegzaam dat zowel [partij B] als haar moeder veelvuldig thuis verbleven, zodat het niet in de lijn der verwachtingen ligt dat er schriftelijke correspondentie is over de huishoudelijke zaken.
4.6.
Een gemeenschappelijke huishouding is duurzaam indien deze is gericht op het voort blijven bestaan van de gemeenschappelijke huishouding. Volgens vaste rechtspraak is het uitgangspunt dat slechts onder bijzondere omstandigheden het samenleven van een kind en een ouder, na het zelfstandig worden van het kind kan worden aangemerkt als een blijvende samenwoning met een gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in artikel 7:268 lid 2 BW Pro. Ouders en inwonende kinderen hebben in beginsel geen duurzame, maar juist een aflopende gemeenschappelijke huishouding. Het feit dat een kind op volwassen leeftijd (nog) woont bij haar ouders kan, afhankelijk van de overige omstandigheden van het geval, echter wel maken dat hierover iets genuanceerder moet worden gedacht. De stelplicht en bewijslast van de (bijzondere) omstandigheden rusten op [partij B].
4.7.
Vast staat dat [partij B] al 35 jaar in de woning woont. Zij is nu 42 jaar en ten tijde van het overlijden van haar moeder was zij 40 jaar. Na haar meerderjarig worden is zij bewust samen blijven wonen met haar moeder. Waar normaal het samenwonen van een ouder en kind aflopend is, is dat in dit geval vanwege medische omstandigheden niet aan de orde geweest. [partij B] was eerder nog niet in staat om zelfstandig te wonen. Dat heeft zij gedurende de 22 jaar dat zij samen met haar moeder woonde langzaam geleerd. Na het overlijden van haar moeder heeft zij dat noodgedwongen volledig eigen moeten maken. Daarnaast is niet gebleken dat [partij B] ingeschreven staat voor een andere (sociale) huurwoning of dat zij in voorgaande jaren naar andere woningen heeft gezocht. Bovendien heeft haar moeder tijdens het samenwonen al bij KHWV verzocht om [partij B] als medehuurder aan te merken. Dit zijn allemaal indicatoren die in onder onderling verband beschouwd meebrengen dat [partij B] en haar moeder van plan waren samen te blijven wonen in de woning, wat duidt op een duurzame relatie.
4.8.
De slotsom is daarom dat uit de overwegingen 4.5. en 4.7. voldoende is gebleken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding op grond waarvan [partij B] in aanmerking komt voor voortzetting van de huurovereenkomst. Haar vordering zal dan ook worden toegewezen, in die zin dat het verstekvonnis zal worden bekrachtigd. Dit betekent dat de tegenvordering van KHWV zal worden afgewezen, omdat [partij B] niet zonder recht of titel in de woning verblijft.
4.9.
KHWV is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van de verzetprocedure betalen. De proceskosten van [partij B] in reconventie worden op nihil gesteld en die in conventie worden begroot op:
- salaris gemachtigde
217,00
(1 punt × € 217,00)
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
325,50

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
bekrachtigt het verstekvonnis van 6 januari 2026 (11989155 RL EXPL 25-22403),
5.2.
veroordeelt KHWV in de proceskosten van € 325,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als KHWV niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt KHWV tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.5.
wijst de vorderingen van KHWV af,
5.6.
veroordeelt KHWV in de proceskosten begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.F.H. van Eijk en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.