ECLI:NL:RBDHA:2026:15911

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/09/677251
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
  • R.M. de Kort
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:850 BWArt. 159 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis over bewijslevering borgtochtverplichting zoon voor lening vennootschap

Ouders hebben aan de vennootschap en zoon een lening verstrekt van in totaal €200.000, waarvan €158.000 nog niet is terugbetaald. Zij vorderen betaling van dit bedrag, vermeerderd met rente en kosten, en stellen dat zoon zich borg heeft gesteld voor de schuld van de vennootschap. Zoon betwist dit en ontkent dat hij een borgtocht is aangegaan of de overeenkomst heeft ondertekend.

De rechtbank verleent verstek tegen de vennootschap en houdt iedere beslissing ten aanzien van haar aan. Ten aanzien van zoon laat de rechtbank ouders toe bewijs te leveren dat zoon zich persoonlijk heeft verplicht tot nakoming van de schulden van de vennootschap. De rechtbank oordeelt dat de authenticiteit van de handtekening onder de overeenkomst niet doorslaggevend is en dat de zinsnede in de overeenkomst onvoldoende is om persoonlijke aansprakelijkheid van zoon af te leiden.

Ouders mogen getuigen horen om hun stelling te onderbouwen. De rechtbank bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op een nader te bepalen datum en dat partijen tijdig bewijsstukken moeten aanleveren. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat het bewijs is geleverd en de procedure wordt voortgezet.

Uitkomst: De rechtbank staat ouders toe bewijs te leveren dat zoon zich borg heeft gesteld en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Zaaknummer: C/09/677251 / HA ZA 24-1066
Vonnis van 10 juni 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van

1.[eiser],

te [woonplaats 1],
2.
[eiseres],
te [woonplaats 1],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: ouders,
advocaat: mr. M.H. Bressers,
tegen

1.[gedaagden sub 1] B.V.,

te [vestigingsplaats],
niet verschenen,
2.
[gedaagden sub 2],
te [woonplaats 2] ([land]),
advocaat: mr. L.A.C. van Lierop,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: vennootschap en zoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- het tussenvonnis van 4 maart 2026
- het tegen de vennootschap verleende verstek.
1.2.
Op 12 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij waren partijen vertegenwoordigd, bijgestaan door de advocaten. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is besproken.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Zoon is bestuurder en enig aandeelhouder van de vennootschap. Ouders hebben geld geleend aan de vennootschap.
2.2.
Ouders hebben in januari en februari 2017 verschillende betalingen verricht voor in totaal € 45.000. Ouders hebben in maart 2019 verschillende betalingen verricht voor in totaal € 155.000. De vennootschap heeft in totaal € 42.000 aan ouders terugbetaald.

3.Het geschil

3.1.
Ouders vorderen voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – samengevat – hoofdelijke veroordeling van de vennootschap en zoon tot betaling van € 158.000, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
Ouders leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. Partijen zijn overeengekomen dat de vennootschap € 200.000 terugbetaalt aan ouders, waarvan
€ 158.000 nog niet is betaald. Zoon heeft zich borg gesteld voor de betalingsverplichting van de vennootschap aan ouders.
3.3.
Zoon voert verweer. Zoon concludeert tot niet-ontvankelijkheid van ouders, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van ouders, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van ouders in de kosten van deze procedure.
3.4.
Zoon voert het volgende aan. Hij is geen borgtocht aangegaan en de handtekening onder de overeenkomst waarop ouders zich beroepen is niet van hem.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tegen de vennootschap is verstek verleend. De rechtbank houdt iedere beslissing ten aanzien van de vennootschap aan.
4.2.
De rechtbank laat ouders toe tot het leveren van bewijs dat zoon zich heeft verplicht tot nakoming van de schulden van de vennootschap tegenover ouders. De rechtbank licht dit als volgt toe.
Ouders hebben voldoende gesteld en zoon heeft gemotiveerd betwist
4.3.
Volgens ouders heeft zoon zich borg gesteld. Van een borgtocht is sprake als zoon zich tegenover ouders heeft verplicht tot nakoming van een schuld die de vennootschap tegenover ouders heeft of zal krijgen (artikel 7:850 van Pro het Burgerlijk Wetboek).
4.4.
Ouders hebben ter onderbouwing van de borgtocht aangevoerd dat partijen voorafgaand aan de betaling door ouders van € 155.000 erover hebben gesproken dat zoon persoonlijk aansprakelijk zou zijn voor de schuld van de vennootschap tegenover ouders. Volgens ouders wisten partijen destijds dat de vennootschap niet genoeg geld had om de lening terug te betalen. Het was voor ouders belangrijk om zekerheid te hebben dat de lening zou worden terugbetaald omdat zij vastgoed hadden moeten verkopen om de lening aan de vennootschap te kunnen verstrekken. Daarom hebben zij met zoon afgesproken dat hij persoonlijk verplicht was om de schuld van de vennootschap aan ouders na te komen. Volgens ouders volgt deze afspraak ook uit een schriftelijke overeenkomst die partijen met elkaar hebben gesloten op 25 maart 2019 omdat in die overeenkomst de zinsnede
“als aansprakelijke in Prive”staat. De borgtocht zou bovendien blijken uit een betaling van
€ 20.000 die zoon op 28 december 2021 vanaf zijn privérekening aan ouders heeft verricht.
4.5.
Zoon ontkent dat partijen met elkaar hebben gesproken over zijn persoonlijke aansprakelijkheid. De gesprekken tussen partijen gingen volgens hem alleen over een betalingsverplichting van de vennootschap. De vennootschap had wel degelijk geld om de lening af te lossen: met de lening kon namelijk de zakenpartner van zoon worden uitgekocht; die zakenpartner ontving voorheen een maandelijkse vergoeding van € 2.000; dat geld kwam beschikbaar om maandelijks af te lossen op de lening. Bovendien is de overeenkomst waarop ouders zich beroepen niet door zoon getekend en te onduidelijk om persoonlijke aansprakelijkheid uit af te leiden. Zoon betwist daarnaast dat de overboeking van € 20.000 die hij op 28 december 2021 heeft gedaan vanaf zijn privérekening zag op terugbetaling van de lening van de vennootschap.
4.6.
Ouders hebben voldoende gesteld dat sprake was van een betalingsverplichting van zoon uit hoofde van een borgtocht en zoon heeft het bestaan van die verplichting gemotiveerd betwist. Het debat tussen partijen is in balans. De rechtbank draagt daarom ouders – als degenen die de bewijslast hebben – op tot bewijs dat zoon zich heeft verplicht tot nakoming van de schulden van de vennootschap tegenover ouders.
4.7.
De rechtbank maakt daarbij onderscheid tussen de verplichting tot nakoming van de schulden van € 45.000 en van € 155.000. Ouders hebben deze bedragen op verschillende momenten (met een tussenpoos van twee jaar) aan de vennootschap geleend. De rechtbank houdt rekening met de mogelijkheid dat voor de leningen verschillende afspraken gelden, waarbij zoon zich voor de ene lening wel en voor de andere lening niet persoonlijk tot nakoming heeft verplicht.
Authenticiteit handtekening niet doorslaggevend voor beslissing
4.8.
Tussen partijen bestaat discussie over de bewijskracht van de overeenkomst waarop ouders zich beroepen. Zoon ontkent dat hij de betreffende overeenkomst heeft ondertekend, waardoor aan de overeenkomst geen bewijskracht toekomt zo lang niet is bewezen wie de overeenkomst heeft ondertekend (artikel 159 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Partijen hebben de rechtbank verzocht een deskundige te benoemen die de authenticiteit van de handtekening onder de overeenkomst kan vaststellen. De rechtbank zal op dit moment geen deskundige benoemen omdat de authenticiteit van de handtekening niet doorslaggevend is voor een beslissing in deze zaak. Daarover het volgende.
4.9.
Volgens ouders blijkt uit de volgende passage uit de overeenkomst dat zoon zich als borg heeft verbonden:
“De vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, handelend onder de naam; [gedaagden sub 1] BV, gevestigd te [vestigingsplaats] [adres], ten deze vertegenwoordigd door [gedaagden sub 2], ten deze handelend als alleen bevoegd directeur en als aansprakelijke in Prive.”
4.10.
Het betreft een zinsnede uit de partijomschrijving in de overeenkomst. De rechtbank oordeelt dat zoon niet enkel op basis van die omschrijving hoefde te begrijpen dat hij persoonlijk verplicht was om de lening aan ouders terug te betalen als de vennootschap haar verplichtingen niet zou nakomen. Daarvoor is mede van belang dat de overeenkomst verder geen enkele bepaling wijdt aan de voorwaarden voor persoonlijke aansprakelijkheid van zoon en dat de overeenkomst alleen een handtekening bevat namens de vennootschap en niet (ook) namens de zoon zelf.
4.11.
Al zou de authenticiteit van de handtekening onder de overeenkomst vast komen te staan, dan leidt dit op zichzelf niet tot toewijzing van de vordering tegen zoon. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig waaruit blijkt dat partijen hebben bedoeld dat zoon zich borg stelde.
4.12.
Het voorgaande neemt niet weg dat het partijen vrijstaat om zelf een deskundige in te schakelen om (op basis van de originele stukken) een beoordeling te maken van de authenticiteit van de handtekening en deze beoordeling bij wijze van aanvullend schriftelijk (bewijs)stuk in het geding te brengen.
Bewijslevering door het horen van getuigen; verder verloop van de procedure
4.13.
Ouders hebben ter zitting aangegeven dat zij door het (laten) horen van getuigen kunnen bewijzen dat zoon zich heeft verplicht tot nakoming van de schulden van de vennootschap tegenover ouders. De rechtbank zal ouders toelaten tot het leveren van dat bewijs.
4.14.
Partijen moeten er rekening mee houden dat de rechtbank aansluitend aan het getuigenverhoor een mondelinge behandeling kan houden om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun standpunten nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen.
4.15.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
draagt ouders op te bewijzen:
-dat zoon zich verplicht heeft tot nakoming van de schulden van de vennootschap tegenover ouders van € 45.000;
-dat zoon zich verplicht heeft tot nakoming van de schulden van de vennootschap tegenover ouders van € 155.000,
5.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 8 juli 2026voor het opgeven door ouders van de getuigen en hun verhinderdagen, alsmede de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden
augustustot en met
november 2026, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.3.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. R.M. de Kort, in het paleis van justitie te Den Haag, Prins Clauslaan 60,
5.4.
bepaalt dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
5.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. de Kort en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.