Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende vreemdeling, werd op 26 mei 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. De maatregel werd genomen vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en een significant risico op onderduiken.
Eiser voerde aan dat onduidelijkheid bestond over de verantwoordelijke lidstaat voor zijn asielaanvraag, verwijzend naar tegenstrijdige informatie in het overdrachtsbesluit en een vertrekgesprek. De rechtbank stelde vast dat eiser de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden niet betwistte en dat deze gronden feitelijk juist en voldoende waren toegelicht.
Verder bleek uit het dossier dat eiser op 20 mei 2026 reeds was overgedragen aan Duitsland en na terugkeer naar Nederland een verzoek tot terugname was gedaan en geaccepteerd. Er was geen bewijs van onduidelijkheid over de verantwoordelijke lidstaat. De rechtbank oordeelde dat verweerder voortvarend had gehandeld en dat de maatregel niet onrechtmatig was.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.