ECLI:NL:RBDHA:2026:15970

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 juni 2026
Zaaknummer
C/09/686616 / FA RK 25-4318
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:253n BWArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning eenhoofdig gezag en vaststelling kinderalimentatie na echtscheiding

De rechtbank heeft op verzoek van de moeder besloten om het gezamenlijk gezag over de minderjarige te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te kennen. Dit vanwege communicatieproblemen tussen de ouders waarbij de minderjarige als doorgeefluik fungeert en het feit dat de vader sinds zijn vertrek naar het buitenland geen fysiek contact meer heeft gehad met het kind.

Daarnaast heeft de rechtbank de kinderalimentatie vastgesteld op €508 per maand, ingaande 6 juni 2025. De berekening is gebaseerd op het netto besteedbaar inkomen van beide ouders in 2025, waarbij rekening is gehouden met het kindgebonden budget en een zorgkorting van 5% vanwege het omgangsrecht van de vader.

De omgangs- en zorgregelingen zijn door beide partijen ingetrokken, en de rechtbank benadrukt dat het contact tussen vader en kind losstaat van de gezagsregeling. De rechtbank spreekt de hoop uit dat er spoedig weer structureel fysiek contact zal plaatsvinden, in het belang van het kind.

Uitkomst: De moeder krijgt het eenhoofdig gezag en de vader moet €508 per maand kinderalimentatie betalen vanaf 6 juni 2025.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-4318
Zaaknummer: C/09/686616
Datum beschikking: 13 mei 2026

Gezag en alimentatie

Beschikking op het op 6 juni 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
advocaat: mr. S. Kara te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
  • het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
  • het F9-formulier van de moeder van 26 maart 2026, met bijlage, inhoudende het aanvullende verzoekschrift;
  • het F9-formulier van de vader van 13 april 2026, met bijlagen.
De minderjarige [de minderjarige] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 15 april 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk;
  • de advocaat van de vader met een stagiaire;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de moeder strekt er, na wijziging en aanvulling, toe:
  • te bepalen dat de moeder belast zal worden met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [de minderjarige] ;
  • een omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat:
- de vader wekelijks van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur omgang met [de minderjarige] zal hebben;
- de schoolvakanties bij helfte worden verdeeld en de feestdagen jaarlijks worden afgewisseld;
althans een zodanige omgangsregeling vast te stellen als de rechtbank juist acht;
  • te bepalen dat de vader medewerking dient te verlenen aan de nakoming van de in deze vast te stellen omgangsregeling, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat de vader zijn medewerking niet verleent, tot een maximum van € 10.000,-;
  • met ingang van zodanige datum als de rechtbank juist acht de kinderalimentatie op € 730,- per maand te bepalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt:
- een zorgregeling vast te stellen tussen [de minderjarige] en de vader conform het voorstel van de vader zoals beschreven in randnummer 16 van het verweerschrift, inhoudende dat:
- [de minderjarige] iedere week van zaterdag na het werk van de vader tot zondag 17.00 uur bij de vader verblijft;
- de feestdagen en vakantie bij helfte tussen partijen zal worden verdeeld;
dan wel een dusdanige zorgregeling vast te stellen die de rechtbank in het belang van [de minderjarige] acht;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd geweest van 19 maart 2006 tot 16 maart 2017.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 7 juli 2016 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Hierbij is geen door de vader te betalen kinderalimentatie vastgesteld.
  • Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .
  • [de minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
  • Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.

Beoordeling

Omgangs-/zorgregeling en dwangsom
Ter zitting heeft de moeder haar verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling en het opleggen van een dwangsom in het geval dat de vader deze omgangsregeling niet nakomt ingetrokken. De vader heeft ter zitting zijn zelfstandig verzoek tot het vaststellen van een zorgregeling ingetrokken.
Gezag
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag dat na ontbinding van het huwelijk door echtscheiding in stand is gebleven worden beëindigd, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Zoals blijkt uit artikel 1:253n, tweede lid, BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste lid, BW, van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan derhalve worden beëindigd, indien: (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder heeft verzocht om haar met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] te belasten. Volgens de moeder blokkeert de vader het nemen van gezagsbeslissingen. Hierdoor is de moeder telkens genoodzaakt om een procedure aanhangig te maken om vervangende toestemming te verkrijgen. Bovendien misbruikt de vader het gezamenlijk gezag om [de minderjarige] uit te horen over het leven van de moeder. Daarnaast is de vader niet betrokken in het leven van [de minderjarige] en doet hij geen moeite om hem regelmatig te zien. Hij heeft geen idee wat er zich in het leven van [de minderjarige] afspeelt. Hierdoor is hij niet in staat om gezagsbeslissingen over [de minderjarige] te nemen.
De vader voert verweer. Hij betwist dat hij het nemen van gezagsbeslissingen tegenwerkt. Er is slechts één procedure over vervangende toestemming voor een vakantie geweest. Daarvoor had de vader geen toestemming gegeven, omdat hij geen informatie had over de bestemming van de vakantie. Ook betwist de vader dat hij [de minderjarige] uithoort over het leven van de moeder. Zij wil zelf geen rechtstreeks contact met de vader, zodat hij de benodigde informatie, bijvoorbeeld over een vakantie, alleen via [de minderjarige] kan vragen. Gelet op de nieuwe baan van de vader in [land] is het niet mogelijk om een vaste zorg-/omgangsregeling met [de minderjarige] te hanteren, maar dat betekent niet dat hij niet betrokken is in zijn leven. De vader is te allen tijde bereikbaar voor de moeder en [de minderjarige] .
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt van de wetgever is. Voor gezamenlijk gezag is echter vereist dat de ouders in de praktijk ook in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen.
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank gebleken dat de ouders uitsluitend via [de minderjarige] communiceren. Of dit nu een vakantie, de zorgregeling of een ander onderwerp betreft, [de minderjarige] staat tussen zijn ouders en is hun doorgeefluik voor informatie. [de minderjarige] heeft tijdens zijn gesprek met de kinderrechter aangegeven dat hij daar veel last van heeft. De rechtbank acht het zorgelijk dat hij door beide ouders wordt ingezet om met de andere ouder te communiceren. Het is tekenend dat [de minderjarige] in het gesprek met de kinderrechter zelf eigenlijk heeft aangegeven dat hij klem en verloren raakt tussen zijn ouders. Mede gelet op de afwezigheid van de vader op de zitting heeft de rechtbank niet de verwachting dat de situatie tussen de ouders en voor [de minderjarige] binnen afzienbare tijd zal verbeteren. Daar komt nog bij dat de vader inmiddels naar [land] is vertrokken en al maanden geen fysiek contact heeft gehad met [de minderjarige] . Hij kan op dit moment ook geen omgangsregeling nakomen. Het gebrek aan contact met [de minderjarige] maakt dat de rechtbank niet anders kan dan concluderen dan dat de vader momenteel geen idee heeft hoe het leven van [de minderjarige] eruitziet en hij dus ook geen weloverwogen gezagsbeslissingen in het belang van [de minderjarige] kan nemen.
Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat het in het belang van [de minderjarige] is dat de moeder wordt belast met het eenhoofdig gezag, zodat zij verzoek van de moeder hiertoe zal toewijzen.
De rechtbank benadrukt dat het contact tussen de vader en [de minderjarige] los staat van de gezagssituatie. Ondanks dat de moeder wordt belast met het eenhoofdig gezag, spreekt de rechtbank de hoop uit dat er binnenkort weer (structureel) fysiek contact tussen de vader en [de minderjarige] zal plaatsvinden. [de minderjarige] heeft heel duidelijk aangegeven dat hij dat heel graag wil. Het is aan de vader om daar in het belang van zijn zoon ook iets mee te doen.
Alimentatie
Ontvankelijkheid
De vader stelt dat de moeder niet heeft voldaan aan haar stelplicht, omdat zij onvoldoende financiële gegevens heeft overgelegd. De rechtbank constateert dat beide partijen beperkt inzage hebben gegeven in hun financiële situatie. Zo is nagelaten stellingen te onderbouwen en voldoende actuele gegevens te overleggen. Gelet op het belang van [de minderjarige] bij een onderhoudsbijdrage, ziet de rechtbank toch aanleiding om een berekening te maken aan de hand van de gegevens die wél zijn overgelegd. Daarbij speelt mee dat de vaststelling van kinderalimentatie op grond van vaste jurisprudentie van openbare orde is.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW Pro een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 6 juni 2025, omdat de vader vanaf dit moment rekening kon houden met een onderhoudsbijdrage.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [de minderjarige] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk of samenleving worden bepaald.
De vader stelt dat partijen weliswaar in 2016 zijn gescheiden, maar dat zij pas in 2025 feitelijk uiteen zijn gegaan. Met de moeder is de rechtbank van oordeel dat het jaar waarin de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken als uitgangspunt zou moeten dienen voor het jaar van uiteengaan van partijen. De moeder heeft echter nagelaten voldoende gegevens te overleggen om een berekening te maken van het NBI van partijen in 2016. Aangezien er van beide zijdes wel voldoende gegevens zijn om het NBI van ieder der partijen in 2025 te berekenen, zal de rechtbank hiervan uitgaan.
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de moeder, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen uit arbeid van € 8.452,- bruto per jaar exclusief vakantiegeld en een inkomen uit haar bijstandsuitkerin
gvan € 13.490,- bruto per jaar. De rechtbank gaat hierbij uit van de door de moeder overgelegde aangifte inkomstenbelasting over 2024.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 1.828,- per maand.
Partijen zijn het ook niet eens over het NBI van de vader, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 51.090,- bruto per jaar, te vermeerderen met 8% vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van het gemiddelde van de door de vader overgelegde salarisspecificaties van week 27 en 28 in het jaar 2025.
De rechtbank houdt verder rekening met de volgende (gemiddeld) ingehouden premies:
  • de PAWW-bijdrage van € 52,- per jaar;
  • de AZV-premie van € 260,- per jaar;
  • de Pensioen StiPP Plus-premie van € 1.222,- per jaar;
  • de WGA-premie van € 78,- per jaar.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 3.395,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2025 dus € 5.223,- per maand (€ 1.828,-
+€ 3.395,-). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 120,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 725,- per maand voor [de minderjarige] .
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht moeder
De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de vader dat met een fictieve verdiencapaciteit van de moeder moet worden gerekend, aangezien hij dit onvoldoende heeft onderbouwd.
Voor de bepaling van de draagkracht van de moeder, wordt het NBI van de moeder daarom op dezelfde wijze berekend als bij de behoefte, zodat de rechtbank uitgaat van een NBI van € 1.828,- per maand.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 2.379,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,- gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [ € 2.379,- – (€ 714,- + € 1.310,-)] = € 248,- per maand.
Draagkracht vader
Voor de bepaling van de draagkracht van de vader, wordt het NBI van de vader op dezelfde wijze berekend als bij de behoefte, zodat de rechtbank uitgaat van een NBI van € 3.395,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vader ook hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [€ 3.395,- – (€ 1.018,- + € 1.310,-)] = € 747,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 995,- per maand (€ 248,- + € 747,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 747 / 995 x 725 = € 544,-
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 248 / 995 x 725 =
€ 181,-
samen € 725,-
Van de totale behoefte van [de minderjarige] komt een gedeelte van € 544,- per maand voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 181,- per maand komt voor rekening van de moeder.
Zorgkorting
Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. De rechtbank is van oordeel dat een zorgkortingspercentage van 5% redelijk is, conform de aanbevelingen van het Alimentatienormenrapport, omdat de vader het recht en de verplichting heeft tot omgang met [de minderjarige] . De zorgkorting bedraagt dan € 36,- per maand ((5% van €725,-).
De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de vader te betalen bijdrage bedraagt dan € 508,- per maand (€ 544,- -/- € 36,-).
Conclusie
De rechtbank zal de door de vader te betalen kinderalimentatie met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift op € 508,- bepalen en het verzoek van de moeder ten aanzien van de kinderalimentatie voor het overige afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder het gezag zal toekomen over de minderjarige:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] ;
bepaalt de door de vader met ingang van 6 juni 2025 te betalen alimentatie voor [de minderjarige] op € 508,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen;
verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 13 mei 2026.