ECLI:NL:RBDHA:2026:16015

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 juni 2026
Zaaknummer
C/09/704354 / FA RK 26-4330
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WzdArt. 3.2.3 Wet langdurige zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechterlijke machtiging tot opname en verblijf wegens dementie met nader onderzoek thuissituatie

De rechtbank Den Haag behandelde op 13 mei 2026 het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf van een cliënt met dementie. De cliënt verblijft momenteel in een zorgaccommodatie en wordt bijgestaan door een advocaat. De specialist ouderengeneeskunde, verzorgende en echtgenote waren gehoord. De advocaat van de cliënt betwistte de noodzaak van opname en stelde dat de thuissituatie en mogelijkheden voor thuiszorg nader onderzocht moeten worden.

De specialist ouderengeneeskunde bevestigde de diagnose dementie uit 2020 en het ontbreken van ziekte-inzicht bij de cliënt. De cliënt heeft 24-uurs zorg nodig en ervaart de opname als warm, maar blijft verbaal verzet tonen. De echtgenote gaf aan de zorg thuis als zwaar te ervaren en ziet opname als noodzakelijk, hoewel aanvankelijk werd gedacht aan een korte opname. De verzorgende meldde dat de cliënt het thuisfront mist en aanvankelijk zorg weigerde, maar nu hulp accepteert.

De rechtbank oordeelde dat er sprake is van een psychogeriatrische aandoening met ernstig nadeel, maar dat onvoldoende is vastgesteld of opname noodzakelijk en geschikt is, omdat informatie over de thuissituatie en thuiszorg ontbreekt. Daarom werd de machtiging verleend voor zes weken en het verzoek verder aangehouden. De rechtbank verzocht de dochter van de cliënt en zorgverleners om aanvullende informatie te verstrekken over de thuissituatie en zorgmogelijkheden.

De beschikking is uitgesproken door rechter J.C. van den Dries en griffier I. de Vroom op 13 mei 2026 en schriftelijk vastgesteld op 3 juni 2026. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: De rechtbank verleent een voorlopige machtiging tot opname en verblijf voor zes weken en houdt het verzoek verder aan voor nader onderzoek naar thuissituatie en zorgmogelijkheden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/704354 / FA RK 26-4330
Datum beschikking: 13 mei 2026

Rechterlijke machtiging tot opname en verblijf

Tussenbeschikkingnaar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging voor de duur van zes maanden als bedoeld in artikel 24 van Pro de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:
[cliënt],
hierna te noemen: cliënt,
geboren op [geboortedatum] 1939 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in de accommodatie [accommodatie] , [plaats] ,
advocaat: mr. R. Shahbazi te Den Haag.

Procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 29 april 2026.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 21 april 2023;
- een aanvraag voor een rechterlijke machtiging aan het CIZ van 3 april 2026;
- een op 8 april 2026 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige arts, [naam 1] , die cliënt met het oog op de machtiging kort tevoren heeft onderzocht, maar niet bij zijn behandeling betrokken was;
- een zorgplan van 25 april 2026.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 13 mei 2026. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
- cliënt, bijgestaan door zijn advocaat;
- de specialist ouderengeneeskunde, [naam 2] ;
- de verzorgende en eerste contactpersoon, [naam 3] ;
- de echtgenote.

Standpunten ter zitting

Door en namens cliënt is ter zitting verzocht om het verzoek af te wijzen. De advocaat brengt naar voren dat er tijdens de zitting van 11 maart 2026 een waarnemend arts aanwezig was. Het is toen niet duidelijk geworden hoe het er in de thuissituatie aan toe ging. Ook de mogelijkheden voor zorg thuis moeten nader onderzocht worden. Ter zitting wordt nu aangegeven dat cliënt 24-uurs zorg nodig heeft en dat de echtgenote de zorg niet meer aan zou kunnen maar dat wordt door de advocaat betwist. Aanvankelijk heeft de echtgenote ingestemd met een opname maar dat kwam omdat zij in de veronderstelling was dat cliënt kort opgenomen zou zijn en dat hij daarna weer terug zou keren naar huis. Doorgaans ging het thuis namelijk nog prima. Ook heeft de advocaat van de echtgenote begrepen dat de thuiszorg wel degelijk werd toegelaten maar dat de thuiszorg niet meer deed dan een beetje afstoffen. Derhalve is er ruimte voor opschaling van de thuiszorg. De advocaat benadrukt dat er uitgezocht moet worden of cliënt nog terug kan keren naar huis en op welke wijze dat haalbaar zou zijn. Dit is namelijk een uitdrukkelijke wens van zowel cliënt als zijn echtgenote. De advocaat heeft geen contact gehad met de dochter van cliënt.
Door de specialist ouderengeneeskunde is naar voren gebracht dat er in 2020 dementie bij cliënt is vastgesteld. Cliënt heeft een verplegende omgeving nodig zodat het thuisfront ontlast wordt aangezien cliënt thuis zorg weigerde. De afgelopen weken in het verpleeghuis is het goed gegaan en is alles rustig verlopen. Cliënt ervaart de zorg als ‘warm’ en ‘goed’ maar desondanks blijft het verbale verzet aanwezig. Het ziekte-inzicht is onvoldoende aanwezig en cliënt snapt niet waarom hij niet terug kan naar huis.
De dochter heeft aangegeven dat het thuis niet meer goed ging en dat cliënt niet meer naar huis kan terugkeren omdat anders dezelfde situatie ontstaat als waar het mis ging. Er is intussen geen verandering opgetreden waaruit blijkt dat de terugkeer naar huis nu wel zou kunnen. Ook heeft de echtgenote aangegeven dat zij de zorg thuis als ‘zwaar’ heeft ervaren en dat zij het niet ziet zitten dat cliënt weer thuiskomt. Echtgenote is erg emotioneel en zij moet wennen aan het feit dat zij haar echtgenote nu moet komen opzoeken in het verpleeghuis. De specialist ouderengeneeskunde brengt naar voren dat er ook een casemanager dementie betrokken was, maar dat zij daar geen informatie van heeft gekregen.
Door de verzorgende is naar voren gebracht dat cliënt het vreselijk vindt dat hij gescheiden van zijn echtgenote en dochter leeft en dat hij de thuissituatie erg mist. Aanvankelijk weigerde cliënt veel zorg maar inmiddels herkent hij de meeste verzorgenden en laat hij hulp toe. Hij wordt geholpen bij het douchen en wassen maar hij kan ook nog veel zelf. Cliënt verblijft veel op zijn kamer aangezien hij er niet van houdt om in een grote groep te zitten. Cliënt wil heel graag terug naar huis, echter heeft hij 24-uurs zorg nodig. Hij neemt zelf geen initiatief tot het vragen naar voeding of drank dus dit wordt voor hem verzorgd. Soms is er sprake van nachtelijke onrust waarbij hij eenmaal heeft aangegeven dat hij van het balkon wilde springen. Ook gooit hij soms zijn eten over het balkon dat later in de tuin wordt teruggevonden.
Door de echtgenote wordt desgevraagd bevestigd dat zij de 24-uurs zorg thuis niet meer aankon. Tegelijkertijd geeft de echtgenote aan dat voordat cliënt werd opgenomen, het thuis allemaal nog goed ging. Cliënt keek de hele dag televisie net zoals hij dat hier doet. De echtgenote kon de deur nog uit om bijvoorbeeld boodschappen te gaan doen. Zij had wel eens woorden met cliënt, maar dat hadden zij vroeger ook. De thuiszorg kwam om af te stoffen en te stofzuigen. Dit was eigenlijk huishoudelijke hulp. Cliënt werd iedere week door zijn dochter gewassen en de echtgenote gaf hem dagelijks medicatie. De laatste dagen moet de echtgenote toenemend huilen omdat zij haar echtgenote mist. Zij weet zeker dat als cliënt in het verpleeghuis moet blijven, hij dan zelfmoord pleegt.

Beoordeling

Gelet op de inhoud van de medische verklaring en het zorgplan, is het voldoende aannemelijk dat er sprake is van een psychogeriatrische aandoening, te weten een dementieel syndroom waaruit ernstig nadeel voortvloeit.
De rechtbank kan op dit moment echter niet vaststellen of de opname en het verblijf in de accommodatie noodzakelijk en geschikt zijn om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden nu nog niet is uitgezocht of er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om het ernstig nadeel in de thuissituatie te voorkomen dan wel af te wenden. Het is moeilijk in te schatten of de thuissituatie onhoudbaar is geworden. De informatie van de case manager dementie en de thuiszorg ontbreken, evenals informatie over de thuissituatie van anderen dan het echtpaar.
De rechtbank ziet daarom aanleiding om de rechterlijke machtiging toe te wijzen voor de duur van zes weken en het verzoek voor het overige aan te houden tot een nader te bepalen datum.
De rechtbank verzoekt de dochter van cliënt om tijdens de volgende zitting aanwezig te zijn en een toelichting te geven op hoe de thuissituatie voor de opname is verlopen.
De rechtbank verzoekt de specialist ouderengeneeskunde en de verzorgende om informatie in te winnen bij de casemanager dementie en, zo nodig, de thuiszorg organisatie, zodat op de volgende zitting voldoende feitelijke informatie uit meerdere bronnen voorhanden is over de vraag of terugkeer naar thuis nog mogelijk is dan wel een gepasseerd station.

Beslissing

De rechtbank:
verleent een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie ten aanzien van:
[cliënt],
geboren op [geboortedatum] 1939 te [geboorteplaats] ,
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met
24 juni 2026en houdt het verzoek voor het overige aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. van den Dries, rechter, bijgestaan door I. de Vroom als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 13 mei 2026.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 3 juni 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.