ECLI:NL:RBDHA:2026:16023

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
14 juni 2026
Zaaknummer
NL25.58916
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 30b Vw 2000Art. 31 Vw 2000Art. 3 EVRMArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid biseksualiteit en identiteitsproblemen

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, vroeg asiel aan in Nederland op grond van zijn biseksualiteit en de daaruit voortvloeiende vervolgingsvrees in Marokko. Hij stelde dat hij in Marokko was gedetineerd vanwege seksuele handelingen met een man en vreest terugkeer vanwege maatschappelijke afkeuring.

De minister wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van zowel de identiteit als de biseksualiteit van eiser. De minister vond dat eiser onvoldoende concrete en samenhangende verklaringen gaf over zijn seksuele gerichtheid, detentie en persoonlijke omstandigheden. Ook het late indienen van de asielaanvraag na jaren illegaal verblijf speelde een rol.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de geloofwaardigheid in twijfel trok, dat de werkinstructie inzake LHBTI-zaken correct was gevolgd en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij recht had op bescherming. Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag bleef in stand.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid en late indiening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58916
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], van Marokkaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. E. Stap),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. F. in den Bosch).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 24 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. [2] Daarbij heeft de minister het eerder opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod gehandhaafd.
2.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2
De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. C.M.E. Schreinemacher als waarnemer van de gemachtigde van eiser, S. Al-Matari als tolk in de Marokkaans Arabische taal en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij werd rond zijn 15e bewust van zijn biseksuele gevoelens. Eiser heeft in Marokko seksuele relaties gehad met mannen, maar moest zijn gevoelens voor mannen geheim houden. Eiser is in Marokko gearresteerd en heeft een jaar in detentie gezeten omdat hij seksuele handelingen zou hebben verricht met een man. Bij terugkeer naar Marokko vreest eiser voor hoe de samenleving naar hem zal kijken en hoe ze over hem zullen spreken vanwege zijn seksuele geaardheid.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen vanwege zijn seksuele gerichtheid.
4.1
De minister volgt eiser in zijn nationaliteit en herkomst, maar acht zijn identiteit niet geloofwaardig. De minister volgt niet dat eiser geen identificerende documenten heeft kunnen aanleveren. Daarbij overweegt de minister dat eiser sinds 2018 illegaal in Nederland is. Niet wordt ingezien waarom eiser niet eerder bijvoorbeeld een paspoort of rijbewijs heeft laten opsturen naar Nederland. Hij heeft daarvoor geen goede verklaring. Van de door eiser overgelegde kopieën kan de echtheid niet worden geverifieerd.
4.2
Eisers problemen vanwege zijn seksuele gerichtheid acht de minister ook niet geloofwaardig. Naast dat de minister aan eiser tegenwerpt dat hij niet zo spoedig mogelijk zijn aanvraag heeft ingediend en daar geen goede verklaring voor heeft, vindt de minister ook dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser heeft onder meer vaag, summier en oppervlakkig verklaard over hoe zijn gevoelens voor jongens zijn begonnen en hoe hij daarmee omging. Daarnaast heeft eiser vaag verklaard over wie van zijn seksuele gerichtheid afweet in Marokko en over de aanleiding van zijn detentie. Verder heeft eiser vaag en oppervlakkig verklaard over hoe hij zijn seksuele gerichtheid accepteerde en de wijze waarop hij zich uitte of zou willen uiten in Marokko. Tot slot heeft eiser vaag en summier verklaard over de LHBTI-situatie in Nederland.
4.3
Op basis van het deels geloofwaardig geachte element vindt de minister niet dat eiser een gegrond vrees voor vervolging heeft. De minister ziet ook geen reden om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag kan worden afgewezen als kennelijk ongegrond.
Beoordeling rechtbank
Zienswijze
5. Eiser verzoekt de rechtbank allereerst om al hetgeen in de zienswijze is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de enkele verwijzing naar zijn zienswijze onvoldoende uiteengezet op welke punten het bestreden besluit volgens hem onjuist of onvolledig is en waarom. Op de zitting heeft de gemachtigde dit ook niet nader kunnen toelichten. Dit kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Identiteit
6. De rechtbank overweegt vervolgens dat de minister de identiteit van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eiser geen identificerende documenten heeft overgelegd ter staving van zijn gestelde identiteit. Eiser stelt dat hij niet eerder een paspoort kon aanvragen in Nederland, omdat hij daarvoor niet alle documenten had en niet ingeschreven stond op een adres, maar eiser verblijft sinds 2018 illegaal in Nederland. Niet wordt ingezien waarom eiser niet eerder heeft geprobeerd om aan identificerende documenten te komen. Ook is het de rechtbank niet duidelijk geworden dat het voor hem onmogelijk is om aan identificerende documenten te komen. Ten aanzien van eisers betoog in beroep dat hij niet eerder een paspoort nodig heeft gehad, wees de minister op de zitting terecht op de wisselende verklaring, aangezien eiser tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard dat hij in 2019/2020 geprobeerd heeft om een paspoort aan te vragen bij het consulaat. [3] De beroepsgrond slaagt niet.
Problemen vanwege zijn seksuele gerichtheid
7.1.
Eisers stelling dat de minister met het bestreden besluit niet heeft gehandeld in overeenstemming met de eigen werkinstructie WI 2019/17 [4] , volgt de rechtbank niet. In de werkinstructie staat dat in elke zaak waarin een LHBTI-motief speelt, een LHBTI-coördinator geraadpleegd moet worden voordat een besluit genomen wordt. Uit de toelichting van de minister op de zitting volgt dat de in de werkinstructie opgenomen procedure is gevolgd. Anders dan eiser heeft aangevoerd, is dan ook geen sprake van een zorgvuldigheidsgebrek. Uit de werkinstructie volgt namelijk niet de verplichting om in het besluit kenbaar op te nemen dat een LHBTI-coördinator is geraadpleegd.
7.2.
De rechtbank is vervolgens van oordeel dat in het beroepschrift onvoldoende concreet staat op welke punten het bestreden besluit niet in overeenstemming is met de werkinstructie. Voor zover eiser meent dat de minister in het algemeen onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers referentiekader of vermogen om over zijn ervaringen en gevoelens in Marokko en Nederland te verklaren, volgt uit het bestreden besluit dat voldoende rekening is gehouden met eisers referentiekader. Uit de werkinstructie volgt inderdaad dat het niet mogelijk is voor een vreemdeling om met sluitend bewijs aannemelijk te maken dat hij LHBTI-er is. De minister moet daarom aan de hand van verklaringen van de vreemdeling in kwestie de geloofwaardigheid van diens homoseksualiteit beoordelen. Dat heeft de minister in eisers geval gedaan. De minister mag hierbij van een vreemdeling – en dus ook van eiser – in ieder geval verwachten dat zijn verklaringen consistent en voldoende concreet zijn, voordat hij deze verklaringen geloofwaardig kan achten.
8.1.
Ten aanzien van de geloofwaardigheid heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers gestelde biseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn. Dat eiser nooit heeft samengewoond, nooit met seksuele partners in Marokko over de ontwikkeling van zijn gevoelens heeft gesproken en nooit heeft nagedacht over de ontwikkeling van zijn gevoelens, maakt niet dat van eiser niet verwacht mag worden om voldoende concrete verklaringen af te leggen, waarbij hij voorbeelden kan geven vanuit zijn eigen leven.
8.2.
De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser vaag, summier en oppervlakkig heeft verklaard over hoe zijn gevoelens voor jongens zijn begonnen en hoe hij daarmee omging. Aan eiser is onder andere gevraagd naar het moment waarop hij zelf gevoelens begon te krijgen voor mannen. Daarop heeft eiser alleen verklaard dat als hij een mooie man zag, hij zin had om met hem mee te gaan. [5] Op de vraag of eiser kon toelichten hoe hij na verloop van tijd wende aan zijn gevoelens voor mannen, verklaarde hij alleen dat hij het leuk vond en dat hij, als eiser dronken was, seks wilde hebben met mannen. [6] Eiser is ook gevraagd of hij ook andere gevoelens had voor mannen en wederom gaf eiser een summier en oppervlakkig antwoord over seksuele contacten met mannen. [7] Ook op de vraag hoe hij erachter kwam dat hij interesse had in mannen verklaarde eiser alleen over zijn seksuele behoeften. [8]
8.3.
Verder heeft de minister aan eiser mogen tegenwerpen dat eiser vaag en oppervlakkig heeft verklaard over hoe hij zijn seksuele geaardheid accepteerde. Eiser is herhaaldelijk in de gelegenheid gesteld om te verklaren over hoe het voor hem was om zich niet te kunnen uiten in Marokko, ook nadat hij drie jaar in Spanje had verbleven. Daarop heeft eiser alleen verklaard dat hij in een gevangenis zat en dat hij zocht naar een oplossing. [9] Ten aanzien van die detentie heeft de minister ook terecht tegengeworpen dat eiser wisselend heeft verklaard over de aanleiding van zijn detentie, een cruciaal moment in zijn leven. Eiser heeft allereerst verklaard dat hij dronken was en seks had met iemand waardoor hij in de problemen kwam met de autoriteiten. Vervolgens heeft hij echter verklaard dat hij geen seks met een man had, maar dat dit alleen aan hem is toegedicht. [10] Op de vraag of hij daar met een man of een vrouw was heeft eiser eerst verklaard dat hij met een vrouw was, later is dit gecorrigeerd naar een man. [11]
8.4.
De minister heeft ook terecht tegengeworpen dat eiser wisselend heeft verklaard wie van zijn seksuele gerichtheid weet in Marokko. Enerzijds heeft eiser verklaard dat niemand in zijn woonplaats op de hoogte is van zijn seksuele gerichtheid, maar anderzijds dat hij niet terug kan omdat ze, vanwege zijn gevangenisstraf, op de hoogte zijn van zijn seksuele gerichtheid. Nergens uit eisers verklaringen blijkt concreet en duidelijk dat hij in detentie heeft gezeten omdat hij seksuele handelingen zou hebben verricht met een man en dat mensen uit zijn woonplaats hier nu van op de hoogte zouden zijn. Tot slot heeft de minister bij zijn besluitvorming mogen betrekken dat eiser sinds zijn aankomst in 2018 geen kennis heeft genomen van LHBTI-organisaties in Nederland, terwijl zijn biseksualiteit volgens hem de reden was om naar Nederland te komen.
9. Van overige persoonlijke feiten en omstandigheden waardoor sprake zou zijn van een schending van artikel 3 EVRM Pro [12] , is de rechtbank niet gebleken. Dat is door eiser in beroep ook niet onderbouwd.
Asielaanvraag zo spoedig mogelijk ingediend
10. Ook heeft de minister de aanvraag als kennelijk ongegrond kunnen afwijzen, omdat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Eiser verblijft namelijk sinds 2018 in Nederland en heeft pas op 6 november 2025 asiel aangevraagd nadat hij door de politie was aangehouden. Eiser verbleef al 7 jaar illegaal in Nederland en van hem mag worden verwacht dat hij zich eerder had verdiept in de mogelijkheden om in Nederland de bescherming te krijgen die hij meent nodig te hebben. Dat eiser pas hoorde van de mogelijkheid om asiel aan te vragen bij zijn aanhouding, maakt dit niet anders.
Reguliere verblijfsvergunning
11.1.
Eiser heeft tot slot op de zitting aangevoerd dat de minister ten onrechte niet heeft beoordeeld of eiser gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, verblijf bij zijn partner en de stiefkinderen waar hij voor zorgt, in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning.
11.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Omdat eisers aanvraag niet is ingediend binnen zes maanden na zijn eerste inreis, mocht de minister ambtshalve toetsing aan artikel 8 van Pro het EVRM achterwege laten. [13]

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister eisers aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond en dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E. van Bruggen, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.S. Hayas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Op grond van artikel 31, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw 2000.
3.Pagina 7 van het verslag van het aanmeldgehoor.
4.Horen en beslissen in zaken waarin lhbti-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd.
5.Pagina 10 van het verslag van het nader gehoor.
6.Pagina 11 van het verslag van het nader gehoor.
7.Pagina 11 van het verslag van het nader gehoor.
8.Pagina 12 van het verslag van het nader gehoor.
9.Pagina 17 van het verslag van het nader gehoor.
10.Pagina 8 en 20 van het verslag van het nader gehoor.
11.Pagina 16 van het verslag van het nader gehoor.
12.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
13.Op grond van artikel 3.6a, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.