Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16025

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
14 juni 2026
Zaaknummer
NL24.36175
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtVreemdelingencirculaire 2000 paragraaf C7/35.3.2.1
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring beroep asielaanvraag op grond van homoseksuele gerichtheid uit Uganda

De rechtbank Den Haag heeft het beroep van een Ugandese asielzoeker tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag gegrond verklaard. De minister had de aanvraag afgewezen omdat hij de homoseksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig achtte. De rechtbank oordeelt echter dat de minister ten onrechte de verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid en relatie niet diepgaand en onvoldoende aannemelijk heeft bevonden.

Eiser heeft uitgebreid toegelicht hoe hij zijn homoseksuele gerichtheid heeft ervaren, inclusief gevoelens van eenzaamheid en druk vanuit zijn familie. Ook heeft hij zijn relatie met een man beschreven, ondanks enkele onvolkomenheden in details die de rechtbank niet als ongeloofwaardig beschouwt. Daarnaast heeft eiser met steunverklaringen en bewijsstukken zoals foto’s van deelname aan de Pride in Utrecht zijn seksuele gerichtheid onderbouwd.

De rechtbank stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze verklaringen niet geloofwaardig zouden zijn en dat de verklaringen van derden niet zijn meegewogen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met opdracht aan de minister een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.36175
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag] 1994, van Ugandese nationaliteit, eiser,
(gemachtigde: mr. S.R. Nohar),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. S. van der Steen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
De minister heeft met het bestreden besluit van 20 augustus 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, tolk H. Abdulla in de Engelse taal en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Asielrelaas en besluitvorming
4. Eiser heeft aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en in Uganda een relatie heeft gehad met [naam 1]. Eiser had een relatie met een vrouw genaamd [naam 2] als dekmantel. Met deze vrouw heeft hij twee jaar samengewoond en een dochter gekregen. Eiser heeft verklaard dat zij erachter is gekomen dat eiser homoseksueel was en dat zij dit aan zijn zus heeft verteld. [naam 2] dreigde hem vervolgens aan te geven bij de autoriteiten. Uit angst dat zijn homoseksuele gerichtheid naar buiten zou komen en dat dit eiser in problemen zou brengen met de autoriteiten, hebben eiser en zijn partner [naam 1] een werkvergunning aangevraagd voor Polen. Eiser heeft deze vergunning gekregen en is vervolgens door zijn ontvoerders vanuit Polen in Nederland terechtgekomen.
4.1.
Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • Identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • Homoseksuele gerichtheid; en
  • Problemen als gevolg van homoseksuele gerichtheid.
4.2.
De minister acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig.
4.3.
De minister acht de seksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig omdat eisers verklaringen over zijn bewustwording en gevoelens summier, vaag en oppervlakkig zijn.
Daarnaast zijn eisers verklaringen over zijn relatie met [naam 1] niet diepgaand, bevatten ze vaag- en ongerijmdheden en verklaart hij wisselend over de duur van de relatie. Ook bevatten eisers verklaringen over de relatie tussen eiser en [naam 2] vaagheden en ongerijmdheden. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij te maken heeft gehad met discriminatie op grond van zijn seksuele gerichtheid. Tenslotte heeft eiser ook een geringe kennis van de LHBTI-situatie in Nederland en Uganda.
4.4.
De minister acht ook de problemen als gevolg van eisers seksuele gerichtheid ongeloofwaardig. Eiser verklaart namelijk ongerijmd over de problemen die hij heeft ervaren naar aanleiding van zijn homoseksuele gerichtheid.
De homoseksuele gerichtheid
5. Eiser stelt dat de minister zijn homoseksuele gerichtheid ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht en legt daar samenvattend het volgende aan ten grondslag. Hij stelt ten eerste – samengevat - dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser ten aanzien van zijn verklaringen over zijn bewustwording en gevoelens summier, vaag en oppervlakkig heeft verklaard. Daarnaast stelt eiser dat de minister eisers verklaringen over zijn relatie met [naam 1] ten onrechte niet diepgaand acht, en zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de verklaringen vaagheden en ongerijmdheden bevatten. Ook stelt eiser dat hij niet wisselend heeft verklaard over de duur van zijn relatie met [naam 1]. Verder heeft de minister zich – samengevat - ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser een geringe kennis heeft van de LHBTIQ+-situatie in Nederland en Uganda.
6. De rechtbank overweegt ten eerste dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser ten aanzien van zijn verklaringen over zijn bewustwording en gevoelens summier, vaag en oppervlakkig heeft verklaard. Eiser heeft in het nader en aanvullend gehoor zijn gevoelens en gedachtes omtrent de ontdekking dat hij homoseksueel was beschreven. Zo heeft eiser op pagina 23 van het nader gehoor verklaard dat hij gemengde gevoelens had op het moment dat hij erachter kwam dat hij homoseksueel was. Hij verklaart dat het eerst mooi was maar daarna eng omdat hij wist dat het niet geaccepteerd was in de maatschappij. Verder verklaart hij bijvoorbeeld dat hij zich eenzaam voelde, met niemand kon praten en dat hij druk van de familie, voornamelijk van zijn moeder, voelde om zich te conformeren. Op pagina 22 van het aanvullend gehoor verklaart eiser verder nog dat hij geprobeerd heeft te veranderen door te bidden en door te proberen verliefd te worden op meisjes.
7. De rechtbank oordeelt daarnaast dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over zijn relatie met [naam 1] niet diepgaand zijn en dat deze verklaringen vaagheden en ongerijmdheden bevatten. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat het feit dat eiser de naam van de film niet meer weet die draaide op het moment dat hij [naam 1] over zijn gevoelens voor hem vertelde of dat hij [naam 1] in de gehoren een soort broer noemt, nog niet maakt dat zijn verklaringen over het ontstaan van de relatie niet diepgaand zijn. Verder heeft eiser in de gehoren zijn gevoelens voor [naam 1] beschreven en persoonlijke verklaringen afgelegd. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom je van een persoon met de achtergrond van eiser meer mag verwachten.
8. Ten aanzien van eisers verklaringen over de duur van zijn relatie overweegt de rechtbank dat eiser daarover in het aanmeldgehoor heeft verklaard dat hij sinds vijf jaar een relatie heeft. Daaruit is af te leiden dat de relatie in 2017 zou zijn begonnen omdat het aanmeldgehoor in 2022 heeft plaatsgevonden. Hoewel deze verklaring niet overeenkomt met eisers latere verklaringen, verklaart eiser in de verder procedure wel consistent over de duur van de relatie. Daar geeft hij namelijk steeds aan dat de relatie van 2012 tot 2018-2019 heeft geduurd. Dit is ook in overeenstemming met de verklaringen over [naam 2]. Over eisers verklaring in het aanmeldgehoor dat zijn relatie vijf jaar duurde, is niet doorgevraagd, daarom heeft eiser niet de kans gehad om dit verder te verduidelijken. Gezien eiser na het aanmeldgehoor consequent heeft verklaard over de duur van de relatie, kan aan deze discrepantie naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie worden verbonden dat eisers relatie met [naam 1] daarom ongeloofwaardig is.
9. De rechtbank volgt eiser verder dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser een geringe kennis heeft van de LHBTIQ+-situatie in Nederland en Uganda. Zo heeft eiser over de situatie in Uganda bijvoorbeeld verklaard dat er geen toegang is tot faciliteiten en voorzieningen zoals HIV [1] consulstaties. [2] Verder heeft eiser bijvoorbeeld verklaard dat de overheid in Uganda extreem tegen homoseksualiteit is en dat er in mei 2023 een nieuwe wet is aangenomen waardoor eiser bij terugkeer mogelijk de doodstraf of een levenslange gevangenisstraf krijgt. [3] Ten aanzien van de situatie in Nederland heeft eiser naar voren gebracht en met verklaringen onderbouwt dat hij betrokken is bij de Regenboog Groep, dat hij een buddy heeft, dat hij de pastoor van Stap Verder kent, en dat hij een partner heeft. Ook heeft eiser met foto’s onderbouwd dat hij heeft deelgenomen aan de Pride in Utrecht.
10. Concluderend oordeelt de rechtbank dat de minister niet voldoende heeft gemotiveerd waarom eisers verklaringen in combinatie met de verklaringen van derden onvoldoende zijn om zijn homoseksuele gerichtheid aannemelijk te maken. Op de zitting heeft de minister aangegeven dat als verklaringen enigszins aannemelijk zijn, verklaringen van derden ondersteunend kunnen zijn om het asielrelaas aannemelijk te maken. De rechtbank oordeelt dat de minister niet heeft gemotiveerd waarom eisers verklaringen zijn homoseksuele gerichtheid niet dusdanig aannemelijk maken dat de verklaringen van derden de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas kunnen ondersteunen. De door eiser overgelegde verklaringen van derden gaan namelijk over feitelijke informatie over de seksuele geaardheid eiser. Zo verklaart de buddy dat eiser aanvankelijk schuchter was en niet te koop liep met zijn homoseksuele gerichtheid en dat eiser nu steeds meer voor zijn homoseksuele gerichtheid durft uit te komen en inmiddels ook een relatie heeft. Dit heeft de buddy van eiser op de zitting ook nog een keer bevestigd. Eiser heeft eerst verklaard dat hij een relatie had met een man uit Egypte en nu met een man uit Frankrijk. Zijn huidige partner heeft ook een verklaring afgelegd. De minister heeft de door eiser overgelegde verklaringen van derden niet meegewogen. Daarom komt de rechtbank tot het oordeel dat de minister de verklaringen van derden alsnog inhoudelijk moet beoordelen en dient te onderzoeken of eiser met deze verklaringen alsnog zijn homoseksuele gerichtheid aannemelijk heeft gemaakt middels steunbewijs.
Problemen als gevolg van de homoseksuele gerichtheid
11. De rechtbank overweegt verder dat de minister de problemen als gevolg van de homoseksuele gerichtheid van eiser in het bestreden besluit als los asielmotief heeft opgenomen. De minister heeft in zijn beleid opgenomen dat de minister, gelet op de zeer fragiele positie van LHBTIQ+ in Uganda, aan Ugandese LHBTIQ+ een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verleend, tenzij contra-indicaties de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de weg staan. [4] Op basis van hetgeen in het beleid van de minister is opgenomen, ziet de rechtbank geen aanleiding om de problemen als gevolg van de homoseksuele gerichtheid als los asielmotief te toetsen.
Overige beroepsgronden
12. Omdat het beroep reeds op de vorige beroepsgrond slaagt, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat er een nieuwe afweging moet worden gemaakt over de geloofwaardigheid van eiser zijn verklaringen en dat is voorbehouden aan de minister.
14. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
15. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, - (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). [5]

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL24.36175:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak; en
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868, -.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Humaan Immunodeficientievirus.
2.Pagina 12 van het aanvullende gehoor.
3.Pagina 14 van het aanvullende gehoor.
4.Op grond van paragraaf C7/35.3.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
5.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.