Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16026

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
14 juni 2026
Zaaknummer
NL25.20764 en NL25.20765
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 TerugkeerrichtlijnArt. 62a Vreemdelingenwet 2000Art. 2 SIS-VerordeningRichtlijn 2008/115/EGVerordening (EU) 2018/1861
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugkeerbesluit en SIS-signalering ondanks verblijf in Portugal

Eiser, van Bengalese nationaliteit, had een verblijfsvergunning voor studie in Nederland die werd ingetrokken wegens onvoldoende studievoortgang. De minister legde een terugkeerbesluit op en signaleerde eiser in het Schengen Informatie Systeem (SIS). Eiser betwistte dit en voerde aan dat zijn verblijf in Portugal stabiel is met arbeid en huisvesting, en dat de SIS-signalering disproportioneel is.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht het terugkeerbesluit heeft genomen omdat eiser geen geldige verblijfsvergunning in Portugal heeft kunnen aantonen. De SIS-signalering is verplicht bij een terugkeerbesluit en kan alleen door Portugal via een raadplegingsprocedure worden opgeheven. De minister hoeft geen evenredigheidstoets toe te passen bij deze besluiten.

Eiser stelde ook dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar, maar de rechtbank vindt dat de minister mocht afzien van horen omdat de ingediende stukken geen aanleiding geven tot een ander besluit. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het terugkeerbesluit en de SIS-signalering.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.20764 (beroep) en NL25.20765 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag] 1996, van Bengalese nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser),
(gemachtigde: mr. L. Soedamah),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. A.R. Menschaart).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de oplegging van een terugkeerbesluit aan eiser en de signalering van eiser in het SIS [1] . Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder terecht het terugkeerbesluit heeft opgelegd en eiser terecht in het SIS heeft gesignaleerd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft

Procesverloop

3. Eiser had in Nederland vanaf 22 augustus 2022 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, met als beperking ‘studie’. De vergunning had een geldigheidsduur tot 30 november 2026.
3.1.
Op 15 januari 2024 heeft de minister eiser een brief gestuurd met het voornemen om de verblijfsvergunning van eiser in te trekken omdat het College van Bestuur van [school] eiser per 31 augustus 2023 heeft afgemeld wegens onvoldoende studievoortgang. Eiser heeft op 23 januari 2024 en op 29 juli 2024 gereageerd met een zienswijze op het voornemen tot intrekking.
3.2.
Met het primaire besluit van 18 september 2024 heeft de minister de verblijfsvergunning ingetrokken, vanaf 31 augustus 2023. De minister heeft tevens een terugkeerbesluit opgelegd en eiser in het SIS gesignaleerd.
3.3.
Met het bestreden besluit van 7 april 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het terugkeerbesluit terecht is opgelegd en dat eiser terecht in het SIS is gesignaleerd.
3.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.5.
De rechtbank heeft het beroep op 4 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet op de zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

4. Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
Opheffing van de SIS-signalering
5. De intrekking van de verblijfsvergunning van eiser door de minister is tussen partijen niet in geschil.
6. Eiser stelt dat de voortduring van het terugkeerbesluit en de SIS-signalering disproportioneel is, omdat zijn verblijfssituatie in Portugal stabiel is. Eiser verblijft namelijk sinds september 2024 in Portugal en beschikt over een arbeidsovereenkomst en huisvesting.
Het opheffen van de SIS-signalering had de minister niet mogen weigeren enkel vanwege het ontbreken van een formele Portugese verblijfsvergunning. In deze zaak is Nederland verantwoordelijk voor de signalering van eiser en dient het zelfstandig te toetsen of die nog proportioneel en noodzakelijk is. Eiser verwijst ter onderbouwing van die stelling naar de uitspraak van de rechtbank en zittingsplaats Den Haag van 23 mei 2024. [2]
7. De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn [3] , in samenhang gelezen met artikel 62a, eerste lid, onder b van de Vreemdelingenwet 2000, volgt dat de minister geen terugkeerbesluit kan nemen als de vreemdeling in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf. Nu eiser niet heeft aangetoond dat hij rechtmatig verblijf heeft in Portugal, heeft de minister terecht het terugkeerbesluit genomen.
7.1.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de SIS-Verordening [4] is de minister verplicht om bij het nemen van een terugkeerbesluit de vreemdeling inzake zijn terugkeer in het SIS te signaleren. De minister is dan ook op goede gronden hiertoe overgegaan.
7.2.
De rechtbank overweegt verder dat, als Portugal aan eiser een verblijfsvergunning wil verlenen, een SIS-signalering daar niet aan in de weg hoeft te staan. Portugal kan namelijk een zogeheten raadplegingsprocedure starten. Met deze procedure kan het terugkeerbesluit en daarmee de SIS-signalering ambtshalve worden opgeheven. Als eiser klachten heeft over het mogelijk uitblijven van deze raadplegingsprocedure, dient eiser zich te wenden tot de Portugese autoriteiten.
7.3.
De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat bij een terugkeerbesluit of een signalering in het SIS geen ruimte is voor een evenredigheidsstoets, omdat die besluiten op grond van dwingendrechtelijke bepalingen zijn genomen. [5] Eisers beroep op het evenredigheidsbeginsel kan daarom niet slagen.
Schending hoorplicht
8. Eiser voert aan dat hij in bezwaar ten onrechte niet is gehoord.
8.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat horen een essentieel onderdeel is van de bezwaarprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. [6] De minister mag alleen afzien van horen als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister mocht afzien van het horen van eiser. Uit de stukken die eiser met zijn bezwaar heeft overgelegd blijkt namelijk niet dat hij rechtmatig verblijf heeft in Portugal. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat die stukken redelijkerwijs het terugkeerbesluit en de SIS-signalering niet anders kunnen maken.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister het terugkeerbesluit terecht heeft opgelegd en eiser terecht in het SIS heeft gesignaleerd. Omdat het beroep ongegrond is, bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank/voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep in de zaak NL25.20764 ongegrond;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak NL25.20765 af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Voetnoten

1.Schengen Informatie Systeem.
3.Richtlijn 2008/115/EG.
4.Verordening (EU) 2018/1861.
5.Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1075,
6.Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.