Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16030

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
14 juni 2026
Zaaknummer
AWB 25 / 4757
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.6 VreemdelingenbesluitArt. 7:3 AwbArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek opheffing ongewenstverklaring na verblijf in Nederland zonder voorafgaand verzoek

Eiser, een Braziliaanse nationaliteit dragende persoon, werd in 2018 ongewenst verklaard en uitgezet naar Brazilië. In april 2024 werd hij in Nederland staande gehouden zonder dat hij voorafgaand een verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring had ingediend. Verweerder wees het verzoek tot opheffing af omdat de vijfjaarstermijn opnieuw begon te lopen door het verblijf in Nederland zonder toestemming.

Eiser voerde aan dat hij rechtmatig in Portugal verbleef en niet op de hoogte was van de nog geldende ongewenstverklaring. De rechtbank oordeelde dat eiser bij de oplegging van de ongewenstverklaring op de regels was gewezen en dat hij om hulp had kunnen vragen indien hij deze niet begreep. Nieuwe argumenten die pas tijdens de zitting werden ingebracht, werden niet in behandeling genomen.

De rechtbank verwierp ook het beroep op een belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro, omdat dit te laat en onvoldoende onderbouwd was. Ook het ontbreken van een hoorzitting in bezwaar was terecht, omdat geen twijfel bestond over de afwijzing. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/4757
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M. Dorgelo),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiser om zijn ongewenstverklaring op te heffen.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder het verzoek van eiser om zijn ongewenstverklaring op te heffen terecht heeft afgewezen
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiser is geboren op [geboortedag] 1971 en heeft de Braziliaanse nationaliteit.
2.2.
Eiser is op 14 september 2018 aan de grens geweigerd door de Koninklijke Marechaussee, district West. Op 3 oktober 2018 heeft de Koninklijke Marechaussee, district West, Brigade IBS Centrum West, verweerder verzocht om eiser ongewenst te verklaren. Eiser is vervolgens op 9 oktober 2018 ongewenst verklaard. Op 12 november 2018 is hij uitgezet naar zijn land van herkomst, Brazilië.
2.3.
Eiser is op 12 april 2024 staande gehouden in Rotterdam. Op 22 april 2024 heeft hij gevraagd om opheffing van de ongewenstverklaring.
2.4.
Met het primaire besluit van 13 augustus 2024 heeft verweerder het verzoek van eiser om opheffing van de ongewenstverklaring afgewezen. Volgens verweerder voldoet eiser niet aan de voorwaarden voor opheffing. Eiser is op 12 april 2024 in Nederland aangetroffen en is staande gehouden vanwege identiteitsfraude. Op grond van artikel 6.6, derde lid en onder b, van het Vreemdelingenbesluit, vangen de in het eerste lid genoemde termijnen opnieuw aan, indien de vreemdeling tijdens de ongewenstverklaring zonder voorafgaande tijdelijke opheffing of in strijd met de aan de tijdelijke opheffing verbonden voorwaarden in Nederland heeft verbleven. Dit betekent dat de termijn van vijf jaar opnieuw is gaan lopen, nadat eiser op 12 april 2024 door de politie in Nederland is aangetroffen. Om deze reden voldoet eiser niet aan de voorwaarden voor opheffing van de ongewenstverklaring.
2.5.
Met het bestreden besluit van 21 februari 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring gebleven. Verweerder heeft zijn standpunten uit het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft eiser verder niet gevolgd in zijn bezwaargrond dat zijn ongewenstverklaring moet worden opgeheven, omdat hij vijf achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven. Verweerder heeft gesteld dat eiser op de hoogte was van het feit dat hij ongewenst was verklaard en dat hij niet het recht had om Nederland binnen te treden. Voordat hij naar Nederland reisde had hij om opheffing van de ongewenstverklaring moeten verzoeken. Het is aan hemzelf te wijten dat hij dat heeft nagelaten en dat de termijn van vijf jaar nu opnieuw is gaan lopen.
2.6.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
2.8.
Eiser heeft na de zitting nog een nader stuk ingediend. Omdat het onderzoek op de zitting gesloten is en eiser niet heeft gevraagd om het onderzoek te heropenen en de rechtbank daar ook geen aanleiding voor ziet, heeft de rechtbank dit stuk geretourneerd.

Beoordeling door de rechtbank

3.1.
De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of verweerder terecht heeft geweigerd de ongewenstverklaring op te heffen.
3.2.
Vaststaat dat eiser op 9 oktober 2018 ongewenst is verklaard en dat hij op
12 april 2024 staande is gehouden in Rotterdam. Op dat moment was de in de ongewenstverklaring opgelegde termijn van vijf jaren verstreken. Vaststaat ook dat eiser op dat moment geen verzoek had ingediend om opheffing van de ongewenstverklaring. Uit artikel 6.6, derde lid, onder b van het Vreemdelingenbesluit volgt dat in dat geval de termijnen van de ongewenstverklaring opnieuw aanvangen. De kern van de zaak is dus dat eiser in Nederland is aangetroffen zonder vooraf een verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring te hebben ingediend.
3.3.
Eiser voert aan dat hij rechtmatig verblijf geniet in Portugal, omdat hij als Braziliaan het recht heeft om daar te wonen en te werken. Eiser voert ook aan dat de Portugese autoriteiten zijn verblijfspasje niet afgeven, zolang er een SIS-melding actief is. De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan dat dit niet gaat over het bestreden besluit, namelijk het opheffen van de ongewenstverklaring en het daardoor kunnen reizen naar Nederland. Deze beroepsgronden vallen dus buiten de omvang van het geding en de rechtbank laat deze buiten beschouwing.
3.4.
Eiser voert aan dat hij zich niet bewust was van een nog steeds geldende ongewenstverklaring. Hij had niks meer van de Nederlandse overheid gehoord en dacht dat de ongewenstverklaring was verlopen, nu de termijn van vijf jaren was verstreken. Eiser voert verder aan dat aan hem niet was medegedeeld dat hij vooraf een verzoek om opheffing diende te doen. Hij wist niet dat deze regel hem kon worden tegengeworpen. De rechtbank volgt eiser hierin niet. In de ongewenstverklaring van 9 oktober 2018 staat namelijk opgenomen dat eiser kan vragen om opheffing van de ongewenstverklaring en dat de voorwaarden daarvoor zijn dat hij na zijn vertrek uit Nederland niet strafrechtelijk is vervolgd voor een misdrijf en dat hij aantoont dat hij na de ongewenstverklaring vijf achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven. Verweerder heeft in de ongewenstverklaring ook verwezen naar de op dat moment geldende regelgeving, namelijk paragraaf A4/3.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Verweerder heeft de regels van de ongewenstverklaring dus duidelijk aan eiser laten weten bij het opleggen van de ongewenstverklaring. Eiser was daarom op de hoogte van de regels. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij dit niet begreep, overweegt de rechtbank dat hij daarvoor om hulp had kunnen vragen.
3.5.
De gemachtigde van eiser heeft op de zitting aangevoerd dat hij de ongewenstverklaring mogelijk nooit heeft ontvangen. De rechtbank gaat voorbij aan deze beroepsgrond. Eiser heeft dit pas op de zitting naar voren gebracht en deze beroepsgrond is dus tardief. Daarbij is deze stelling van eiser niet in lijn met de beroepsgronden van 31 maart 2025, waar hij nog aanvoerde dat hij in de veronderstelling was dat de ongewenstverklaring was verlopen, omdat de termijn van vijf jaren verstreken was. Daaruit valt op te maken dat hij wel op de hoogte was van de ongewenstverklaring.
3.6.
Eiser voert aan dat als hij vooraf een verzoek om opheffing zou hebben ingediend, dat verzoek zou zijn toegewezen. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Vaststaat dat eiser voorafgaand aan zijn reis naar Nederland geen verzoek om opheffing heeft ingediend. Niet kan worden gezegd of dit verzoek door verweerder zou zijn toegewezen. Want hoewel de termijn van vijf jaren verstreken was, zijn er voor de opheffing van een ongewenstverklaring nog meer voorwaarden van belang.
3.7.
Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen belangenafweging heeft verricht. Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft dit standpunt in zijn beroepsgronden niet geconcretiseerd. Op de zitting heeft eiser aangegeven dat met deze beroepsgrond wordt bedoeld de belangenafweging die in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM [1] moet plaatsvinden. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Eiser heeft pas ter zitting een beroep gedaan op artikel 8 van Pro het EVRM en er is nog geen begin van onderbouwing voor gegeven. De rechtbank komt dan ook niet toe aan een beoordeling van deze beroepsgrond.
3.8.
Voor zover eiser op de zitting heeft bedoeld aan te voeren dat het tegenwerpen van de ongewenstverklaring voor hem onevenredig bezwarend is, volgt de rechtbank hem ook niet. Ook deze grond heeft eiser pas op de zitting naar voren gebracht; de grond is dus tardief. Maar ook verder is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit evenredig is, omdat eiser had kunnen vragen om opheffing van de ongewenstverklaring.
3.9.
Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen hoorzitting in de bezwaarfase heeft gehouden. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit vaste rechtspraak volgt dat het uitgangspunt is dat verweerder een vreemdeling in bezwaar hoort. [2] Verweerder heeft alleen de mogelijkheid om van het horen in bezwaar af te zien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. [3] Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht gesteld dat daar sprake van is. Gelet op wat in bezwaar is overgelegd, bestaat namelijk nog steeds geen twijfel over de conclusie dat de termijn van de ongewenstverklaring opnieuw is gaan lopen, omdat eiser is aangetroffen in Nederland zonder daartoe vooraf een verzoek om opheffing te hebben ingediend. Verweerder heeft dus terecht afgezien van het houden van een hoorzitting.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026.
griffier
De rechter is verhinderd te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
3.Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.