ECLI:NL:RBDHA:2026:1604

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
NL26.3007
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 Vw 2000Art. 59 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000

De minister van Asiel en Migratie legde op 9 januari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 27 januari 2026 via een beeldverbinding.

Eiser voerde aan dat de minister zijn inspanningsverplichting had geschonden door tijdens zijn voorafgaande strafrechtelijke detentie geen uitzettingshandelingen te verrichten, dat de ophouding op een onjuiste grondslag was gebaseerd en dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld bij de uitzetting. De rechtbank oordeelde dat de minister gelet op de korte duur van de strafdetentie en het ontbreken van geldige identiteitsdocumenten geen uitzettingshandelingen hoefde te verrichten tijdens de strafdetentie.

Verder stelde de rechtbank vast dat eiser terecht op grond van artikel 50, tweede lid, Vw 2000 was opgehouden, omdat zijn identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld ondanks eerdere asielprocedures. Ook was de minister vanaf de inbewaringstelling op 9 januari 2026 gehouden tot uitzettingshandelingen, welke voortvarend zijn opgepakt met een vertrekgesprek op 14 januari 2026 en een aanvraag voor een laissez-passer op 16 januari 2026.

De rechtbank vond geen aanleiding om ambtshalve tot een ander oordeel te komen en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3007

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. F. Boone als waarnemer voor zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Heeft de minister zijn inspanningsverplichting geschonden?
1. Eiser betoogt dat de minister niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting. Voorafgaand aan de inbewaringstelling zat eiser namelijk in strafrechtelijke detentie en de minister heeft deze periode niet gebruikt om handelingen te verrichten die de inbewaringstelling zouden kunnen verkorten.
1.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zijn inspanningsverplichting niet geschonden. Hoewel uit paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) volgt dat de minister een inspanningsverplichting heeft om vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie zoveel mogelijk te beperken, heeft de minister in dit geval gelet op de korte duur van de strafrechtelijke detentie (van 3 januari 2026 tot 9 januari 2026) en de omstandigheid dat er geen geldige identiteitsdocumenten beschikbaar waren geen uitzettingshandelingen gedurende de strafdetentie hoeven verrichten.
Is eiser op de juiste grondslag opgehouden?
2. Eiser betoogt dat de grondslag van de ophouding onjuist is. Het was namelijk voor de minister duidelijk wie eiser is, ook omdat hij eerder een asielprocedure heeft doorlopen. Een paspoort is geen vereiste voor ophouding op deze grondslag. De rechtbank dient gelet hierop een belangenafweging te maken en deze valt in het voordeel van eiser uit, gelet op de andere gebreken van de inbewaringstelling, aldus eiser.
2.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser op de juiste grondslag opgehouden, namelijk op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000. Anders dan eiser betoogt kon zijn identiteit niet onmiddellijk worden vastgesteld omdat hij geen identiteitsdocumenten kon overleggen. Dat eiser eerder een asielprocedure heeft doorlopen, doet hieraan niet af. Zoals de minister terecht heeft gesteld, is namelijk in deze procedure de identiteit en nationaliteit van eiser ook niet vastgesteld. Dit blijkt uit het voornemen van 29 september 2025. Nu eiser op de juiste grondslag is opgehouden, is een belangenafweging niet aan de orde.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
3. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn uitzetting. Eiser zat namelijk vanaf 3 januari 2026 in strafdetentie en aansluitend in bewaring. De minister heeft echter pas op 14 januari 2026 een vertrekgesprek gevoerd en dat is volgens eiser te laat.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank verwijst hiervoor allereerst naar dat wat zij heeft overwogen onder 1.1. De minister was gelet daarop pas vanaf de inbewaringstelling, op 9 januari 2026, gehouden om uitzettingshandelingen te verrichten. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend gehandeld. De minister heeft namelijk op 14 januari 2026 een vertrekgesprek gevoerd. Daarnaast heeft de gemachtigde van de minister tijdens de zitting toegelicht dat op 16 januari 2026 een laissez-passer aanvraag is verzonden.
Leidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [1]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en HvJEU 4 september