ECLI:NL:RBDHA:2026:1604
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000
De minister van Asiel en Migratie legde op 9 januari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 27 januari 2026 via een beeldverbinding.
Eiser voerde aan dat de minister zijn inspanningsverplichting had geschonden door tijdens zijn voorafgaande strafrechtelijke detentie geen uitzettingshandelingen te verrichten, dat de ophouding op een onjuiste grondslag was gebaseerd en dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld bij de uitzetting. De rechtbank oordeelde dat de minister gelet op de korte duur van de strafdetentie en het ontbreken van geldige identiteitsdocumenten geen uitzettingshandelingen hoefde te verrichten tijdens de strafdetentie.
Verder stelde de rechtbank vast dat eiser terecht op grond van artikel 50, tweede lid, Vw 2000 was opgehouden, omdat zijn identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld ondanks eerdere asielprocedures. Ook was de minister vanaf de inbewaringstelling op 9 januari 2026 gehouden tot uitzettingshandelingen, welke voortvarend zijn opgepakt met een vertrekgesprek op 14 januari 2026 en een aanvraag voor een laissez-passer op 16 januari 2026.
De rechtbank vond geen aanleiding om ambtshalve tot een ander oordeel te komen en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.