Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16040

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
C/09/689942 / FA RK 25-6070
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:251a BWArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning eenhoofdig gezag aan moeder wegens langdurige afwezigheid vader en belang minderjarige

De moeder verzoekt de rechtbank het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te kennen, omdat de omstandigheden sinds het aangaan van het gezamenlijk gezag zijn gewijzigd. De vader is langdurig afwezig geweest, niet bereikbaar en heeft geen rol gespeeld in het leven van het kind. De vader voert verweer en vraagt om een zorgregeling of een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.

De rechtbank oordeelt dat de omstandigheden inderdaad zijn gewijzigd en dat het gezamenlijk gezag niet langer uitvoerbaar is. De vader is niet verschenen op de zitting, wat het vertrouwen in zijn betrokkenheid ondermijnt. De moeder is bereid de vader te betrekken indien het kind dat wenst. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder toe en kent haar het eenhoofdig gezag toe.

Ten aanzien van de omgangsregeling stelt de rechtbank vast dat het kind geen contact wenst met de vader en dat een omgangsregeling op dit moment niet in het belang van het kind is. Het verzoek van de vader tot omgang wordt daarom afgewezen. De rechtbank heeft het kind ook persoonlijk geïnformeerd over de uitkomst van de procedure.

Uitkomst: De rechtbank kent het eenhoofdig gezag toe aan de moeder en wijst het verzoek van de vader tot omgang af.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-6070
Zaaknummer: C/09/689942
Datum beschikking: 15 mei 2026

Gezag

Beschikking op het op 12 augustus 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B.S. van Haeften te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift namens de moeder.
Op 17 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder in het bijzijn van haar advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De [minderjarige] heeft zich op 14 april 2026 in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Feiten

 De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
 Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
 [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] .
 De vader heeft [minderjarige] erkend.
 De vader en de moeder zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast ingevolge een aantekening in het gezagsregister van 12 mei 2014.
 [minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.

Verzoek en verweer

Het verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt het gezamenlijk gezag te beëindigen en haar met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten.
De moeder doet haar verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden zijn gewijzigd.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken en heeft tevens zelfstandig verzocht te bepalen dat:
primair
een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] wordt vastgesteld waarbij [minderjarige] , na stapsgewijze opbouw gedurende een jaar, om het weekend bij de vader zal verblijven en wekelijks een middag na school, en waarbij de vakanties bij helfte worden verdeeld.
subsidiair
te bepalen dat de Raad wordt ingeschakeld om een onderzoek te verrichten naar hetgeen in het belang van [minderjarige] is ten aanzien van een zorgregeling.

Beoordeling

Gezag
Juridisch kader
Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan derhalve worden beëindigd indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien
b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Ontvankelijkheid
De moeder is van mening dat sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag de omstandigheden zijn gewijzigd. Bij de aanvang van het gezamenlijk gezag hadden de ouders nog een relatie met elkaar. Deze relatie is inmiddels verbroken en daarnaast heeft [minderjarige] geen contact meer met zijn vader.
Op basis van de stukken en het besprokene op de zitting is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden op grond waarvan de gezagssituatie opnieuw moet worden beoordeeld en de moeder kan worden ontvangen in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder stelt zich op het standpunt dat de vader in overleg met de moeder uit de gezamenlijke woning is vertrokken toen [minderjarige] zes à negen maanden oud was. Sindsdien ligt de zorg rondom [minderjarige] enkel bij de moeder. In de maanden daarna werd het contact met de vader steeds minder. Hij miste afgesproken ophaalmomenten en was niet bij ziekenhuisbezoeken van [minderjarige] aanwezig. Er volgde een periode waarbij de vader zo nu en dan in beeld kwam en [minderjarige] dan zag. De relatie is vervolgens verbroken en de ouders hebben een ouderschapsplan opgesteld. Daarin zijn zij overeengekomen dat [minderjarige] op maandag contact zou hebben met de vader in aanwezigheid van de moeder. Dat is een tijdje goed gegaan, totdat het de vader niet meer lukte en hij slechts contact opnam rondom de verjaardag van [minderjarige] waarbij er een taartje werd gegeten, een cadeautje werd gegeven en naar de speeltuin werd gegaan. Ook dit moment van contact is door de vader gestopt. Al een heel lange tijd ontbreekt noodzakelijke communicatie met de vader, zoals deze vereist is voor een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Volgens de moeder is de vader niet bereikbaar en reageert hij ook niet op berichten waardoor het onder andere lastig is benodigde toestemmingen te krijgen voor bijvoorbeeld het aanvragen aan een nieuwe identiteitskaart. Het ligt volgens de moeder niet in de lijn der verwachtingen dat hier binnen afzienbare tijd verbetering in zal komen, dus wenst zij eenhoofdig gezag.
De vader geeft in zijn verweerschrift aan dat in het ouderschapsplan een beperkte zorgregeling is opgenomen. De vader heeft hier op een moment geen uitvoering meer aangegeven, omdat deze niet werd uitgebreid en daarnaast de moeder altijd aanwezig was bij de omgang. Deze aanwezigheid leidde tot spanning tussen de vader en de moeder, waar de vader [minderjarige] niet meer aan bloot wilde stellen. De afgelopen negen jaar is de vader uit beeld geweest, omdat hij kampte met een flinke burn-out, schulden en PTSS-klachten, waardoor hij geen stabiele basis kon bieden aan [minderjarige] . De vader geeft aan inmiddels stabiel te zijn. De vader is verhuisd, sinds 2020 in dienst van een nieuwe werkgever en heeft zijn schulden afgelost. Ook heeft de vader inmiddels een stabiele affectieve relatie waaruit nog twee, nog minderjarige, kinderen zijn geboren. De vader meent dat er geen sprake is van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen zijn ouders. Mocht het eenhoofdig gezag worden toegekend, dan bestaat de kans volgens de vader dat de hij nooit meer volledig betrokken kan gaan worden bij de zorg en opvoeding van [minderjarige] . Er bestaat daarnaast volgens de vader een risico op contactverlies tussen de vader en [minderjarige] . Het enkele feit dat de vader enige tijd uit beeld is geweest, is geen reden om van het uitgangspunt van gezamenlijk gezag af te wijken. De vader erkent dat hij steken heeft laten vallen, maar dat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] van groot belang is dat beide ouders betrokken zijn in zijn leven. Hij begrijpt dat dit tijd zal kosten, maar de vader is volledig bereid om die tijd te investeren in [minderjarige] . Voor wat betreft de communicatie geeft de vader aan dat hij sneller zal reageren op de berichten van de moeder en dat er daarnaast automatisch meer contact zal ontstaan wanneer hij [minderjarige] vaker zal gaan zien. Ondanks dat de vader jarenlang geen invulling heeft gegeven aan het vaderschap, heeft dat tot op heden niet geleid tot problemen en de vader zegt zich in te zullen spannen om dit in de toekomst ook goed te laten verlopen.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval wijziging van het gezag in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is en overweegt daartoe het volgende. Uit de stukken en wat op de zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank gebleken dat de vader onbereikbaar is voor de moeder. Het is daardoor voor de moeder praktisch onuitvoerbaar het gezag gezamenlijk met de vader uit te oefenen. Daarnaast is de rechtbank gebleken dat de vader al een zeer lange tijd geen rol speelt in het leven van [minderjarige] . De rechtbank acht het in dat verband tekenend dat de vader niet aanwezig was op de zitting. Dat maakt het voor de rechtbank onmogelijk om met hem in gesprek te gaan over de in zijn verweerschrift geuite wens om – na jaren van afwezigheid– weer een rol te willen spelen in het leven van [minderjarige] . Het maakt ook dat de rechtbank er geen vertrouwen in heeft dat de vader de betrokkenheid bij [minderjarige] kan tonen die nodig is voor een zinnige invulling van het gezag Gelet hierop is het volgens de rechtbank in het belang van [minderjarige] om het verzoek van de moeder toe te wijzen. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat op de zitting is gebleken dat de moeder welwillend is om de vader te betrekken in het leven van [minderjarige] als [minderjarige] daar behoefte aan heeft in de toekomst. De rechtbank zal het verzoek van de moeder om haar voortaan te belasten met het eenhoofdig gezag dan ook toewijzen.
Omdat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en de moeder voortaan alleen met het gezag wordt belast, zal de rechtbank hierna de term omgangsregeling in plaats van zorgregeling gebruiken.
Omgangsregeling
Juridisch kader
Op grond van artikel 1:377a lid 1 BW heeft het kind recht op omgang met zijn ouders. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang ontzegt.
Inhoudelijke beoordeling
De vader heeft in zijn verweerschrift aangegeven zijn verantwoordelijkheid te nemen voor het niet nakomen van de eerder afgesproken zorgregeling waardoor [minderjarige] teleurgesteld, verdrietig en boos is. Het uitgangspunt blijft volgens de vader dat ouders het recht hebben op omgang met hun kind, zelfs indien een ouder een groot gedeelte van de opvoeding afwezig is geweest. De vader geeft in zijn verweerschrift aan zich te realiseren dat de regeling opgebouwd dient te worden en naar behoefte van [minderjarige] dient te worden aangepast.
De moeder stelt dat zij de vader nooit uit zijn vaderrol heeft willen zetten, zij heeft er volgens haar juist alles aan gedaan om de vader een actieve vader te laten zijn. Zij heeft daartoe ook altijd geprobeerd een positief beeld mee te geven aan [minderjarige] over zijn vader. Het risico dat de vader wederom weer uit beeld kan verdwijnen wanneer het contact met [minderjarige] opgebouwd zal worden, levert ernstig nadeel op in de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige] . De moeder stelt daarom dat het verzoek om omgang dient te worden afgewezen.
De rechtbank is van oordeel dat een omgangsregeling op dit moment niet in het belang is van [minderjarige] . De mening van [minderjarige] is voor de rechtbank het uitgangspunt bij het vaststellen van wat in zijn belang is. [minderjarige] heeft in zijn gesprek op de rechtbank duidelijk gemaakt dat hij geen behoefte heeft aan contact. In haar afweging neemt rechtbank ook mee dat het onderhouden van een band met beide ouders in het algemeen in het belang van een kind is. Nu de vader niet op de zitting is verschenen, heeft de rechtbank er echter geen vertrouwen in dat hij in de toekomst zijn verantwoordelijkheid zal nemen in het door hem gewenste contact met [minderjarige] . Een zorgregeling die [minderjarige] niet wil én die vervolgens niet wordt nagekomen zou ronduit strijdig zijn met zijn belang. Het recht op omgang van de vader weegt hier niet tegenop. . De rechtbank zal het verzoek van de vader daarom afwijzen.
Kindbrief
Tot slot heeft de rechtbank besloten om in aparte brief aan [minderjarige] uit te leggen wat de uitkomst van de procedure is. Hieronder volgt de tekst van die brief, zodat beide ouders weten welke boodschap [minderjarige] heeft ontvangen.
“Beste [minderjarige] ,
Ik ben de kinderrechter met wie je een paar weken geleden hebt gesproken. De reden dat ik je had uitgenodigd is natuurlijk niet leuk, maar toch ben ik blij dat ik met je kon praten. Ik vond het namelijk een bijzonder gesprek. Ik was onder de indruk van je intelligentie, hoe goed je had nagedacht over alles en hoe duidelijk je dat kon vertellen.
Een paar dagen na ons gesprek heb ik met je moeder en haar advocaat gesproken op de rechtszitting. Je vader was daarvoor ook uitgenodigd. Hij was er niet. Ik weet niet waarom. Ik vond het jammer dat hij er niet was, omdat ik graag met hem had gesproken over zijn wens om weer contact met jou te willen. Maar dat is dus niet gelukt.
Je moeder heeft het je vast al verteld, maar ik heb besloten dat zij voortaan alleen het gezag over jou heeft. De handtekening van je vader is dus niet meer nodig in de toekomst. Ik heb ook besloten dat je je vader niet hoeft te zien. Je was daar heel duidelijk over in ons gesprek: dat wil je niet. Ik gun jou een goede band en fijn contact met je moeder én je vader, maar dat moet wel goed voor jou zijn. En dat kan ik op dit moment niet vaststellen.
Ik wens je een hele fijne tijd toe op de middelbare school. En: op naar de volgende homerun.
Met vriendelijke groet,
Erik Boot
Kinderrechter”

BeslissingDe rechtbank:

bepaalt dat voortaan aan de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 2] 1987 te [geboorteplaats] , het eenhoofdig gezag zal toekomen over de minderjarige:
 [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, kinderrechter, bijgestaan door mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 mei 2026.