ECLI:NL:RBDHA:2026:16040
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Toekenning eenhoofdig gezag aan moeder wegens langdurige afwezigheid vader en belang minderjarige
De moeder verzoekt de rechtbank het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te kennen, omdat de omstandigheden sinds het aangaan van het gezamenlijk gezag zijn gewijzigd. De vader is langdurig afwezig geweest, niet bereikbaar en heeft geen rol gespeeld in het leven van het kind. De vader voert verweer en vraagt om een zorgregeling of een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.
De rechtbank oordeelt dat de omstandigheden inderdaad zijn gewijzigd en dat het gezamenlijk gezag niet langer uitvoerbaar is. De vader is niet verschenen op de zitting, wat het vertrouwen in zijn betrokkenheid ondermijnt. De moeder is bereid de vader te betrekken indien het kind dat wenst. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder toe en kent haar het eenhoofdig gezag toe.
Ten aanzien van de omgangsregeling stelt de rechtbank vast dat het kind geen contact wenst met de vader en dat een omgangsregeling op dit moment niet in het belang van het kind is. Het verzoek van de vader tot omgang wordt daarom afgewezen. De rechtbank heeft het kind ook persoonlijk geïnformeerd over de uitkomst van de procedure.
Uitkomst: De rechtbank kent het eenhoofdig gezag toe aan de moeder en wijst het verzoek van de vader tot omgang af.