Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16082

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
NL25.29852
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op bezwaar machtiging voorlopig verblijf

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar van 10 maart 2022 tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf als vermogende vreemdeling. De rechtbank heeft partijen geïnformeerd dat een zitting niet nodig was en heeft de zaak zonder zitting behandeld.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is. Eerder, op 7 september 2023, was al een eerste beroep gegrond verklaard waarbij de minister werd opgedragen binnen twee weken een besluit te nemen. De minister heeft echter niet binnen die termijn beslist, waarna op 4 juli 2025 een tweede beroep werd ingediend. De rechtbank stelt dat een nieuwe ingebrekestelling niet vereist is.

De rechtbank legt opnieuw een termijn van twee weken op waarbinnen de minister moet beslissen en verbindt hieraan een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van €233,50 en het griffierecht van €194 aan eiser. De uitspraak is gedaan door rechter M. van Harten en griffier R.C. Lubbers.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen en legt een termijn en dwangsom op aan de minister.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.29852

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en

de minister van Asiel en Migratie,

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar van 10 maart 2022 tegen de afwijzing van de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als vermogende vreemdeling (‘buitenlandse investeerder’).
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een bezwaar beslist, kan de betrokkene
daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk
aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op
zijn bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen
besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen. [2]
2.1.
Het beroep is ontvankelijk en gegrond. Bij uitspraak van 7 september 2023 heeft deze rechtbank een eerste beroep tegen het niet tijdig beslissen op dat bezwaar gegrond verklaard en de minister opgedragen om binnen twee weken na verzending van de uitspraak een besluit op bezwaar bekend te maken. De minister heeft niet binnen de voorgenoemde termijn een besluit op bezwaar bekendgemaakt. Het tweede beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar is vervolgens op 4 juli 2025 ingediend. Het is niet vereist dat de minister opnieuw in gebreke wordt gesteld. [3]
Welke beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
3. Als de minister niet op tijd heeft beslist, moet de rechtbank een termijn van twee weken opleggen. In bijzondere gevallen of als dat voor de naleving van andere wettelijke voorschriften nodig is, kan de rechtbank een andere termijn opleggen. [4]
3.1.
Wanneer de rechtbank een opvolgend beroep niet tijdig gegrond verklaart, legt de rechtbank een kortere nadere termijn op dan zij bij een eerste beroep niet tijdig zou doen. In die situatie geldt het uitgangspunt dat de rechtbank van de termijn die zij op zou leggen wanneer sprake zou zijn van een eerste beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit, het gedeelte dat voor de minister is bedoeld om te kunnen beslissen halveert. Ondanks dat bij uitspraak van 7 september 2023 al een termijn van twee weken is opgelegd ziet de rechtbank uit zorgvuldigheidsoverwegingen geen aanleiding om nu een kortere termijn te stellen. Daarom legt de rechtbank opnieuw een termijn op van twee weken na verzending van deze uitspraak.
Welke dwangsom legt de rechtbank aan de minister op?
4. De rechtbank moet aan haar uitspraak een dwangsom verbinden. [5] Hierover hebben de rechtbanken landelijk beleid vastgesteld. [6] Op grond van dit beleid stelt de rechtbank de hoogte van de dwangsom in deze zaak vast op een bedrag van € 100 per dag voor elke dag waarmee de onder 3.1 genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van
€ 15.000. [7] De rechtbank ziet geen aanleiding om een ander bedrag per dag vast te stellen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond voor zover het is gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister de onder 3.1 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en de onder 4 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding van de proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding stelt de rechtbank vast op € 233,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,25). [8] Ook moet de minister het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoeden ter hoogte van € 194.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar;
  • draagt de minister op dat hij binnen een termijn van twee weken na verzending van de uitspraak een besluit op bezwaar moet bekendmaken
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan eiser;
  • bepaalt dat de minister het door eiser betaalde griffierecht van € 194 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dit volgt uit de artikelen 6:2 en 6:12 van de Awb.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 29 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1025, r.o. 6.3.
4.Dit volgt uit artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
5.Dit staat in artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
6.Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.
7.Rechtbank Den Haag (zp. Arnhem) 1 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22665, onder 5.7.
8.Rechtbank Den Haag (zp. Arnhem) 1 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22665, onder 6.