Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16092

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
AWB 25/4359
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf voor ouders meerderjarige referent

Eisers, ouders van een in Nederland genaturaliseerde referent, dienden op 13 september 2023 aanvragen in voor een machtiging voor voorlopig verblijf (mvv) om bij hun zoon in Nederland te verblijven. De minister wees deze aanvragen af op 19 maart 2024 en handhaafde dit besluit op bezwaar van 28 januari 2025. Eisers stelden dat er sprake is van familieleven met bijkomende afhankelijkheid, onder meer door medische problemen en de onzekere verblijfssituatie in Saoedi-Arabië en Syrië.

De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende rekening hield met de nieuwe omstandigheden, zoals het feit dat eiseres sinds september 2025 alleen in Syrië verblijft en volledig afhankelijk is van de referent, die haar financieel en praktisch ondersteunt. De minister had onvoldoende gemotiveerd waarom deze afhankelijkheid niet tot familieleven zou leiden in de zin van artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de nieuwe feiten en omstandigheden betrokken moeten worden. Tevens werd het griffierecht aan eiser vergoed. De rechtbank wees een bestuurlijke lus af vanwege inefficiëntie en proceseconomische redenen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met opdracht aan de minister om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/4359

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] (eiser), en

[eiseres], V-nummer: [V-nummer] (eiseres), samen: eisers
(gemachtigde: [referent] )
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvragen voor een machtiging voor voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ’.
1.1.
Eisers hebben op 13 september 2023 aanvragen ingediend voor een mvv. De minister heeft deze aanvragen met het besluit van 19 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 januari 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
1.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers (ook referent in deze procedure), D. Gaastra als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de mvv-aanvragen aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar gaat deze zaak over?
4. Eisers zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum 1] 1967 en [geboortedatum 2] 1964 en hebben de Syrische nationaliteit. Zij verbleven ten tijde van het bestreden besluit samen in Saoedi-Arabië, en zijn de ouders van referent. Referent is geboren op [geboortedatum 3] 1995 en is genaturaliseerd in Nederland. Eisers hebben mvv-aanvragen ingediend om bij hem in Nederland te mogen verblijven. Referent treedt in deze procedure ook op als hun (niet-professionele) gemachtigde.
5. De minister heeft de mvv-aanvragen afgewezen. De minister stelt zich op het standpunt, voor zover hier van belang, dat tussen eisers en referent geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Nu het gaat om volwassen familieleden moeten er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn om familieleven aan te nemen, en die zijn er volgens de minister niet.
6. Eisers zijn het daar niet mee eens. Ze hebben onder andere gewezen op de eerdere samenwoning, hun medische problemen, de financiële steun door referent en de onzekere verblijfssituatie in Saoedi-Arabië. Het bezoekersvisum van eiseres in Saoedi-Arabië is inmiddels verstreken, waardoor zij nu alleen verblijft in Syrië. De afhankelijkheid van referent is hierdoor nog verder toegenomen.
Is er tussen eiser en referent sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid?
7. De rechtbank oordeelt als volgt. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt kunnen stellen dat er tussen eiser en referent geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Eiser is op leeftijd en heeft gehoorproblemen, maar kan nog korte afstanden rijden en maakt gebruik van Uber, een gangbaar vervoermiddel in Saoedi-Arabië. Ook heeft hij nog (aangepast) werk in Saoedi-Arabië. Dat de verlengingen van het dienstverband van eiser in de toekomst mogelijk zullen stoppen is een onzekere toekomstige omstandigheid die de minister niet hoefde mee te wegen. Verder is niet gebleken dat het contact tussen eiser en referent verder gaat dan wat gebruikelijk is. De eerdere samenwoning van eiser met referent is niet doorslaggevend, omdat niet blijkt dat die was ingegeven door afhankelijkheid.
Is er tussen eiseres en referent sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid?
8. Bij de beoordeling van de vraag of er tussen eiseres en referent sprake is van bijkomende elementen, heeft de minister de medische problemen (reuma, nierproblemen en psychische klachten vanwege haar sociale isolement) van eiseres betrokken. De minister heeft er daarbij op gewezen dat zij met een vriendin of met een Uber het ziekenhuis kon bezoeken. De omstandigheid dat referent haar elke dag belde om emotionele steun te bieden, heeft de minister ook onvoldoende gevonden. Daarbij is van belang dat eiseres door anderen ondersteund kon worden, waaronder haar echtgenoot. Verder heeft de minister er op gewezen dat er geen sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Saoedi-Arabië uit te oefenen.
9. Tijdens de beroepsprocedure is echter gebleken dat eiseres sinds 27 september 2025 alleen in [plaats] verblijft, omdat haar bezoekersvisum niet is verlengd. Referent heeft informatie overgelegd waaruit blijkt dat hij eiseres in Saoedi-Arabië heeft opgehaald en met haar naar [plaats] is gevlogen. Ook blijkt uit de overgelegde documenten dat het niet is gelukt om een Nederlands visum te verkrijgen voor eiseres. Referent heeft verder informatie overgelegd ter onderbouwing van zijn bezoeken aan eiseres vanaf 17 december 2025 en van de maandelijkse financiële steun sinds zij in Syrië verblijft. De rechtbank overweegt dat deze informatie raakt aan de argumenten die eiseres eerder in deze procedure naar voren heeft gebracht, waaronder de onzekere verblijfssituatie in Saoedi-Arabië en de mate waarin eiseres zich – gelet op haar medische problematiek – in haar eentje kan redden. De minister heeft op deze nieuwe omstandigheden in de beroepsprocedure kunnen reageren en een standpunt in kunnen nemen over de impact van deze omstandigheden op het voorliggende bestreden besluit. Onder deze omstandigheden en vanuit proceseconomisch oogpunt vindt de rechtbank het dan ook wenselijk om deze situatie bij de beoordeling van het beroep te betrekken.
9.1.
De minister heeft op de zitting het standpunt ingenomen dat kan worden vastgehouden aan het bestreden besluit en het verweerschrift. De afhankelijkheid van eiseres van referent en het ontbreken van een sociaal netwerk in Syrië is niet onderbouwd. De minister wijst er verder op dat eiseres afkomstig is uit Syrië, in zoverre hechte banden heeft met Syrië, en dat zij indien nodig opnieuw een sociaal netwerk kan opbouwen.
9.2.
De rechtbank kan deze aanvullende motivering van de minister niet volgen. De rechtbank stelt daarbij voorop dat referent in de bezwaarprocedure naar voren heeft gebracht dat eiseres in grote mate afhankelijk is van anderen. Zo is er op gewezen dat het vermogen van eiseres om dagelijks activiteiten en persoonlijke verzorging uit te voeren aanzienlijk is beperkt en dat dagelijkse zorg en ondersteuning essentieel is voor haar welzijn. Ook is naar voren gebracht dat eiseres wel voor zichzelf kan zorgen, maar niet alleen thuis kan blijven. De minister heeft zich vervolgens in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat de mentale ondersteuning voor eiseres niet op een andere manier kan worden vormgegeven, dat eiseres vaak met een vriendin, maar ook vaak zelf met gebruik van een Uber het ziekenhuis bezoekt, en dat het voor referent mogelijk is om eiseres te bezoeken. Naar het oordeel van de rechtbank is de eerder in de procedure uitgesproken zorg over eiseres en haar afhankelijkheid van anderen als gevolg van de nieuwe omstandigheden in een ander daglicht komen te staan.
9.3.
Met de overgelegde stukken is namelijk onderbouwd dat referent met eiseres naar [plaats] is gereisd en haar 2,5 maand later heeft bezocht. Verder heeft referent toegelicht dat hij voor eiseres een huurwoning heeft geregeld en in december 2025 naar haar toe is gereisd omdat het (mentaal) niet goed met haar ging. Ook heeft hij ervoor gezorgd dat eiseres kwalitatief goede medicijnen heeft (door deze in te kopen in Saoedi-Arabië), en koopt hij voor haar in Nederland vitamines/supplementen. Eiseres woont sinds 2012 niet meer in Syrië en kent daar volgens referent bijna niemand. Referent heeft toegelicht dat hij via Facebook (tegen betaling) hulp van vreemden moet inschakelen om zijn moeder bij praktische dingen te ondersteunen. Ook wijst hij er op dat hij opnieuw naar haar toe zou willen, maar dat dit niet meer mogelijk is omdat er geen vluchten meer gaan vanwege de instabiliteit in de regio. De rechtbank ziet hierin aanknopingspunten dat de praktische afhankelijkheid tussen referent en eiseres inmiddels het gebruikelijke overstijgt en verder dat de banden van eiseres met Syrië anders gewogen moeten worden en tot slot dat de beoordeling van de objectieve belemmering in een ander licht is komen te staan. Naar het oordeel van de rechtbank doet de aanvullende motivering van de minister hier geen recht aan. Dat de onderbouwing met stukken nog niet volledig is, betekent niet dat de minister aan de verklaringen van referent kan voorbijgaan. De rechtbank vindt hierbij van belang dat referent geen professionele gemachtigde is, en in de periode naar aanloop van het beroep ook in Syrië is geweest. Dat neemt niet weg dat de minister, als hij een nieuw besluit neemt waarin hij de huidige situatie betrekt, nadere onderbouwing van de afhankelijkheidsrelatie tussen referent en eiseres mag verwachten.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. Gelet op wat onder 9.2 en 9.3 is overwogen, kan het bestreden besluit namelijk niet in stand blijven. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Daarbij overweegt de rechtbank dat zowel voor eiser als eiseres mvv-aanvragen zijn ingediend en niet is uit te sluiten dat de omstandigheden zoals genoemd onder 9.2 en 9.3 ook van invloed zijn op de beoordeling van de mvv-aanvraag voor eiser. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
10.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
10.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden.
Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 28 januari 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.