Eiser, van Pakistaanse nationaliteit, is op 27 maart 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en de zaak ambtshalve getoetst.
Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend was bij de uitzetting, omdat de vlucht pas op 19 mei 2026 was geboekt terwijl al op 28 april 2026 bekend was dat uitzetting mogelijk was. De minister voerde aan dat de uitzetting afhankelijk was van medewerking van de Pakistaanse autoriteiten en de Koninklijke Marechaussee, en dat technische problemen bij de afgifte van een laissez passer de planning vertraagden.
De rechtbank oordeelde dat de minister regelmatig vertrekgesprekken voerde en dat de geplande uitzettingsdatum niet onredelijk laat was, mede omdat eiser weigerde mee te werken en een escort nodig was. De rechtbank concludeerde dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.