Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16116

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
09/301941-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24c SrArt. 36c SrArt. 36f SrArt. 38z SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling moord op onderbuurvrouw en poging tot doodslag op haar zoontje met bedreiging van omwonenden

De rechtbank Den Haag heeft op 15 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die op 20 september 2024 zijn onderbuurvrouw met voorbedachten rade heeft vermoord door haar meerdere keren te beschieten. Tevens heeft hij geprobeerd haar vierjarige zoontje te doden en drie omwonenden bedreigd met een vuurwapen.

Het onderzoek bestond uit meerdere zittingen en het dossier bevatte verklaringen van getuigen, het slachtoffer en de verdachte zelf. De rechtbank oordeelde dat verdachte met voorbedachte raad handelde, gezien de tijd die hij nam om zich te beraden en de doelgerichte uitvoering van het schietincident. De poging tot doodslag op het zoontje werd bewezen door kogelgaten in diens rugtas en kleding, en de bedreiging van omwonenden werd bewezen door het richten van het wapen en het overhalen van de trekker.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 jaar met aftrek van voorarrest en legde een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking op. Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan de benadeelden, variërend van materiële tot immateriële schade, met wettelijke rente en proceskosten. De verdachte werd vrijgesproken van de poging tot doodslag op de drie omwonenden.

De rechtbank nam ook het psychologisch rapport en reclasseringsadvies mee in haar oordeel, waarbij geen psychische stoornis werd vastgesteld die strafvermindering rechtvaardigde. De zaak veroorzaakte maatschappelijke onrust vanwege de ernst van de feiten en de femicide-context.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 jaar gevangenisstraf en gedragsbeïnvloedende maatregel voor moord, poging tot doodslag en bedreiging.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/301941-24
Datum uitspraak: 15 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] ( [land] ),
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 2 januari 2025, 31 maart 2025, 18 juni 2025, 27 augustus 2025, 10 november 2025, 2 februari 2026, 9 maart 2026 (alle pro forma) en 1 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Kooij en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. H. Raza naar voren is gebracht.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] en de toelichting op die vordering door mr. P.R. Hogerbrugge, de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] , die op de inhoudelijke behandeling is verschenen en een slachtofferverklaring heeft afgelegd, en de toelichting op die vordering door mr. N.N. Liefeld en de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 3] en de toelichting op die vorderingen door mr. M.P. de Klerk.

2.De tenlastelegging

De tekst van de tenlastelegging is als
bijlage Iaan dit vonnis gehecht. Kort en zakelijk weergegeven is de verdenking dat de verdachte op 20 september 2024:
  • [slachtoffer] met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd (feit 1),
  • heeft gepoogd haar vierjarige zoon [benadeelde 1] van het leven te beroven (feit 2),
  • heeft gepoogd [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] van het leven te beroven (feit 3 primair) dan wel
  • [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] heeft bedreigd (feit 3 subsidiair).

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van feit 3 primair en tot bewezenverklaring van feiten 1, 2 en 3 subsidiair.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde (de moord op [slachtoffer] ) en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde (doodslag van [slachtoffer] ). Ten aanzien van feiten 2 en 3 primair heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Voor feit 3 subsidiair heeft de raadsman ook vrijspraak bepleit, met verwijzing naar de verklaring van de verdachte.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Feit 1 – voorbedachte raad
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op standpunt gesteld dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Het standpunt van de verdediging
De verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] , zijn onderbuurvrouw, heeft doodgeschoten. Hij was heel erg boos op haar omdat zij hem al lange tijd treiterde en hem zwart maakte bij medebewoners van het appartementencomplex waar zij beiden woonden. Hij heeft op haar geschoten omdat hij geen andere uitweg zag en de controle kwijt was toen zij weer over hem roddelde.
Zijn raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van voorbedachte raad. Bij de verdachte was geen sprake van kalm beraad, rustig overleg, een uitgewerkt plan of voorbereidingshandelingen die specifiek gericht waren op het doden van [slachtoffer] . Daarnaast zijn er contra-indicaties die aan voorbedachte raad in de weg staan.
Het oordeel van de rechtbank
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer] op 20 september 2024 is overleden door een doorschotletsel door haar hoofd dan wel een doorschotletsel door haar romp, dan wel de combinatie van deze twee doorschotletsels. De verdachte is vlak na het schieten aangehouden en heeft direct bekend dat hij kogels op zijn onderbuurvrouw heeft afgevuurd en het wapen heeft weggegooid. Later heeft hij verklaard dat hij op korte afstand, vanaf de trap, meerdere keren gericht op haar heeft geschoten. De rechtbank stelt vast dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld: zijn handelen kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet anders worden aangemerkt dan als handelen dat was gericht op het opzettelijk doden van het slachtoffer.
Juridisch kader
De vraag kan, mede gelet op de hierboven genoemde standpunten, daarom worden toegespitst op de vraag of de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet voor een bewezenverklaring komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.
Voorts heeft de Hoge Raad overwogen dat de vraag of de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven zich moeilijk leent voor strafrechtelijk bewijs. Dat geldt zeker in het geval de verklaringen van de verdachte en/of getuigen geen of geen eenduidig inzicht geven in wat voorafgaand aan en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid tot nadenken en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval, zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan, alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.
Langer lopend conflict
Op 15 september 2024, vijf dagen voor [slachtoffer] ’s dood, heeft er een incident tussen de verdachte en [slachtoffer] plaatsgevonden, waarop ook medewerkers van de politie zijn afgekomen. De rechtbank kan niet exact vaststellen wat toen tussen hen heeft plaatsgevonden, maar [slachtoffer] heeft diezelfde dag in een e-mail naar [woningbouwvereniging] geschreven dat zij veel last had van de meneer die op [huisnummer] woont, dat hij haar vaak heeft bedreigd en dat hij heeft gezegd
“dat het niet lang zal duren dat ik opgedonderd word van hier”. De dag erna heeft [slachtoffer] een afscheidsbrief geschreven. De rechtbank heeft gelet op de inhoud van de brief en alle verklaringen die over (de route van) de brief zijn afgelegd geen twijfel dat [slachtoffer] deze brief heeft geschreven. Enkele citaten uit deze brief luiden als volgt:
“Ik stel dit op omdat ik te vrezen heb met mijn leven. Ik voel me niet veilig. Dit is mijn levensverhaal en wensen. En ik weet dat het een dag mijn leven zal kosten. Sorry dat ik jullie niet heb verteld over deze probleem ik word dagelijks bedreigd door de Buurman. (…) Maar deze klootzak buurman maakt mijn leven helemaal zuur. (…) hij achtervolgd ons. (…) Ik zelf weet niet wat ik moet doen. Hij heeft uitspraken gedaan Dat als ik niet van hem word ik van niemand zal worden en wel ervoor zorgt dat niemand mij krijgt al moet hij mensen betalen om mij te vermoorden. (…) Als jullie dit krijgen te lezen is het wel al te laat. Maar ik smeek jullie, ik bedel jullie, (…) VANG [benadeelde 1] OP. (…) Ik schrijf dit met heel veel tranen en pijn. Omdat ik zelf niet weet hoelang ik nog te leven heb. [benadeelde 1] is mijn leven, mijn hartslag. Ik kan niet zonder hem. Als ik er niet meer ben weet dat zijn mama heel veel van hem houdt. (…) Ik draag [benadeelde 1] over aan jullie.”
Uit onderzoek in de telefoon van [slachtoffer] volgt dat zij het telefoonnummer van de verdachte al op 11 februari 2023 blokkeerde. In berichten die [slachtoffer] op 15 maart 2023 wisselde met een mannelijk tegencontact is te lezen dat zij hem bericht dat haar buurman ruzie met haar maakt
“sinds die dag dat hij je zag”. Ze schrijft verder:
“Hij kwam zeuren. Dat je me vriend bent en dat je van me houdt (…). Hij heeft zelf gedreigd dat hij me gaat opruimen van hier. Zo jaloers.”
Volgens de vader van [benadeelde 1] heeft [benadeelde 1] tegen hem gezegd dat
“de dikke buurman zijn moeder elke dag lastigvalt”.
De fatale dag
Uit de handelwijze van de verdachte blijkt dat hij bij de uitvoering van het besluit om [slachtoffer] te doden weloverwogen en doelbewust te werk is gegaan. De rechtbank stelt in dit verband allereerst vast dat de verdachte een geladen en werkend vuurwapen in huis had. Op 20 september 2024 heeft de verdachte [slachtoffer] beneden in het trappenhuis van het portiek zien staan, terwijl zij in gesprek was met een andere bewoner, getuige [getuige] . Zij zou over hem aan het roddelen zijn. Uit de verklaring van [getuige] volgt dat [slachtoffer] hem vertelde dat zij, vanwege het bovengenoemde incident op 15 september 2024, op advies van de politie een opname maakte. Uit die video-opname, die om 17:35:55 uur start, en uit de verklaring van [getuige] , kan worden afgeleid dat de verdachte zei:
“niet luisteren wat jij zegt, zij wil alleen maar problemen maken”en
“je mag hem niet bemoeien”. De opname duurt 1 minuut en 47 seconden, tot 17:37:42 uur derhalve. De verdachte, die alleen aan het begin van de opname te horen is, is vervolgens naar zijn appartement op de derde etage gelopen. Volgens de verklaring van [getuige] heeft [slachtoffer] op dat moment tegen hem gezegd:
“als jij straks weggaat dan zal hij mij aanvallen”. De verdachte is ongeveer vijf tot tien minuten in zijn woning gebleven, zo heeft hij verklaard (in zijn eerste verklaring bij de politie). Ook [getuige] denkt aan vijf minuten. De verdachte heeft aldaar beluisterd of het gesprek nog steeds over hem ging. Toen dat zo bleek te zijn, is hij met het doorgeladen vuurwapen naar beneden gelopen. De verdachte hoorde dat [slachtoffer] nog steeds hetzelfde gesprek met de buurman had en daarop opende hij het vuur. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [slachtoffer] nog zou hebben geleefd als ze op dat moment niet had doorgepraat over hem.
[getuige] heeft verklaard dat hij is weggerend toen hij de buurman zag aankomen met een vuurwapen tegen zijn buik en dat hij tijdens het wegrennen de schoten heeft gehoord. Aangekomen bij een kruispunt wilde [getuige] 112 bellen, maar heeft hij zijn moeder gebeld, waarna zijn moeder 112 heeft gebeld. Deze gesprekken lijken te zijn gevoerd om 17.42 uur en 17.43 uur. De meldkamer kreeg
“omstreeks 17.45 uur”de melding om te gaan naar de [adres] in Rijswijk. De melding betrof een schietpartij, die nog gaande zou zijn en waarbij een vrouw was overleden. Politieagenten zijn om 17.47 uur ter plaatse gekomen. Een verbalisant hoort dan
“in de verte 2 doffe klappen na elkaar, maar op dat moment was ik circa 100 meter bij de desbetreffende woning vandaan”.Deze verbalisant relateert verder:
“Om 17.52 uur zag ik meerdere eenheden ter plaatse komen (…). Deze zijn direct doorgereden richting de desbetreffende woning en hebben hier de verdachte en het slachtoffer aangetroffen.”De rechtbank stelt dan ook vast dat het daadwerkelijke schieten binnen de periode van 17.37 uur en 17.52 uur moet hebben plaatsgevonden, maar waarschijnlijk omstreeks 17.42 uur.
Uit het voorgaande blijkt dat [slachtoffer] niet alleen een langere periode voor haar dood, maar ook vlak voordat zij door de verdachte werd doodgeschoten, vreesde voor de verdachte en haar leven. In een afscheidsbrief geeft ze aan wat er met haar zoon moet gebeuren in geval zij komt te overlijden en enkele minuten voor haar dood vertelt ze tegen een buurman dat de verdachte haar gaat aanvallen.
De rechtbank is, tegen deze achtergrond, van oordeel dat de verdachte, toen hij op weg was naar zijn appartement, hij zijn wapen ging pakken en hij terugging naar [slachtoffer] ruimschoots de tijd heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven.
Bij haar oordeel heeft de rechtbank tevens acht geslagen op de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte direct rond het tijdstip van het schietincident en de doelgerichtheid die daaruit spreekt. De verdachte heeft waarschijnlijk zo’n vijf tot tien minuten gewacht voordat hij met een doorgeladen wapen van de woning op de derde verdieping naar beneden is gelopen, heeft meteen geschoten vanaf een trapverhoging op de eerste verdieping toen hij [slachtoffer] weer tegenkwam en heeft niet één, maar zeven schoten gelost, waarvan één door de romp en één door het hoofd.
Het handelen is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo onmiskenbaar gericht geweest op het om het leven brengen van [slachtoffer] , dat ook daaruit blijkt van handelen met voorbedachte raad.
Geen contra-indicaties
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er – anders dan door de verdediging is gesteld – in deze zaak geen contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad, althans geen indicaties van een zodanig gewicht dat die zouden moeten leiden tot het oordeel dat sprake is geweest van handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De rechtbank merkt in dit verband op dat de verdachte na afloop van het schieten naar zijn appartement is gegaan, zich heeft omgekleed, een biertje heeft gedronken, heeft gebeld met een vriend en aan hem heeft gevraagd
“morgen of overmorgen”langs te komen bij de politie.
Conclusie
Op grond van al het vorenstaande is komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De verdachte heeft dus met voorbedachte raad gehandeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de ten laste gelegde moord wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.3.2.
Feit 2 – poging tot doodslag op [benadeelde 1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit feit kan worden bewezen, omdat de verdachte op z’n minst voorwaardelijk opzet heeft gehad om ook [benadeelde 1] dodelijk te verwonden door in zo’n kleine ruimte zo vaak te schieten.
Het standpunt van de verdediging
De verdachte heeft verklaard dat het niet zijn bedoeling was om op [benadeelde 1] te schieten.
Zijn raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken, nu niet blijkt waar [benadeelde 1] zich bevond ten tijde van het schieten, zodat niet kan worden aangenomen dat de verdachte ook in zijn richting heeft geschoten.
Het oordeel van de rechtbank
Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de rugtas van [benadeelde 1] , in de broodtrommel die in die rugtas zat en in de capuchon van de trui die hij aanhad ronde gaten zijn aangetroffen. In de rugtas zaten twee gaten, vermoedelijk een in- en een uitschot. In de broodtrommel, die waarschijnlijk in de rugtas zat tussen de in- en uitschoten, zaten ook twee gaten. In de capuchon zat een gat van - op het zicht - vergelijkbare grootte als de gaten in de rugtas en de broodtrommel. De rechtbank is van oordeel dat deze gaten niet anders kunnen zijn ontstaan dan door de schoten van de verdachte. De verdediging heeft dat ook niet betwist. De vraag kan daarom worden toegespitst op de vraag of het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte ook was gericht op de doden van [benadeelde 1] . Het dossier bevat de volgende informatie over waar [benadeelde 1] zich bevond ten tijde van het schieten door de verdachte.
[benadeelde 1] heeft daarover verklaard dat zijn moeder ging praten met de buurman, dat de dikke buurman boos werd, naar binnen was gegaan, een pistool had gehaald en mama had geschoten en dat hij ( [benadeelde 1] ) was gaan schuilen achter een fiets. Gelet op de leeftijd van [benadeelde 1] past uiteraard terughoudendheid om deze verklaring als uitgangspunt te nemen. De (summiere) verklaring van [benadeelde 1] komt evenwel overeen met de verklaringen van [getuige] en de verdachte.
[getuige] heeft verklaard dat hij bij thuiskomst zijn buurvrouw en haar zoontje trof, die ook naar binnen liepen. Zij raakten in gesprek en na enig moment kwam de verdachte voor de eerste keer naar beneden. Nadat de verdachte hierna weer naar boven ging, gingen ze verder in gesprek. Het zoontje stond op dat moment naast zijn moeder. [getuige] heeft verklaard dat de verdachte een tweede keer naar beneden kwam met een vuurwapen tegen zijn buik, dat hij ( [getuige] ) het portiek uit rende en dat hij vlak hierna schoten heeft gehoord. Desgevraagd heeft [getuige] aangegeven dat hij zag dat de verdachte op de trapverhoging op de eerste verdieping stond en
“mijn buurvrouw stond bij de voordeur met haar zoontje ernaast”. Ook in een nadere verklaring heeft [getuige] aangegeven dat het zoontje
“ernaast”stond.
De verdachte heeft in dezelfde lijn verklaard. In zijn eerste verhoor heeft hij verklaard dat het kindje ook daar was, bij de buurman en buurvrouw, een paar meter, bij de voordeur. Bij de voorgeleiding bij de rechter-commissaris heeft de verdachte verklaard dat de jongen ook daar was en, als reactie dat kogels vlak langs hem heen zijn gegaan, door zijn rugzakje:
“Oh, dan was hij dichtbij”, en op de vraag hoe dichtbij:
“Volgens mij een meter”.
Uit deze verklaringen volgt dat [benadeelde 1] naast zijn moeder stond toen de verdachte begon te schieten (meerdere schoten) vanaf de trapverhoging op de eerste verdieping. Uit meerdere foto’s in het dossier blijkt dat het om een klein portiek gaat, grofweg zo’n één bij twee meter.
Het mag een wonder worden genoemd dat [benadeelde 1] niet is geraakt door een kogel. De gaten in zijn rugtas, broodtrommel en capuchon wijzen erop dat (een) kogel(s) ook in zijn bovenlichaam, nek of hoofd terecht had(den) kunnen komen.
De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat de verdachte, door vanaf een verhoging meerdere keren te schieten naar beneden, kennelijk in de richting van [slachtoffer] , die zich in een kleine ruimte bevond, naast haar zoon [benadeelde 1] , (op z’n minst) bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat ook [benadeelde 1] door hem zou worden doodgeschoten.
3.3.3.
Feit 3 – vrijspraak poging tot doodslag, bewezenverklaring bedreiging
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van feit 3 primair en overweegt daartoe als volgt.
Niet kan worden vastgesteld dat het wapen waarmee de verdachte op de buurtbewoners [benadeelde 2] (hierna [benadeelde 2] ), [benadeelde 3] en [benadeelde 4] heeft gericht op dat moment (nog steeds) voorzien was van (een) kogel(s). Het werkende vuurwapen dat voor het gebouw in de bosjes is aangetroffen was niet meer voorzien van kogels. Gelet daarop is niet komen vast te staan dat de verdachte (één van) hen van het leven heeft
kunnenberoven.
De verdachte heeft evenwel zijn wapen op de buurtbewoners gericht waarbij zij in de loop hebben gekeken en waarbij, in geval van [benadeelde 2] , zelfs gehoord en gezien is dat hij de trekker overhaalde. De verdachte deed dit nota bene kort nadat hij [slachtoffer] had doodgeschoten. Gelet daarop is er sprake van doodsbedreigingen van de meest ernstige soort. Feit 3 subsidiair wordt dan ook bewezen verklaard.
3.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 20 september 2024 te Rijswijk [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door meermalen met een vuurwapen op die [slachtoffer] te schieten;
2.
hij op 20 september 2024 te Rijswijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met een vuurwapen in de richting van die [benadeelde 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3. subsidiair
hij op 20 september 2024 te Rijswijk [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en [benadeelde 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een vuurwapen op die [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en [benadeelde 4] te richten en (vervolgens bij die [benadeelde 2] ) de trekker over te halen.
De rechtbank heeft taal- en typefouten in de tenlastelegging verbeterd, zonder de verdachte in zijn verdediging te schaden.
De rechtbank heeft in
bijlage IIopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht bij de straftoemeting rekening te houden met de proceshouding van de verdachte (voor zover hij verantwoordelijkheid heeft genomen), de onzekerheden in het gedragskundige beeld, de leeftijd van de verdachte en de reeds ondergane voorlopige hechtenis.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord op [slachtoffer] , poging tot doodslag op haar vierjarige kind en bedreiging van drie omwonenden.
Tussen de verdachte en het slachtoffer, bewoners van hetzelfde complex, heeft een langlopend conflict bestaan waarbij de verdachte zich kennelijk gekrenkt heeft gevoeld door de afwijzing van zijn buurvrouw, hetgeen op 20 september 2024 heeft geleid tot een geweldsexplosie met onomkeerbare gevolgen. De verdachte heeft [slachtoffer] in het bijzijn van haar vierjarige zoon [benadeelde 1] op een gruwelijke wijze om het leven gebracht door haar op slechts enkele meters afstand in het hoofd en lichaam te schieten met een vuurwapen. Hij heeft in totaal zeven schoten gelost. Het slachtoffer is aangetroffen op haar buik liggend op de trap naar de kelder. Het slachtoffer van deze ijzingwekkende femicide, dat slechts 38 jaar oud is geworden, moet in haar laatste levensmomenten ernstige doodsangsten hebben doorstaan. Dit geldt temeer voor haar zoontje, dat heeft moeten zien hoe zijn moeder die op dat moment naast hem stond, werd doodgeschoten. De verdachte heeft met zijn handelen bovendien het risico aanvaard dat het kind eveneens dodelijk zou worden getroffen, nu er kogelinslagen zijn aangetroffen in zijn rugtas, broodtrommel en de capuchon van zijn trui.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één van de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Hij heeft het slachtoffer het meest fundamentele recht, het recht op leven, ontnomen. Haar overlijden heeft onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden, onder wie haar destijds vierjarige zoontje.
Ook omwonenden zijn getuige geweest van een uiterst gewelddadig dodelijk schietincident vlakbij hun eigen woning, dat aan het einde van de middag heeft plaatsgevonden in een complex met veel bewoners. Het handelen van de verdachte getuigt van een volstrekt gebrek aan respect voor menselijk leven en de veiligheid van anderen. Nadat hij het slachtoffer had beschoten en had achtergelaten in het trappenhuis, heeft hij drie omwonenden bedreigd door een vuurwapen op hen te richten. [benadeelde 2] , ook een bewoner van het complex, heeft een heldendaad verricht door met gevaar voor eigen leven het kindje op de arm te nemen en mee te nemen naar zijn eigen appartement. De verdachte heeft daarbij het wapen op [benadeelde 2] gericht en de trekker overgehaald. Dit handelen moet voor hen, en in het bijzonder voor [benadeelde 2] , uiterst bedreigend en angstaanjagend zijn geweest. Ook bij andere omwonenden die getuige waren van het incident of daarvan later kennisnamen heeft dit grote gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. [benadeelde 2] heeft ter terechtzitting een slachtofferverklaring afgelegd, waaruit de ernst van de gebeurtenissen en de gevolgen daarvan ook blijken.
De beschreven strafbare feiten hebben, gelet op hun ernst, vanzelfsprekend ook in de samenleving een grote schok teweeggebracht. Er is uitgebreid over de gebeurtenissen in de omgeving gesproken, er is een stille tocht gehouden en de zaak heeft tot op heden aandacht in de media. Femicide, waar deze zaak toebehoort, brengt ook brede gevoelens van onveiligheid in de samenleving met zich mee.
Strafblad
De rechtbank heeft rekening gehouden met het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van de verdachte, gedateerd 26 november 2024. Daaruit volgt dat de verdachte in 2013 onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een poging tot doodslag, onder meer tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het vonnis behoort tot het strafdossier. Daaruit blijkt dat er sprake is van opvallende overeenkomsten: er is excessief geweld toegepast en de verdachte legt de schuld bij de ander, het slachtoffer. De veroordeling heeft de verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.
Persoon van de verdachte
M. Fluit, psychiater, en I.W.J. ten Post, GZ-psycholoog, hebben in een Pro Justitia rapport van 9 februari 2026 van het Pieter Baan Centrum gerapporteerd dat de verdachte moeilijk te doorgronden en ongrijpbaar bleek. Dat had verschillende redenen: hij werkte wisselend mee aan het onderzoek, hij was emotioneel beperkt toegankelijk, zijn interacties op de afdeling leverden beperkte informatie op, het milieuonderzoek is beperkt gebleven, hij is niet of nauwelijks bekend bij instanties en een beperkt aantal referenten kon worden benaderd. Aldus luidt de conclusie dat er te weinig en deels verwarrende informatie voorhanden is om tot diagnostische conclusies te komen. De rapporteurs hebben beschreven dat zij kenmerken zien van een psychische stoornis, zoals een depressieve stemmingsstoornis, zwakbegaafdheid, problematisch alcoholgebruik, agressieproblematiek, een posttraumatische stressstoornis, een schizoïde persoonlijkheidsstoornis, een autismespectrumstoornis en/of een paranoïde persoonlijkheidsstoornis. De rapporteurs kunnen deze stoornissen niet uitsluiten, maar hebben die ook niet kunnen vaststellen. Doordat geen psychische stoornis, verstandelijke handicap of psychogeriatrische stoornis is aangetoond, kan niet worden onderbouwd dat er een recidivekans bestaat die samenhangt met psychopathologie en hebben de rapporteurs de onderzoeksvragen niet kunnen beantwoorden.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van een reclasseringsrapport over de verdachte van 7 april 2026, waarin negatief wordt geadviseerd over een TBS met voorwaarden en het recidiverisico hoog wordt ingeschat. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een GVM aan de verdachte op te leggen, zodat voorwaarden kunnen worden toegepast na de gevangenisstraf.
Op grond van deze rapportages kan niet worden vastgesteld dat er bij de verdachte sprake is van een stoornis, is er geen aanleiding om de feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen en is een behandeling niet geïndiceerd.
Voortgezette handeling
De rechtbank is van oordeel dat de moord op [slachtoffer] en de poging tot doodslag van haar vierjarige zoontje [benadeelde 1] als voortgezette handeling moeten worden gezien.
Redelijke termijn
Behoudens bijzondere omstandigheden behoort een zaak met een gedetineerde verdachte te zijn afgerond met een einduitspraak binnen 16 maanden na aanvang van de redelijke termijn. Met de verklaring van de verdachte ten tijde van zijn aanhouding kon hij er rekening mee houden dat hij zou worden vervolgd. De redelijke termijn heeft derhalve een aanvang genomen op 20 september 2024. Op 15 juni 2026 wordt de zaak afgerond met een eindvonnis. In de tussenliggende periode heeft het nodige onderzoek plaatsgevonden, zijn er op verzoek van de verdediging getuigen gehoord door de rechter-commissaris en is de verdachte, vanwege zijn weigerachtige houding, onderzocht in het Pieter Baan Centrum. De rechtbank stelt dan ook vast dat de redelijke termijn met een aantal maanden is overschreden, maar verbindt daar, gelet op voornoemde, geen consequenties aan.
Strafmaat
Gelet op de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn geschetst, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur.
Het getuigt van een vergaande gewetenloosheid dat de verdachte de moord op zijn buurvrouw heeft gepleegd, nota bene in het bijzijn en voor de ogen van haar jonge kind. Het handelen van de verdachte geeft blijk van het kennelijke gemak waarmee hij bereid is extreem en roekeloos geweld toe te passen, zonder acht te slaan op de waarde van het menselijk leven en de veiligheid van anderen. De rechtbank rekent de verdachte dit zwaar aan.
Daarbij komt dat de verdachte op geen enkel moment enig berouw heeft getoond. Integendeel, hij lijkt zijn daden nog altijd gerechtvaardigd te vinden en lijkt zichzelf als slachtoffer te zien. Als voorbeeld benoemt de rechtbank dat aan de verdachte ter zitting is gevraagd of hij het niet erg vond voor het vierjarige zoontje van het slachtoffer, waarna hij antwoordde dat die gevolgen komen door (het gedrag van) het slachtoffer. Deze houding maakt de schok van de feiten nog groter en maakt ook dat er, zoals de reclassering ook aangeeft, moet worden gevreesd dat de verdachte in vrijheid een gevaar voor de maatschappij zal zijn.
De rechtbank zal, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 30 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Oordeel rechtbank GVM
De rechtbank is van oordeel dat een GVM moet worden opgelegd, voor het geval de verdachte na het uitzitten van de langdurige gevangenisstraf in vrijheid zal worden gesteld. De rechtbank ziet de noodzaak van de oplegging van de GVM om de kans op herhaling van gewelddadig gedrag zoveel mogelijk te beperken. Door middel van een (langdurig) toezicht met interventies kan worden gewerkt aan het terugdringen van het recidiverisico. Binnen de GVM ontstaat de mogelijkheid om de verdachte langduriger te monitoren en kunnen er veiligheidsmaatregelen worden opgelegd ter bescherming van de maatschappij. Deze kunnen worden verlengd, zolang het recidiverisico hierom vraagt en de verdachte kan in hechtenis worden genomen als hij de voorwaarden overtreedt. Daarmee wordt het recidiverisico naar het oordeel van de rechtbank voldoende beheerst. De rechtbank onderkent dat voorwaarden in het kader van de GVM pas over vele jaren kunnen worden opgelegd, maar overweegt dat de wetgever, gelet op de wetgeschiedenis bij de invoering van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht, met name het oog heeft gehad op zware gewelds- en zedendelicten.
Aan de voorwaarden voor de oplegging van de GVM van artikel 38z, eerste lid en onder b, van het Wetboek van Strafrecht is voldaan. De rechtbank zal daarom de GVM opleggen aan de verdachte.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregelen

Ter verkrijging van schadevergoeding hebben de volgende personen zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces: [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 4] en [benadeelde 3] .
De wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij [benadeelde 1] , namelijk de (bijzonder) curator mr. D.G.M. van den Hoogen, met machtiging aan mr. P.R. Hogerbrugge, heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. Gevorderd is een schadevergoeding van € 135.586,15, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag valt uiteen in de volgende posten:
Materiële schade:
  • € 30.000,- overlijdensschade/gederfd levensonderhoud;
  • € 1.586,15 diverse kosten nalatenschap;
  • € 4.000,- nader te onderbouwen;
Immateriële schade:
  • € 30.000,- aantasting in de persoon;
  • € 50.000,- schokschade;
  • € 20.000,- affectieschade.
Ter zitting heeft mr. Hogerbrugge aangegeven dat de post ‘nader te onderbouwen’ niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 8.941,31, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 3.941,31 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade.
De benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 3] hebben ieder € 1.500,- aan immateriële schadevergoeding gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Door de benadeelde partijen is de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
7.1.
Het standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de officier van justitie gevorderd de benadeelde partij in de vordering voor zover deze betrekking heeft op de post ‘nader te onderbouwen’ ten bedrage van € 4.000,- niet-ontvankelijk te verklaren wegens onvoldoende onderbouwing. Voor het overige heeft de officier van justitie gevorderd de vordering toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 4] en [benadeelde 3] toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen te verklaren indien de rechtbank komt tot vrijspraken van de feiten waarop de vorderingen zien, alsmede de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren indien deze niet (deugdelijk) zijn onderbouwd.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen als volgt.
Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 1]
Materiële schade
De rechtbank zal de benadeelde partij in de vordering voor zover die betrekking heeft op de post ‘nader te onderbouwen’ niet-ontvankelijk verklaren, nu deze post niet is onderbouwd en het een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert om de benadeelde partij de gelegenheid te geven deze post nader te onderbouwen.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de overige materiële schade, is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente die betrekking heeft op de materiële schade toewijzen met ingang van 3 september 2025, zijnde de datum tussen de eerste en de laatste factuur/offerte (respectievelijk 30 december 2024 en 8 mei 2026).
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit op grond van artikel 6:106, aanhef en eerste lid, onder b (“op andere wijze”) en c, van het Burgerlijk Wetboek. De benadeelde partij stond naast zijn moeder toen zij werd doodgeschoten, waarbij kogels in zijn rugtas, broodtrommel en capuchon terecht zijn gekomen en hij zal als vierjarige de rest van zijn leven zonder zijn moeder moeten leven. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd en de omstandigheid dat de verdediging dit niet betwist, zal de rechtbank de vordering die ziet op de immateriële schade toewijzen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente die betrekking heeft op de immateriële schade toewijzen met ingang van 20 september 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 2]
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente die betrekking heeft op de materiële schade toewijzen met ingang van 13 januari 2025, de datum van de huurovereenkomst, zijnde de grootste post van de materiële schade.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde feit op grond van artikel 6:106, aanhef en eerste lid, onder b (“op andere wijze”) van het Burgerlijk Wetboek. De aard en de ernst van de normschending brengen met zich mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij heeft vanuit zijn woning schoten gehoord, is naar beneden gegaan om zich te ontfermen over een roepend jongetje en is op de terugweg, terwijl hij het jongetje in zijn armen droeg, geconfronteerd met de verdachte die een wapen op hem heeft gericht en de trekker heeft overgehaald. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd en de omstandigheid dat de verdediging dit niet betwist, zal de rechtbank de vordering die ziet op de immateriële schade toewijzen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente die betrekking heeft op de immateriële schade toewijzen met ingang van 20 september 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 4]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde feit op grond van artikel 6:106, aanhef en eerste lid, onder b (“op andere wijze”) van het Burgerlijk Wetboek. De aard en de ernst van de normschending brengen met zich mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij heeft vanuit zijn woning schoten gehoord, is naar buiten gegaan en is vervolgens geconfronteerd met de verdachte die een wapen op hem heeft gericht. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd en de omstandigheid dat de verdediging dit niet betwist, zal de rechtbank de vordering die ziet op de immateriële schade toewijzen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 20 september 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 3]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde feit op grond van artikel 6:106, aanhef en eerste lid, onder b (“op andere wijze”) van het Burgerlijk Wetboek. De aard en de ernst van de normschending brengen met zich mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij heeft vanuit zijn woning schoten gehoord, is naar buiten gegaan en is vervolgens geconfronteerd met de verdachte die een wapen op hem heeft gericht. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd en de omstandigheid dat de verdediging dit niet betwist, zal de rechtbank de vordering die ziet op de immateriële schade toewijzen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 20 september 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

8.De inbeslaggenomen voorwerpen

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder 3 en 4 genoemde voorwerpen op de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen met strafrechtelijk beslagtitel d.d. 7 oktober 2025 (hierna: de beslaglijst) zullen worden onttrokken aan het verkeer en dat het onder 1 genoemde voorwerp, te weten de telefoon van het merk Oppo, zal worden teruggegeven aan de verdachte.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de inbeslaggenomen voorwerpen.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
Twee vuurwapens
De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 3 en 4 genoemde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan en/of deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
Telefoon (Oppo)
Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op artikelen 24c, 36c, 36f, 38z, 45, 56, 57, 60a, 285, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4. bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feiten 1 en 2:
de voortgezette handeling van
moord
en
poging tot doodslag;
ten aanzien van feit 3 subsidiair:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
30 (DERTIG) JAREN;
bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
legt aan de verdachte op de
maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] deels toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van € 131.586,15 aan [benadeelde 1] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over een bedrag van € 31.586,15 vanaf 3 september 2025 en over een bedrag van € 100.000,- vanaf 20 september 2024, steeds tot aan de dag dat dit bedrag is betaald;
bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige deel niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van € 8.941,31 aan [benadeelde 2] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over een bedrag € 3.941,31 vanaf 13 januari 2025 en over een bedrag van € 5.000,- vanaf 20 september 2024, steeds tot aan de dag dat dit bedrag is betaald;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van € 1.500,- aan [benadeelde 4] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 september 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van € 1.500,- aan [benadeelde 3] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 september 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
schadevergoedingsmaatregelen
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen
- een bedrag van € 131.586,15, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over een bedrag van € 31.586,15 vanaf 3 september 2025 en over een bedrag van
€ 100.000,- vanaf 20 september 2024, steeds tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 1] ;
- een bedrag van € 8.941,31, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag
€ 3.941,31 vanaf 13 januari 2025 en over een bedrag van € 5.000,- vanaf 20 september 2024, steeds tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 2] ;
  • een bedrag van € 1.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 september 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 4] ;
  • een bedrag van € 1.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 september 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 3] ;
bepaalt dat, als de verschuldigde bedragen niet volledig worden betaald of kunnen worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van respectievelijk 334 dagen (ten aanzien van [benadeelde 1] ), 23 dagen (ten aanzien van [benadeelde 2] ), 4 dagen (ten aanzien van [benadeelde 4] ) en 4 dagen (ten aanzien van [benadeelde 3] ), waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichtingen niet opheft;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;
de inbeslaggenomen goederen
verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 3 en 4 genoemde voorwerpen, te weten: 1 stk Pistool (Glock) met voorwerpnummer 3207495 en 1 stk Pistool (Colt 45) met voorwerpnummer 320497;
gelast de teruggave aan [verdachte] van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 1 stk Telefoontoestel (Oppo) met voorwerpnummer 3207389.
Dit vonnis is gewezen door
mr. S.M. Krans, voorzitter,
mr. R.P. van der Weide, rechter,
mr. dr. C. Hofman, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. C.B. Pluim, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 juni 2026.
Bijlage I – de tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 20 september 2024 te Rijswijk [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door (meermalen) met een vuurwapen op die [slachtoffer] te schieten;
2
hij op of omstreeks 20 september 2024 te Rijswijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met een vuurwapen in de richting van die [benadeelde 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
hij op of omstreeks 20 september 2024 te Rijswijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen op die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] heeft gericht en/of (vervolgens) de trekker heeft overgehaald, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 september 2024 te Rijswijk [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een vuurwapen op die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] te richten en/of (vervolgens) de trekker over te halen.