Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie van 10 januari 2025 en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het beroep is beslist.
De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een verzoek zonder zitting kan worden afgewezen indien het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Eerder heeft de rechtbank bij uitspraak van 27 maart 2026 het beroep van verzoekster kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat geen beroepsgronden waren ingediend.
Omdat de hoofdprocedure niet meer loopt, is het verzoek om een voorlopige voorziening zonder onderzoek ter zitting niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.