Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16133

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
AWB 24/19371
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:82 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:38 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Verzoeker heeft op 23 november 2024 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie van 24 oktober 2024. De voorzieningenrechter heeft partijen niet uitgenodigd voor een zitting omdat het griffierecht niet is betaald, waardoor de zaak niet inhoudelijk behandeld kan worden.

De rechtbank heeft verzoeker op 26 maart 2025 aangetekend verzocht het griffierecht van €187,- binnen twee weken te voldoen, met de waarschuwing dat bij niet-betaling het verzoek niet-ontvankelijk verklaard kan worden. Deze brief was onbestelbaar en is daarom op 22 april 2025 per gewone post verzonden, met een betalingstermijn tot 29 april 2025.

Verzoeker heeft verzocht om kwijtschelding van het griffierecht wegens betalingsonmacht, maar dit verzoek is op 25 maart 2025 afgewezen. Ondanks deze afwijzing heeft verzoeker het griffierecht niet betaald en geen geldige reden opgegeven. Daarom verklaart de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk en wijst een vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/19371

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker,

V-nummer: [V-nummer]
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoeker heeft ingesteld op 23 november 2024 tegen het besluit van verweerder van 24 oktober 2024.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Verzoeker heeft namelijk het griffierecht niet betaald, waardoor de voorzieningenrechter de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit.
2. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening indient moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:82, eerste lid, van de Awb. In dit geval is het griffierecht
€ 187,-.
3. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald is de hoofdregel dat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar verzoeker niets aan kan doen.
4. De rechtbank heeft verzoeker op 26 maart 2025 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat verzoeker het griffierecht binnen twee weken moet betalen aan de rechtbank. Ook staat in deze brief dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren als verzoeker het griffiegeld niet betaald. Deze brief is onbestelbaar aan de rechtbank geretourneerd. Hierna is deze brief, ter voldoening aan het bepaalde in artikel 8:38 van Pro de Awb, op 22 april 2025 per gewone post verzonden aan verzoeker. Daarbij is vermeld dat de in de brief van 26 maart 2025 genoemde termijn eindigt op 29 april 2025.
5. Verzoeker heeft gevraagd of hij het griffierecht niet hoeft te betalen, omdat hij dit bedrag niet kan betalen. De rechtbank heeft verzoeker op 25 maart 2025 een brief gestuurd waarin staat dat zijn verzoek is afgewezen en dat hij het griffierecht wel moet betalen. Verzoeker moest dit doen voor 29 april 2025.
6. De rechtbank heeft het bedrag niet ontvangen. Verzoeker heeft daar geen reden voor gegeven.
7. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening niet inhoudelijk behandeld. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
8. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening
niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van J.B. Overtoom, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid
te ondertekenen
griffier (voorzieningen)rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.